Een lelijk zelfportret

L. de Jong, Herinneringen; Deel II. Sdu Uitgevers, 236 blz., f39,90
OP DIE VROEGE februarimorgen in 1967 bedacht Loe de Jong hoe jammer het was dat alle godsdienstig geloof hem vreemd was: ‘Ik had dan God om kracht kunnen smeken om de taak waaraan ik begon, te voltooien. Niets daarvan. Ik kwam op de Herengracht aan, zei Swerissen, de portier, goedendag en liep naar mijn kamer. Daar zette ik de pen op papier.’ Het helaas dus niet gewijde moment waaraan dr. De Jong hier refereert, is de dag waarop hij begon met het schrijven van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, door De Jong zelf in zijn memoires aangeduid met de toch wel enigszins sacrale term ‘het Geschiedwerk’.

Tweeentwintig jaar na oprichting van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie werd het ook wel tijd dat deze studie er kwam. Het werk werd geraamd op zo'n vierduizend bladzijden; dat het er 13.736 zouden worden, verdeeld over 13 delen in 27 banden, dat kon toen niemand nog bevroeden.
Dat De Jong in zijn vak een meester is, zal niemand willen bestrijden, maar het vermogen zich te beperken, behoort niet tot zijn kwaliteiten. Vandaar dat het geen verbazing zal wekken dat bovenstaand citaat zich op de laatste bladzijde van het tweede deel van De Jongs herinneringen bevindt. De lezer heeft dan al 460 bladzijden vol mededelingen omtrent leven en werken van dr. L. de Jong achter de kiezen, en dat is dan nog slechts het ‘voorspel’. Want laten we eerlijk zijn, als De Jong slechts Groene-redacteur, spreker van Radio Oranje, Riod-directeur, tv-maker of scenarioschrijver was geweest, of dat alles tezamen, dan was naar zijn (auto)biografie niet met zoveel belangstelling uitgezien. Als schrijver van Het Koninkrijk is hij echter de man die als geen ander heeft bepaald hoe in dit land over de Duitse bezetting wordt gedacht, en door zijn optreden als de autoriteit op dit gebied heeft hij in de naoorlogse geschiedenis van Nederland een belangrijke rol gespeeld.
NA TWEE delen Herinneringen moet het echte werk dus nog beginnen. De al dan niet zorgvuldig door hemzelf geregisseerde controverses rond ieder nieuw deel van 'het werk’; de heftige debatten rond de mogelijke vrijlating van de Drie van Breda; de affaire-Aantjes - dat alles houden we nog tegoed. Het eerste deel van De Jongs memoires stopte op het moment dat hij in 1945 benoemd werd als chef van het Riod. In Herinneringen II geeft de auteur een uitputtende opsomming van de werkzaamheden van het instituut tot 1967. De lezer krijgt precies te horen wie op welk moment aan welke studie, bronnenpublikatie of onderzoeksrapport werkte, en of de persoon in kwestie er iets van terecht bracht. De problemen in het directorium komen uitgebreid aan bod, evenals de dikwijls precaire situatie van het Riod als deze of gene minister de boel weer eens wilde opdoeken.
Uiteraard wordt er veel aandacht besteed aan de werkzaamheden van dr. L. de Jong zelf. We lezen over de gesprekken met Rauter, over historische conferenties, over het werk aan zijn dissertatie De Duitse vijfde colonne in de Tweede Wereldoorlog, over het schrijven van het scenario voor de film De overval en over de legendarische tv-serie De bezetting.
Achtendertig bladzijden zijn ingeruimd voor de gesprekken met Wilhelmina. Hier heeft De Jong de uitgebreide verslagen die hij indertijd maakte - compleet met beschrijvingen van de kamers waarin de gesprekken plaatsvonden en de robe van de bejaarde prinses - afgedrukt en van spaarzaam commentaar voorzien. Verderop in het boek neigt de auteur steeds meer tot het samenstellen van een bronnenpublikatie, aangezien hij nogal eens omstandig uit zijn eigen rapporten citeert.
Ronduit ergerlijk is dat bij de behandeling van het onderzoek dat hij in 1965 instelde naar het oorlogsverleden van prins Claus. Eerst geeft De Jong zijn herinneringen aan de reis naar Italie, om ons vervolgens te trakteren op het perscommunique dat hij bij terugkomst op Schiphol voorlas en waarin nagenoeg hetzelfde nog eens vermeld wordt.
'Net als in Herinneringen I doet De Jong openhartig en zonder schroom verslag van zowel zijn persoonlijk leven als zijn geschiedkundige loopbaan’, vermeldt de flaptekst van Deel II. Dat De Jong geen schroom kende, is heel wel mogelijk. Anders ligt dat bij de lezer. Menig recensent van het eerste deel vroeg zich dan ook af wat wij aan moeten met het feit dat De Jong slechts over een teelbal beschikt, samen met zijn tweelingbroer masturbeerde en tijdens een nachtelijke boottocht een beetje gerommeld heeft met de latere vrouw van Presser. Dat dergelijke passages zich niet zonder gene laten lezen, komt voort uit het feit dat De Jong alles zo liefdeloos, zo zonder warmte opschrijft.
In Deel II krijgen we gelukkig veel minder van dit soort bekentenissen te verwerken, op een geval van overspel na. Wel worden we uitvoerig ingelicht over de langdurige psychoanalyse waaraan De Jong zich begin jaren vijftig heeft onderworpen. Overigens hebben we dat allemaal al eens kunnen lezen in een aantal Vrij-Nederlandinterviews van Ischa Meijer, die in tegenstelling tot wat De Jong er zelf over schrijft, wel ontroerend waren. Hoewel De Jong ook in dit deel mededelingen doet over zijn emoties, zoals bij het bezoek dat hij samen met Presser bracht aan Auschwitz-Birkenau en over de schuldgevoelens ten opzichte van zijn vermoorde familie, komt hij naar voren als een uiterst kille, gevoelsarme man.
Dat blijkt bijzonder sterk uit wat hij schrijft, of beter gezegd uit wat hij niet schrijft, over zijn vrouw Liesbeth. De lezer vermoedt dat we hier te maken hebben met een zeer intelligente, sterke, evenwichtige en sympathieke vrouw, zonder wie De Jong zich nooit zo op zijn werk had kunnen storten. Echte bewijzen voor dit vermoeden levert de auteur echter niet, aangezien elk blijk van waardering ontbreekt. De lezer krijgt alleen te horen dat hij in analyse moest omdat zijn vrouw 'ontevreden’ over hem was.
WANNEER DE Jong over anderen schrijft, is dat vaak in kritische zin. Als hij wel positief over iemand bericht, weet hij er vaak met enkele opmerkingen voor te zorgen dat de negatieve eigenschappen van de betrokkene het meest beklijven. Het boek begint met een opsomming van de grote verdiensten van de historicus N. W. Posthumus, niet alleen de oprichter van het Riod maar tevens van een aantal andere instituten, waaronder het wereldvermaarde Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. De Jong vindt het blijkbaar nodig om te melden dat Posthumus ook een geldwolf en een womanizer was. In mededelingen over mannen die hij beschouwde als vrienden, zoals Presser en Ben Sijes, wordt absoluut niet duidelijk waaruit die vriendschap bestond.
Als het De Jongs bedoeling is geweest om een zo onaantrekkelijk, lelijk mogelijk portret van zichzelf te schilderen, dan is hij daar aardig in geslaagd. Soms komt dit wel eerlijk over, bijvoorbeeld als hij schrijft dat hij 'de neiging had te zeer via de media op de grote massa te spelen’ - Aantjes zal het hierin met hem eens zijn. Ook geeft hij aan waarom het aanvankelijk niet tot een proefschrift kwam: hij zou zich dan jarenlang op een bepaald onderwerp moeten concentreren. 'Dat bracht ik niet op. Ik moest te lang wachten op het door mij begeerde applaus.’
Toch heeft hij zichzelf nog wel enigszins gespaard. In dit deel komt hij namelijk nog even terug op zijn weinig standvastige houding in Londen, toen hij zich onder druk van Gerbrandy terugtrok uit het Comite van Actie tegen het Neo-Fascisme. In 1951 kwam hij Jacques Gans tegen. 'Ik zei hem dat ik mij diep schaamde over mijn houding zeven jaar eerder en dat het mij niet opnieuw gebeuren zou. Hij antwoordde dat het hem plezier deed dat te horen.’ In de memoires van Gans (Een onaangepast mens) staat het net even anders: De Jong kwam berouwvol naar hem toe en zei ’ “Ik was toen in Londen wel een beetje een zak.” “Jawel!” zei ik. “Maar dat ben je toch nog.” ’ Misschien moeten we Jacques Gans voor een keer gelijk geven.