Longinus

Een les in vervoering

Longinus’ verhandeling over het sublieme is opnieuw vertaald. Volgens de Griekse filosoof kun je leren het sublieme te herkennen, maar niet om het te ervaren.
Longinus, Het sublieme, vertaald door Michiel op de Coul. Uitg. Historische Uitgeverij Groningen, 131 blz., ƒ45,-


DE SCHRIJVER VAN de wonderlijk heldere tekst Het sublieme wordt aangeduid als Longinus, een naam die hoogstwaarschijnlijk niet de zijne is. Hij leeft in de eerste eeuw na het begin van onze jaartelling. Hij schrijft in het Grieks, en hij heeft veel gelezen. ‘Weet je nog, mijn beste Postumius Terentianus, dat wij samen Caecilius’ korte geschrift over het sublieme bestudeerden, en dat het ons voor het onderwerp niet toereikend leek.’


Dit is de openingszin van de tekst van Longinus. Caecilius is degene die, zoals in het vervolg blijkt, beweerd heeft dat Lysias een beter schrijver is dan Plato. Lysias maakt namelijk geen fouten, terwijl de geschriften van Plato wemelen van de fouten. Longinus geeft dit toe. Plato maakt fouten, Homerus maakt fouten, terwijl Apollonius een feilloos dichter is, ‘maar wie zou je liever willen zijn: Homerus of Apollonius?’


Plato en Homerus en Pindarus en Aeschylus en de schrijver van Genesis, om enkele door Longinus gebruikte voorbeelden te noemen, maken fouten, maar ze schrijven ook sublieme teksten, dit in tegenstelling tot Lysias en Apollonius en al die andere kundige dichters en redenaars.


Longinus voelt zich niet gedwongen aan te tonen dat Plato en Homerus sublieme teksten geschreven hebben; het is voldoende om de lezer een paar voorbeelden te geven om hem aan dat feit te herinneren. De hoofdopgave die Longinus zich stelt is om aan te geven wat het sublieme is en welke technieken kunnen bijdragen aan het tot stand brengen van het sublieme.


Longinus schrijft dat het sublieme, het verhevene, dat is wat verheft. Als wij een sublieme passage horen ‘voelen (wij) vreugde en trots, alsof we dat wat we horen zelf gemaakt hebben’. De sublieme passage verliest ook bij herhaalde kennisname niets van haar kracht en haar vermogen de toehoorder of lezer aan het denken te zetten. Een sublieme tekst is niet een tekst die enkel door schoonheid genot schenkt, het is een tekst die tot iemand over iets spreekt — zoals een man tot een man spreekt — en hem uitdaagt iets terug te zeggen en zelf het sublieme tot stand te brengen. Alleen een vrij man kan zo spreken en het is de sublieme tekst die vrij maakt. Juist omdat de grootheid van de grote schrijvers de lezer vrij maakt om te spreken kan de lezer de fouten van de grote schrijvers zien en verbeteren. Bij de kleinere schrijvers hoopt de lezer dat er geen fouten zijn, omdat hen verbeteren hem misselijk maakt en kracht doet verliezen. Homerus zet Plato aan tot het schrijven van zijn grote teksten. ‘Ik geloof dat er niet zoveel moois in de leerstellingen van Plato zou hebben gebloeid en dat hij zich niet op zoveel plaatsen aan de stof en de taal van de dichters zou hebben gewaagd, als hij niet met hart en ziel om de eerste plaats gestreden had met Homerus.’



UIT DE TEKST van Longinus kunnen de volgende stellingen begrepen of afgeleid worden:


Het sublieme kan ervaren worden.


Het sublieme kan herkend worden (en herkend kan worden welke technieken bijdragen tot het bereiken van het sublieme).


Het sublieme kan gemaakt worden.


Het ervaren van het sublieme is nauwelijks te leren, behalve door het sublieme zelf. Het is moeilijker te leren naarmate iemand zich meer aan slavernij gewend heeft. Het sublieme herkennen is goed te leren. Het sublieme maken valt niet volledig te leren, maar het sublieme ervaren en herkennen helpt het sublieme te maken.


Wie het sublieme wil maken wordt geholpen door het ervaren van het sublieme in eigen werk, niet om in zelfbewondering te verstarren, maar juist om de kracht en de vrijheid te krijgen om de eigen teksten te verbeteren. Vervolgens wordt hij geholpen door het herkennen van het sublieme om die kracht en vrijheid gericht aan te wenden. De lezer van een sublieme tekst is, dankzij de grootte van de tekst, bereid fouten te zien en, waar hij ze herkent, te verbeteren. Dit geldt minstens zo sterk voor de schrijver. Als iemand niet geleerd heeft te herkennen — en dit hoeft niet systematisch gebeurd te zijn of aan de hand van een uitzonderlijk leraar zoals Longinus — wordt hij wel zeer afhankelijk van zeldzame ingevingen. Op basis van zeldzame ingevingen schrijft iemand niet als Plato of Homerus.


Het sublieme maakt echter niet slechts vrij, het is ook meeslepend, brengt in vervoering, laat degene die er kennis van neemt buiten zichzelf treden. ‘Of we ons laten overtuigen hangt doorgaans van onszelf af, maar de kwaliteiten van het sublieme heersen soeverein en overweldigen elke toehoorder met een kracht die onweerstaanbaar is.’


Plato ziet een probleem als de verhevenheid van de poëzie de toehoorder op een dergelijke manier overweldigt. Plato heeft de poëzie zeer lief, maar verbant de dichters, inclusief Homerus, uit zijn ideale stad, uit angst dat zij vrijheid en extase geven aan toehoorders die niet in staat zijn daarmee om te gaan. De sublieme tekst die Plato wil toelaten is de tekst die behalve dat hij vrijheid en extase verschaft de vrijgemaakte dwingt goed te denken en te leven. Dit is het soort tekst dat Plato zich ten doel stelt te schrijven.



ER IS NIETS met zekerheid bekend over het leven van de schrijver die Longinus genoemd wordt, behalve dat hij Het sublieme geschreven heeft. Het is mogelijk dat hij ook grote teksten geschreven heeft die toegeschreven worden aan andere schrijvers of die verloren zijn gegaan. Geen van beide mogelijkheden is erg waarschijnlijk. De grote passages in Het sublieme zijn de citaten. De literaire verdienste van Longinus, naast zijn enorme verdienste als literatuurwetenschapper, is dat zijn geschrift zo helder is dat de citaten haast nog meer lijken te schitteren dan in de oorspronkelijke teksten.


Aan het einde van het geschrift, althans van het bewaard gebleven deel, komt Longinus te spreken over de oorzaak van het feit dat de literatuur van zijn tijd gekenmerkt is door een gebrek aan het sublieme.


Een bevriende filosoof, schrijft Longinus, wijt dit aan het verval van de democratie. Politieke vrijheid is nodig om met vrijheid te spreken. Een slaaf kan geen redenaar zijn. Longinus aanvaardt deze verklaring niet. In plaats daarvan stelt hij dat het niet aan de politieke onvrijheid ligt, maar aan onze jacht naar weelde en genot die ons onverschillig maakt voor alles wat geen compliment of plezier oplevert. Zo zijn wij slaven van het geld en de bijval. Deze bladzijden zijn weinig overtuigend, meer een uiting van onvrede dan een zorgvuldig opgebouwd betoog.


Longinus ervaart en herkent het sublieme beter dan wie ook, maar hij voelt zich slaaf. Hij kan niet precies aanwijzen waarvan hij slaaf is, maar hij kan niet doen wat hij eigenlijk wil doen, het grote tot stand brengen. De laatste zinnen van het geschrift maken bedroefd. Hij citeert Euripides: ‘Het is beter deze dingen op hun beloop te laten’, en gaat dan zelf verder: ‘en met het volgende verder te gaan, namelijk de emoties. Eerder heb ik beloofd daarover een afzonderlijk opstel te schrijven, omdat de emoties, zoals al eerder gezegd, belangrijk zijn voor de literatuur in het algemeen en zeker voor het sublieme.’