Een les in beschaving

Jean-Paul Dubois schrijft fraaie, soepele zinnen en perfect gestructureerde verhaal­lijnen © Jean-Philippe Baltel / SIPA / ANP

Boeken over gevangenen en gevangenissen zijn er in maten en soorten, geschreven ‘in de hel van Guantánamo’ of die van Bogotá, Nepal of Rio, door politieke gevangenen, drugscriminelen, moordenaars of onschuldige toeristen, respectievelijk hun ghostwriters. En niet zelden ook door schrijvers – ik denk aan Walter Kempowski, Rachel Kushner, Asli Erdogan, John Cheever, Wolfgang Beltracchi (de kunstvervalser) en uiteraard ook aan A.F.Th. van der Heijden, die met zijn duizend pagina’s dikke Schervengericht bewees dat je niet per se zelf bajeservaring hoeft te hebben om er een spannend boek over te kunnen schrijven.

Neemt niet weg dat de indringendste boeken in dit genre wel degelijk afkomstig zijn van auteurs die het gevangenisleven van binnenuit kennen. Denk bijvoorbeeld aan de huiveringwekkende kroniek die Breyten Breytenbach schreef na zijn zevenjarige opsluiting in een Zuid-Afrikaanse gevangenis. Alleen al de precieze manier waarop hij in De ware bekentenissen van een witte terrorist (1984) de dagelijkse oefeningen beschrijft die hem fysiek en mentaal in conditie hielden, geeft het boek een authenticiteit die het ver uittilt boven het niveau van de politieke aanklacht. De opvatting dat er in het domein van de schone letteren een scherp onderscheid gemaakt zou kunnen worden tussen de schone en de minder schone genres, blijkt na een boek als dit van Breytenbach onhoudbaar. Elk overtuigend boek, fictie of non-fictie, is veroverd op de alledaagse onverschilligheid van de taal, anderzijds kan geen boek het stellen zonder kennis van het vuil en de contingenties van de wereld.

Dit alles ter inleiding van een boek van de Franse auteur Jean-Paul Dubois (1950) dat zich grotendeels in een gevangenis afspeelt, De mensen leven niet allemaal op dezelfde manier, zijn vijfde roman in het Nederlands. Ik weet niet of Dubois ooit zelf in het gevang heeft gezeten, zijn in de eerste persoon vertellende hoofdpersoon in dit boek, Paul Hansen, wekt wel die indruk. Zeker in de eerste pagina’s lijkt hij ons ervan te willen overtuigen dat hij een nauwgezet documentair verslag wil geven van die periode. Hij weet niet alleen precies wat de geografische ligging van het complex in Montreal is, maar ook, staande voor het raam, hoe het uitzicht vanuit zijn cel is, welke geluiden je ’s nachts hoort, hoe de ratten en de muizen zich in het hele gebouw hebben verspreid, hoe beklemmend de gang van zaken in de cel is, kortom, alles wat uiteindelijk alleen een insider kan weten.

Fictie van niveau, maar geen ijzingwekkend gevangenisboek

Maar ook al gauw komen er twijfels over het documentaire karakter van het boek. Hansen heeft een celgenoot die in alles zijn tegendeel is. Terwijl hij zelf het type van de beschaafde, vloeiend formulerende en empathische intellectueel is, is zijn celgenoot, Patrick Horton, beschuldigd van medeplichtigheid aan moord, een rauwdouwer met een primitief vocabulaire en dito gewoonten. Patrick is ‘anderhalve man groot’, heeft zijn levensverhaal op zijn rug laten tatoeëren ‘en zijn liefde voor de Harley-Davidson rond zijn schouders en de bovenkant van zijn borst’. Die twee extreem contrasterende types opgesloten op zes vierkante meter, dat moet welhaast een literaire constructie zijn. Ook krijg je algauw het vermoeden dat die Patrick straks, als we meer over hem te weten komen, zo’n kwaaie peer nog niet is, dat er in dat grote, imponerende lijf van hem een goedaardige, misschien zelfs lieve man schuilgaat.

Het gaat hier dus om fictie, met ruime aandacht voor het vuil van de wereld. En om fictie van niveau. Maar nergens is dit gevangenisboek zo ijzingwekkend als dat van Breytenbach. Waar zit ’m dat in? Deels heeft het ongetwijfeld te maken met het verschil in omstandigheden, in de Zuid-Afrikaanse gevangenis wordt gemarteld, niemand is er zijn leven zeker; daarvan is in Montreal geen sprake. Maar het moet vooral ook te maken hebben met de geruststellende effecten van stijl en vorm in het boek van Dubois, met de fraaie, soepele zinnen, de perfect gestructureerde verhaallijnen, met het gevoel dat de achteraf vertellende en slim vooruitwijzende auteur de personages stevig in zijn greep heeft en we ons zelfs in perioden van de grootste wanhoop niet al te bezorgd hoeven te maken.

Zijn personages zijn complexe figuren, zeker geen heiligen, daar kan het niet aan liggen. De vader van Hansen is een Deense dominee die niet meer in God gelooft, zijn moeder een schoonheid van jewelste die in Toulouse een avant-gardebioscoop runt maar ook porno draait. Zijn Canadese vrouw, piloot van een posttoestel, navigeert haar vliegtuigje intuïtief maar feilloos door het dichtste wolkendek, totdat ze dodelijk verongelukt.

Zelf heeft Hansen, die in Montreal als polytechnisch manusje van alles in een appartementencomplex een ronduit sympathieke indruk maakt, een gewelddaad gepleegd, nog net geen moord, maar als de redenen daarvan duidelijk worden geef je hem als lezer groot gelijk. Al het misfortuin ten spijt is Hansen een toonbeeld van altruïsme, moed en beschaving. Ja, dit hele boek, dit voorbeeldige literaire werkstuk, laat zich lezen als een les in beschaafd gedrag. Dat geeft de burger moed – maar het is tegelijk, denk ik, de bron van mijn aarzeling.