Wonderlijke stad. Magnifiek gelegen aan een baai, aan de voet van de Tafelberg, uitkijkend over de onstuimige Atlantische Oceaan. Als toerist loop je door straten met namen die herinneren aan het Nederlandse verleden, Buitengracht, Heerengracht. Je eet in deftige Victoriaanse panden die dateren uit de negentiende eeuw. Soms waan je je in een Afrikaanse versie van Duizend-en-een-nacht, slenterend over de kinderhoofdjes van de Bo Kaap, met zijn felgekleurde huisjes, moskeeën en restaurants waaruit de geur van curry en koeksisters opstijgt. De splendeur strekt zich uit naar het zuiden, naar Constantia met zijn antieke wijngaarden en Cape-Dutch-architectuur, gekenmerkt door witgepleisterde muren, rieten daken en gevels met wulpse rondingen – koloniale exotica. Kaapstad.

Je stapt in een rode dubbeldekkerbus die je naar Cape Point voert, waar de Atlantische Oceaan de Indische ontmoet. Maar dan wordt het sprookje kort verstoord. Net buiten het centrum, ter hoogte van Devil’s Peak, ontwaar je aan je linkerhand een kale, open vlakte, hier en daar gemarkeerd door lukraak neergezette krotten. De onderbreking duurt maar even, als een storing op je computerscherm. Meteen daarna rijd je weer langs wijken die tevreden baden in het groen en een universiteit die hautain op de stad neerkijkt.

Je kunt dit korte moment vergelijken met het ‘overgeslagen’ stukje canvas in het schilderij Mr and Mrs Andrews (1750) van de Britse kunstenaar Thomas Gainsborough. Maar waar het mysterie van de lege plek in Gainsboroughs meesterlijke portret van Engelse aristocraten nooit is opgelost (tijdgebrek? afgunst? wraak?) weten we wel waar Kaapstad dit gat in haar topografie aan te danken heeft: racisme. Dit zijn de resten van District Six, waar tussen 1966 en 1982 naar schatting zestigduizend mensen werden weggevoerd omdat de apartheidsautoriteiten de multiculturele, multireligieuze, multiraciale wijk als een bedreiging voor de rassenscheiding beschouwden. De toenmalige premier P.W. Botha noemde het een ‘schandvlek’ die verwijderd moest worden.

Aldus geschiedde. De mensen werden verplaatst naar zielloze locaties aan de rand van de stad, in de Kaapse Vlakte. Daar wonen ze nog steeds, ver uit het oog van de toeristen in de rode dubbeldekkers. Mensen die elkaars buren waren in District Six werden nu naar verschillende wijken gedirigeerd, met opbeurende namen als Lavender Hill en Hanover Park. Maar verwacht geen geurige struiken of speelweiden. Hier, in de lage huisjes en vervallen woonkazernes, is het armoe troef en maken bendes de dienst uit. Dagelijks klinken er schoten, en met akelige regelmaat worden er lichamen langs de weg gevonden. Sporadisch wordt het leger ingezet om de rust te herstellen. De misleidende namen zijn met de mensen mee gemigreerd uit District Six, waar je inderdaad een Lavender Hill had en een Old Hanover Street die gold als het bruisende hart van de wijk. Het ging allemaal genadeloos tegen de vlakte. Alleen de gebedsruimten mochten blijven staan.

Zuid-Afrika kent talloze plekken waar dergelijke forced removals hebben plaatsgevonden. Rassenscheiding was de grondslag van de apartheid, en in totaal werden naar schatting drieënhalf miljoen mensen slachtoffer van de zuiveringsacties. De meeste van die buurten bestaan nog, zij het dat de huizen nu vaak worden bewoond door jonge witte gezinnen die relatief goedkope woonruimte zochten. District Six was anders. De wijk ligt tegen het centrum van Kaapstad, niet ver van Kasteel de Goede Hoop, het parlementsgebouw en de statige Compagnie Tuinen. Er was zelfs uitzicht op zee. In District Six woonden arbeiders, handwerkslieden, kooplui, maar ook schrijvers, muzikanten, bohemiens, gays (homoseksualiteit was onder apartheid een misdaad) en gangsters. De meesten van hen waren bruin, al verbleven er tevens witten en zwarten en Indiërs.

Voor de wereldberoemde jazzpianist Abdullah Ibrahim was dit eind jaren vijftig de kosmopolitische hub waar hij zonder vrees gelijkgestemden kon ontmoeten. In een interview met The Guardian beschreef hij het als ‘een fantastische stad binnen een stad’. Het was in zijn woorden een plek ‘waar mensen zich onbeschroomd konden vertonen. Het trok muzikanten, schrijvers en politieke activisten aan. Wij speelden, en iedereen kwam luisteren.’ De apartheidsbestuurders beschouwden het om diezelfde redenen als een Kaapse versie van Sodom en Gomorra, een slum die voorgoed van de aardbodem diende te verdwijnen.

Toen alles, afgezien van de gebedsplekken, weg was, bleef het heel lang grotendeels leeg. Anti-apartheidsactivisten voorkwamen dat het witte regime er huizen voor de witte Afrikaners zou neerzetten, zoals in Johannesburg was gebeurd, waar de gemengde wijk Sophiatown werd omgetoverd in een witte buurt met de schallende naam Triomf. Als monument voor de apartheidsmisdrijven moest District Six leeg, kaal en unheimisch blijven, vonden de activisten.

In die naargeestige staat verkeert de wijk nog steeds. Net als op dat schilderij van Gainsborough lijkt het defect van permanente aard. Wellicht hebben de apartheidsideologen hun zin gekregen. Hun ideologie was er niet alleen op gericht om de wijken te zuiveren, ze wilden ook het zelfbeeld van de donkere Zuid-Afrikanen in de Kaap knakken: toon dat ze niks waard zijn, dat je ze als vee kunt verplaatsen. Neem ze huis en haard af, dump ze ver weg. En kijk dan of ze zich weer oprichten.

Vismarkt van District Six rond 1969 © Hoberman Collection / Getty Images

Tijdens de apartheid hadden de bruine Zuid-Afrikanen het label ‘kleurling’ opgeplakt gekregen. Dat was de term voor iedereen die niet wit, zwart of Indiaas was. Het kwam in het identiteitsbewijs. De afstammelingen van de oorspronkelijke inwoners van Zuid-Afrika, de Khoi en de San, waren kleurlingen; de afstammelingen van de slaafgemaakten waren kleurlingen; en zij met gemengd bloed, zoals de komiek Trevor Noah, waren kleurlingen. Sommigen, met name de moslims van de Bo Kaap, kunnen hun herkomst nog traceren, maar de meesten hebben geen flauw idee van hun wortels, behalve dat er waarschijnlijk ergens een witte master was die zich had vergrepen aan ‘de meid’, en aan wie ze hun achternaam te danken hebben. Jacobs, Adams. Of anders was het hun slavernijverleden dat voor de naam zorgde. Malgas (van Madagaskar), Februari.

Er wonen bijna vijfenhalf miljoen ‘kleurlingen’ in Zuid-Afrika, zo’n tien procent van de totale bevolking. Ongeveer de helft van hen verblijft in de provincie West-Kaap, waar kleurlingen de meerderheid van de bevolking uitmaken. De meesten spreken Afrikaans, in een rijk, onnavolgbaar dialect. Wat ze verder met elkaar gemeen hebben is dat hun identiteit werd bepaald door onderdrukking: moordpartijen, slavernij en seksueel geweld.

Maar ondanks dat eeuwenlange kleineren is het zelfbeeld minder negatief dan je zou verwachten. ‘Dat geldt zeker voor de ex-bewoners van District Six’, zegt historica Tracey Randle, die onderzoek deed naar de verhalen en persoonlijke geschiedenissen van hen die ruim veertig jaar geleden hun boeltje moesten pakken. Zij luisterde, de mensen liepen leeg. Ze vertelden over de straatgeluiden, de bezoekjes aan de snoepwinkel, de geur van de worsies die bij de slager op het metalen rooster gaar werden, het aanzicht van de bruid die prachtig aangekleed de kerk uitliep. ‘Ze missen nu vooral het gevoel dat ze iedereen kenden, en dat iedereen op een of andere manier met elkaar verbonden was. Ze missen het gevoel van veiligheid en geborgenheid’, zegt Randle.

Hoe geef je District Six weer smoel? Restitutie behelst meer dan een vloer, een dak en wat muren

Randle maakte deel uit van een multidisciplinair team dat in opdracht van de gemeente Kaapstad met een plan moest komen voor de herinrichting van de openbare ruimte van District Six, de zogenaamde Public Realm Strategy (prs). Het idee was dat de bewoners zelf moesten spreken, in plaats van dat het zoals gebruikelijk aan de technocraten werd overgelaten. ‘Wat me het meest verraste was de gemeenschapszin’, zegt Randle. ‘Het feit dat ze zo veel kostbare tijd opgaven voor het grotere goed: het verleden zijn plek geven.’

Je kunt je afvragen of al die herinneringen aan dampende jazz, geurig eten, vrolijk spelende kinderen, en buren die de deur bij elkaar platliepen niet een te mythisch beeld van District Six geven. Natuurlijk is dat zo, zegt Randle. ‘Maar doen we dat niet allemaal, ons verleden romantiseren, het in een verhaal gieten? Hier heb je te maken met een gemeenschap die een gezamenlijk gevoel van intens verlies heeft moeten verwerken.’ District Six, benadrukt ze, is meer dan een wijk, het is een symbool, en het zelfbeeld van de bruine bevolking is daar product van: getekend door warmte, empathie, humor, creativiteit, verlies, weerbaarheid, verdriet en hoop.

Een familie op de veranda van hun huis rond 1970 © Rodney Barnett / Africa Media Online / ANP

De stedelijke ontwikkeling van het zesde district van de gemeente Kaapstad begon in de tweede helft van de negentiende eeuw. Rond 1944 was dit proces goeddeels voltooid. Met zijn levendige, nauwe straten was dit de Jordaan van Kaapstad. Het tegenoffensief van de witte bestuurders begon in 1964 met de bouw van een snelweg dwars door de wijk. Twee jaar later volgde het dodelijke schot: District Six werd tot ‘wit gebied’ verklaard en alle ontwikkelingen werden stopgezet. De ontruiming begon en gelijktijdig werd het verleden uitgewist. De drukste en levendigste straat Old Hanover Street ging nu Keizersgracht heten. Er verrees een kolos van een technische school, alsmede flats voor de politie en bejaarden. In 1985 woonden er nog maar 3500 mensen in District Six – allemaal wit.

Na 1994, toen de eerste democratische verkiezingen Nelson Mandela en het anc aan de macht brachten, leek er verandering te komen in de situatie. Het anc zette een proces in gang dat ervoor moest zorgen dat mensen die hun huis of grond waren kwijtgeraakt konden terugkeren of compensatie zouden ontvangen. Maar zoals gebruikelijk bij dergelijke plannen hielden de ambities en de praktijk geen gelijke tred. Terwijl de aangrenzende buurten zich langzaam maar zeker ontwikkelden tot bruisende, diverse wijken, met een scala aan koffiebars, kunstgalerieën, microbrouwerijen en vintagewinkels, haperde en struikelde de herontwikkeling van District Six met zijn beladen verleden. Duizenden ex-bewoners hadden een claim ingediend voor restitutie. In 2003 werd er wat gebouwd en Mandela overhandigde een handvol bewoners de sleutel van hun nieuwe huis. Maar daarna lag het proces lange tijd stil. Uiteindelijk kregen een schamele 247 mensen een nieuwe woning, en 139 zijn in afwachting daarvan. Voor fase drie zijn er 108 claims toegekend, maar de woningen zijn nog niet gereed. Fase vier en vijf moeten nog tot leven worden gewekt.

De reden voor de slakkengang is complex. Het heeft te maken met de elkaar tegenwerkende krachten van gemeentelijke en nationale instituties, een trage overheid, een niet op zijn taak berekende bureaucratie, te veel verschillende departementen, politieke partijen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen, een radicale bewonersorganisatie, economische belangen, speculanten. ‘De grootste uitdaging is nu om het geschonden vertrouwen te herstellen. We moeten heel zorgvuldig te werk gaan, naar de mensen luisteren en het verleden begrijpen’, zegt locoburgemeester Eddie Andrews, die zelf opgroeide in een van de ‘kleurlingentownships’ van Kaapstad.

Om het proces weer een duw te geven en de moed erin te houden besloot de gemeente om zich voorlopig op de openbare ruimte te concentreren (de gronduitgifte en huistoewijzing zijn in handen van de nationale overheid), oftewel de straten, de parken, de trottoirs, de pleinen, de plantsoenen, de versieringen. Zeker niet onbelangrijk, want het grote probleem waar de planologen voor staan is: hoe geef je District Six weer smoel? Restitutie behelst meer dan een vloer, een dak en wat muren. Hoe help je de bewoners hun waardigheid en trots te hervinden? Dat is een haast onmogelijke opgave. Je kunt, zoals in Warschau na de oorlog met het oude centrum gebeurde, alles zo exact mogelijk nabouwen, maar daar zijn de bewoners niet in geïnteresseerd. Zij willen het knusse en gezellige van vroeger, maar zonder dat ze zo dicht op elkaar wonen. Ze willen een appartement met een garage, maar ook lekker kuieren naar het park en daar op een bankje een ijsje eten en kijken naar de spelende kinderen.

Hoe krijg je dat voor elkaar? Hoe voorkom je dat District Six de zoveelste karakterloze suburb wordt? Dat waren de vragen waar het team van de Public Realm Strategy zich over boog. Na wat aftastende gesprekken werd meteen duidelijk dat de (ex-)bewoners een allesbehalve homogene club vormen. Er waren zeker vijf verschillende groepen met zeer uiteenlopende ideeën over wat er moet gebeuren. Besloten werd dat elk van hen een vertegenwoordiger aanwees, die in de zes workshops de standpunten zou verkondigen. De meest radicale factie deed niet mee – die wilde vanaf de zijlijn toekijken, zodat ze daarna zonder gewetenswroeging zou kunnen protesteren tegen het uiteindelijke voorstel.

In juni lagen de plannen op tafel, en hield het prs-team open huis in het stadhuis van Kaapstad. Initiatiefneemster Liezel Kruger-Fountain legde uit waarom het project een logo had met een driehoek en een boom. ‘De driehoek staat voor heden, verleden en toekomst, de boom symboliseert District Six dat uit de grond werd getrokken. Het is aan ons om weer wortels te planten, die te verzorgen en de herinneringen weer tot leven te laten komen’, zei ze. Maar, gaf ze ruiterlijk toe, als witte, goed opgeleide vrouw ‘zal ik de pijn van de mensen van District Six nooit kunnen voelen’.

De meeste teamleden zijn wit. Maar gelukkig heeft prs ook een bruine stem. Teamleider Khalied Jacobs is een stedelijk ontwerper en architect die als kind regelmatig District Six bezocht, omdat zijn oom er woonde. Zijn eigen ouders moesten twee keer gedwongen verhuizen. Jacobs studeerde in het Belgische Leuven en werkte geruime tijd voor de Verenigde Naties in Somalië. ‘Mijn expertise is planning in een context van conflict’, zegt hij. Zijn grote voorbeeld is de Belgische planoloog Louis Albrechts, die een beroemd paper schreef over strategische planning, gebaseerd op ideeën over hoe collectieve inspanningen een stad of stedelijke regio opnieuw gestalte kunnen geven. De mensen van District Six worstelen met twee simpele kwesties, zegt Jacobs. ‘Wanneer krijg ik mijn huis? En wie kan ik nog vertrouwen? Dat vertrouwen herstellen is erg lastig, want er is een lange geschiedenis van wantrouwen en de gemeentelijke en nationale instanties zijn uitzonderlijk traag te werk gegaan.’

Het Kaapse Klopse carnaval was een nieuwsjaarsviering die uitgebreid werd gevierd in District Six.1960 © Ian Berry / Magnum / ANP
Hoe goed je ook bent opgeleid, er is altijd die wond, dat 'ding' dat je identiteit als bruine Zuid-Afrikaan bepaalt

Een wandeling door District Six maak je niet voor je plezier. Je passeert de technische school die een groot obstakel vormt om het stadscentrum met de wijk te verbinden. Vervolgens kom je langs tientallen krotten waar daklozen verblijven. Wekelijks groeit die bidonville. De Zuid-Afrikaanse wetgeving maakt het moeilijk om van dergelijke illegale bouwsels af te raken. ‘De eigenaar moet naar de rechtbank om ze te laten verwijderen, dat is in dit geval het nationale Departement van Publieke Werken’, had locoburgemeester Andrews verteld.

In het wijkkantoor (kaal, afgezien van wat stoelen en tafels) op 28 Pontac Street wacht Shahnaz Arnold op haar bezoeker. Arnold is een van de 247 District Six’ers die een nieuw huis in de wijk kreeg. Ze groeide hier op, in Russell Street. Ze woonde naast een man die ‘Vyf’ werd genoemd, een gangster. ‘Hij had kille blauwe ogen, een gebruinde huid en ging altijd perfect gekleed, vaak in een driedelig kostuum’, herinnert ze zich. ‘Hij had vingers verloren toen hij een kind uit een elektriciteitsmast haalde, vandaar zijn bijnaam. Zijn dochter was mijn beste vriendin. Mijn vader overleed toen ik nog klein was, en ik en mijn broertje groeiden op straat op. Vaak gingen we naar het huis van auntie Fatima, een naaister. Zij gaf ons dan lunch. ’s Avonds zaten we buiten, op stoeltjes voor ons huis. Er was een bioscoop in Russell Street. En alle families kenden elkaar. Onze buren kwamen uit Zimbabwe en Malawi, maar er was ook een auntie met een hele lichte huidskleur. En de meeste panden hadden een joodse eigenaar.’

In 1976 kwam het nieuws dat Arnolds familie moest verhuizen. ‘Als kinderen wisten we dat er iets op stapel stond toen mijn oma haar meubels te koop aanbood. Op een dag stopte er een Volkswagen voor de deur, en een witte man zei: zet hier je handtekening, want jullie moeten weg. Zodra je dat papier had getekend, kwamen ze met een truck om onze huisraad weg te halen. Daarna ging het pand meteen tegen de vlakte.’ Ze moesten naar een grauwe plek dertig kilometer verderop die Lentegeur heet, weer zo’n misleidende naam.

De dertienjarige Arnold wilde niet naar een andere school en trok daarom in bij familie van haar vader, die dichterbij woonde. In 1994 hoorde ze dat je een claim kon indienen voor restitutie. Haar moeder deed dat. ‘Zij wilde altijd terugkeren. Ze had thuis nog een doos met spullen die ze had bewaard uit de District Six-tijd.’ Ma kreeg een huis toegewezen in Pontac Street, een straat die doet denken aan Nederlandse stadsvernieuwingswijken uit de jaren tachtig. Ze droeg het eigenaarschap over aan haar dochter, zodat die in 2011 op haar vijftigste verjaardag haar nieuwe huis met uitzicht over een kinderspeelplaats voor het eerst betrad. Ze weet het nog goed. Die dag maakte ze kruidige biryani voor haar echtgenoot, haar zoon en haar moeder. Ze liep rond, verrukt over de ruimte die ze ineens had. ‘Ik zei: voor het eerst kan ik ademhalen.’ Maar ook: ‘Wij waren de derde familie die hier kwam wonen. Verder was het leeg. Dat maakte me een beetje angstig.’

Buiten scharrelt een haveloze man rond. Er liggen lege plastic flessen op straat. Maar Arnold heeft alle hoop dat het allemaal beter wordt. Ze is actief in het gemeenschapsforum, dat zich bezighoudt met de buurtwacht, een breiclub, kinderactiviteiten, waterproblemen, jeugdgroepen, muurschilderingen. ‘We willen dat dit een toeristenattractie wordt, we willen dat die rode dubbeldekker hier stopt’, zegt ze. Ze heeft haar zegje gedaan tijdens de prs-workshops. De krotten moeten weg. De rotonde met de illegale taxi’s moet worden opgeknapt. Er moeten tentoonstellingen komen en een markt.

Allerlei activiteiten moeten het gebied openleggen en veilig maken, want nu al, zegt Arnold, beginnen de drugsproblemen. En met de drugs komen de gangs en de turf wars. ‘We willen vooral Old Hanover Street weer aantrekkelijk maken, met etenskraampjes en bankjes.’ Ze wil ook een traumacentrum voor de bewoners. De ellende is immers niet van vandaag of gisteren, het begon met de slavernij in de zeventiende eeuw en het uitmoorden van de Khoi en San daarna. Hoe goed je ook bent opgeleid, hoeveel je ook verdient, er is altijd dat residu, die wond, dat ondefinieerbare ding dat je identiteit als bruine Zuid-Afrikaan al eeuwenlang bepaalt.

Een paar honderd meter verderop staan de huizen van fase drie. De bouw daarvan liep vertraging op omdat de bouwer failliet ging, of er met het geld vandoor ging, of allebei. Hoe dan ook, de huizen zijn nog niet allemaal af. Vanaf de straat ogen ze fraai, minder jaren tachtig stadsvernieuwing. Maar je kunt ze niet van dichtbij bekijken, want er loopt een wacht, en de omheining is afgezet met scheermesjesdraad en handboeien. In de omgeving zie je restanten van de veertig jaar geleden vernietigde huizen, die mogelijk als monument gaan dienen.

Loop je daarna via Russell Street naar beneden, dan kom je bij de Nelson Mandelaboulevard, de snelweg die de apartheidsplanologen onder een andere naam (Eastern Boulevard) lieten aanleggen. Een paar meter boven je raast het verkeer. Je ziet de kleine rotonde waar Arnold over sprak. In de cirkel staat een dozijn taxibusjes geparkeerd, wachtend op de namiddagspits. Na de onderdoorgang, donker en stinkend, kom je ineens weer in de bewoonde wereld. Ook dit blijkt District Six, een kleine driehoek die de bulldozers en graafmachines hebben laten staan. Het is fijn om weer volk op straat te zien en winkeltjes met rode Coca-Cola-reclames. De mensen groeten, in de veronderstelling dat ze te maken hebben met een verdwaalde toerist. Een man waarschuwt voor dieven.

Huisen in District Dix worden gesloopt in 1974 © Paul Alberts / Africa Media Online/ ANP

Waarom bleef dit stuk District Six voor de sloophamer gespaard? ‘Ons gebied werd tijdens de apartheid als “industrieel” geclassificeerd en hoefde daarom niet tegen de vlakte’, legt Nadima Safter uit. Zij woont in ‘Old District Six’ en zij vertegenwoordigde deze bewoners in de discussies en workshops die Public Realm Strategy organiseerde. Hun grieven zijn heel anders dan die van de nieuwkomers aan de andere kant van de snelweg, die Safter vanouds als ‘de elite’ classificeert. Old District Six voelt zich verwaarloosd en genegeerd, in de woorden van Safter ‘het lelijke stiefzusje’. Iedereen denkt dat ze bij de naburige wijk Woodstock horen. ‘Er wonen hier een paar duizend mensen, maar we hebben niks, geen gemeenschapszaal, geen bibliotheek, niks. Wij bestaan niet voor de buitenwereld’, zegt ze. ‘Maar in mijn straat is de spirit van District Six springlevend. Wij kennen onze buren nog. Wij organiseren nog straatfeesten, kijk maar.’ Ze laat wat foto’s op haar telefoon zien van een straat met oude, kleine huisjes en tafels vol eten. ‘Dit was een recent verjaardagsfeestje voor twee oude dames uit de buurt.’

In september presenteerde het prs-team hun plan om de buitenruimte van District Six aantrekkelijk te maken. Er worden 23 kleine projecten beschreven. Een van de uitdagingen is om de twee delen van District Six nader tot elkaar te brengen. Beide partijen voelen zich miskend. Beide partijen voelen zich slachtoffer. En beide partijen vinden dat hun grieven urgenter zijn dan die van de ander. Khalied Jacobs, met zijn ervaring in conflictgebieden, wreef zich in zijn handen. Hier ligt de kans! Je moet de mensen van het oude en nieuwe District Six bij elkaar brengen, zowel in fysieke als sociale zin. Toenadering en erkenning. Een zelfbeeld met minder slachtofferschap.

En hoe kun je dat beter doen dan die afzichtelijke rotonde op te kalefateren en de verbindingsweg tussen de twee delen aantrekkelijk te maken. Daarom ligt het eerste accent op Chapel Street, de lange straat in de vorm van een hockeystick die dwars door Old District Six loopt en onder de snelweg door langs de moskee naar Hanover Street leidt, half in het oude deel en half in het nieuwe. Simpele dingen als het verbreden van de trottoirs en bomen en bankjes neerzetten. Dat wordt de eerste voorzichtige penseelstreek op de kale plek. Daarna volgt de rest, dikkere penseelstreken. En uiteindelijk komen de kleuren, en is het canvas gevuld. ‘Ons plan is om de veranderingen in het landschap stapsgewijs aan te brengen’, zegt Jacobs, ‘zodat het geheel zich langzaam maar zeker omvormt. Daarna kun je aan de meer complexe dingen beginnen.’ Er bestaat zelfs een fraaie term voor. ‘Tactisch urbanisme noemen we dat.’