Een letterland vol afrasteringen

Zelden tierde de literaire polemiek zo welig als in de jaren zeventig. Het land der letteren stond vol hekken en dammen, van waarachter men elkaar met zwaar vergiftigde argumenten bestookte. Maar waar de scheldkanonnades nu precies over gingen, bleef zelfs voor de betrokkenen vaak verborgen.
IEDEREEN VIEL over ze heen. Nou ja iedereen, een verdwaalde criticus, een balorige columnist hekelden het standpunt van de jonge honden van het literaire tijdschrift Zoetermeer. In het meest recente nummer schreven ze geen standpunt te willen innemen, in polemiek en confrontatie hadden ze geen trek. Ze zagen de zin er ook niet van in. Dat klonk inderdaad niet vastberaden en ook niet ferm, maar door de criticus en de columnist werd dit inderdaad mager uitgevallen programma van de Generatie Nix onmiddellijk gekwalificeerd als een ernstig symptoom van ruggegraatloosheid.

Toch begrijp ik de schrijvers van Zoetermeer wel: ze hebben duivels goed door dat programma’s retrospectief altijd lijsten van niet-ingevulde wensen blijken te zijn. Standpunten dragen vaak het odium van verstarring met zich mee en polemieken worden doorgaans het gretigst gelezen door het soort literatuurliefhebbers dat de minste moeite voor het doorlezen van een wat ongewoon uitgevallen roman of een niet direct toegankelijk gedicht al gauw te veel vindt, maar toch over de literatuur wil blijven meespreken.
Belangrijker lijkt mij dat de scheidslijnen tussen verschillende literaire richtingen zijn uitgewist. In de jaren zeventig zou het nooit mogelijk zijn geweest dat Sybren Polet in Maatstaf publiceerde, dat Willem van Toorn redacteur van Raster zou zijn geweest, of dat Carel Peeters lovende woorden zou hebben kunnen schrijven over een werk van Vogelaar. De polemiek leek toen nog een literair- strategische functie te hebben. Dat begon al onmiddellijk aan het begin van het decennium met de opstellers van het Manifest voor de jaren zeventig, waarvan de meeste namen nu vijfentwintig jaar later al weer bijna vergeten zijn (Andriesse, Kool, Plomp en Heeresma). Er werd geageerd tegen het ‘Hoornik- konsern’ (Bernlef en Schippers), maar ook - al worden ze niet met name genoemd - tegen literatuurvernieuwers als Vogelaar en Polet. 'Wij willen de lezer terugwinnen door leesbare teksten te schrijven.’
Deze strijdkreet zal de hele jaren zeventig blijven doorklinken en is blijkbaar nog steeds niet verstomd, als ik mag afgaan op de uitspraken van Lydia Rood, die onlangs verklaarde dat de boeken van Margriet de Moor en Marcel Moring veel te elitair zijn. Opmerkelijk genoeg werd het pleidooi voor de leesbaarheid in het manifest kracht bijgezet met prachtige leesbare zinnen als bijvoorbeeld deze: 'Het voorkomen van de achteruitgang van het aantal gepubliceerde oorspronkelijk Nederlandse literaire werken is dus en moet ook noodzakelijk zijn de feitelijke inzet van de strijd om een verbetering van het schrijversinkomen uit de literatuurverkoop.’
Het hele manifest was er op gericht een groep nieuwe schrijvers hun plaatsje op de literaire markt te gunnen. In die zin was het een van de eerste tekenen dat men zich bewust was geworden van de commerciele aspecten van het literatuurbedrijf, waarvan men nu de consequenties goed kan overzien. De akoisering - om het aspect van de toenemende marketisering van het boekenbedrijf zo maar te noemen - heeft vele angsten die in de jaren zeventig werden uitgesproken, bevestigd. De oplagen van de bestsellers zijn veel hoger geworden dan toen, het aantal schrijvers wier werken mondjesmaat werden verkocht, is enorm toegenomen. De opstellers van het manifest wilden een leesbare literatuur en die werd aan het begin van de jaren zeventig ook uitgeserveerd: de verhalen en romans van Jan Donkers, Heere Heeresma, Mensje van Keulen, Hans Vervoort, Arie B. Hiddema voldeden volledig aan de behoefte van het anekdotische vertellen.
DEZE TENDENS zou de hele jaren zeventig het beeld van het literaire klimaat blijven bepalen. De literatuur raakte steeds meer in de greep van de journalistiek en van de weeromstuit bleken de columns en de krantestukken opgewaardeerd te worden tot de hoogste toppen van de literatuur. De emancipatie van de column vond zijn hoogtepunt in de toekenning van de P. C. Hooftprijs aan Carmiggelt. De columnisten werden de grootste sterren in de Nederlandse literatuur. Als er al sprake was van een openbaar literair debat, dan werd dat voor het grote publiek bepaald door Gerrit Komrij en Renate Rubinstein. Zij waren steeds in polemieken verwikkeld die zich bijna week aan week als een feuilleton lieten lezen, maar vaak zo gedetailleerd waren (ik herinner me de Weinreb-affaire als zo'n voorbeeld) dat men wel heel erg ingevoerd moest zijn in het onderwerp om de zwaardvechters nog te kunnen volgen.
De leesbaarheid, dat was het trefwoord in die jaren, en men bedoelde er ook de human interest-benadering van de literatuur mee: de Haagse Post floreerde, behalve met specials over de jaren zeventig als het ik-tijdperk, ook met schrijversportretten waarin vooral over privezaken werd geschreven en minder over het werk. Hollands Diep, dat in deze periode een kortstondig bestaan leidde, borduurde op dit patroon voort: veel gossip, Maarten ’t Hart omringd door mooie vrouwen op de glossy voorpagina. Men wist hoe men de aandacht moest trekken. Zelf ergerde ik me behoorlijk aan deze tendens: het bracht me er toe een stuk te schrijven voor Raster over het subjectivistische proza, waarin ik aan de hand van citaten probeerde te laten zien dat de grenzen tussen de 'autobiografische’ romans en de literaire human interest-journalistiek ook in stilistisch opzicht behoorlijk aan het vervagen waren. Dat stuk is me niet in dank afgenomen, niet door Gerrit Komrij en evenmin door Carel Peeters, die me als een typisch voorbeeld van een F-side-aanhanger een verdere toegang tot het literaire domein ontzegde.
OOK JAC VOGELAAR HAD in zijn kritieken (die later zouden worden gebundeld in Konfrontaties) zijn kritische pijlen op de 'huiskamerliteratuur’ afgeschoten, maar zijn opmerkingen werden heel wat minder waargenomen dan de aanval die Jeroen Brouwers aan het eind van het decennium zou inzetten. Aanleiding vormde het debuut van Olof Baltus, dat hij kwalificeerde als 'sperma van wegstervende morse’. Brouwers fulmineerde in De Nieuwe Revisor vol uithalen naar de schrijvers van leesbare verhalen: de epigonen van Nescio, Theo Thijssen. Vooral de auteurs en critici rond Het Parool moesten het ontgelden. De scheldwoorden vlogen over en weer; de tijden van Van Deijssels scheldkritieken leken weergekeerd. Maar waar de polemiek nu precies over handelde, bleef onder de ketelmuziek van trommels en trompetten verborgen.
Brouwers hield een pleidooi voor properheid en schoonheid, maar ook nu, decennia later, zijn de deskundigen er niet over uit wat daar nu precies onder moet worden verstaan. In dezelfde periode zou Jeroen Brouwers zijn haat naar de andere kant richten. Ik kreeg de eer toebedeeld als een kwijlend personage in de roman Het verzonkene te mogen figureren omdat ik me, in het al eerder genoemde stuk over het subjectivisme, schuldig had gemaakt aan een stalinistisch soort objectivisme. Ik kreeg de meppen op mijn kop die ook waren bestemd voor Vogelaar, Polet, Van Marissing en Robberechts, die zich hadden verzameld in Raster.
Dit tijdschrift werd in de jaren zeventig grondig gehaat door een overgrote meerderheid van de republiek der letteren: ijzeren marxistisch afrasteringsproza zou daarin worden geschreven. Wie in de gelegenheid is het blad uit die tijd nog eens terug te lezen, zal merken dat dergelijke kwalificaties ook toen al tot de polemische hyberbolen behoorden. Ik herinner me overigens zelf dat ik in die jaren naast de Nederlandse literatuur ook de boeken van de filosofen van de Frankfurter Schule (Adorno en Benjamin) naast die van Roland Barthes en Althusser op de tafel had liggen. De kritiek die door deze schrijvers op het communisme was geleverd, overtrof in hoge mate de polemische schimpscheuten van polemisten als Komrij en Brouwers op de schrijvers van Raster. Tot op de dag van vandaag blijven Walter Benjamin en Roland Barthes voor mij gidsen in de literatuur.
De schrijvers en critici rond Raster probeerden in het verlengde van Merlyn en Randstad, de tijdschriften uit de jaren zestig, aansluiting te vinden bij de internationale traditie die niet zoals in Nederland door het realisme en het naturalisme werden gedomineerd. Polet publiceerde de bloemlezing Ander proza, waarin werk van schrijvers als Boon en Schierbeek waren geselecteerd als voorbeelden van Nederlandse literatuur die bij die internationale traditie aansloten. De term 'ander proza’ zou bij Komrij en vele anderen met hoongelach worden bejegend.
MINDER POLEMIEK KREEG een ander tijdschrift te verduren, dat evenzeer de internationale literatuur opzocht en zich tegen het dominante realisme keerde: De Revisor. Daar werden schrijvers als Borges, en vooral Nabokov en Gombrowicz als leermeesters aangehaald. Om het tijdschrift heen verzamelden zich (meer dan bij Raster) nieuwe schrijvers die de de jaren daarna het beeld van de Nederlandse literatuur zouden gaan bepalen: Kellendonk, Van der Heijden (die in de jaren zeventig nog debuteerde als Patrizio Canaponi), Doeschka Meijsing, Oek de Jong, Nicolaas Matsier. Want bij alle polemiek die het decennium zou beheersen, zou ik toch het beeld willen corrigeren dat de Nederlandse prozaliteratuur weinig te bieden had: Gerrit Krol en Willem Brakman, Louis Ferron, Geerten Meijsing en vele anderen leverden nieuwe kloeke romans die tot op de dag van vandaag de moeite van het lezen waard zijn.
Het vuur van de polemiek sloeg alle kanten uit: ik herinner me de schok die Karel van het Reve teweegbracht toen hij de literatuurwetenschap als een raadsel van onleesbaarheid (daar is het woord weer) ontmaskerde. Niet zozeer de argumenten als wel de retoriek van zijn betoog overtuigde veel literatuurliefhebbers van de acadamisering van de literatuur(kritiek), die ook door een schrijver als ’t Hart en een criticus als Aad Nuis werd bestreden. Maarten ’t Hart had weinig op met de schrijvers rond De Revisor, die met hun gelaagde werken de ontoegankelijkheid van de literatuur vergrootten.
Dat de polemiek altijd een strategische dimensie bevat, werd ook duidelijk bij het gekrakeel rond bloemlezingen. Gerrit Kormrij had in zijn bloemlezing van de Nederlandse poezie van de negentiende en twintigste eeuw de hele beweging van vijftig stiefmoederlijk behandeld: zoveel goede poezie hadden de vijftigers ook weer niet voortgebracht. Deze dichters, had Komrij geschreven, dobberen moeizaam voort op de 'vetoogjes van hun respectabele ouderdom’. Het kwam zelfs tot een kort geding: Lucebert en de anderen hadden geen toestemming gegeven voor het afdrukken van hun gedichten. Maar veroordeeld werd Komrij niet. Gelukkig niet, zou ik zeggen, al kan ik me de woede van de Vijftigers nog steeds voorstellen. Maar de combinatie van literatuur en rechtbank heeft me nooit aangestaan.
TERUGKIJKEND (MET behulp van het handboek van de literatuurgeschiedenis: Nederlandse literatuur, een geschiedenis) houd ik niet zo'n plezierig gevoel over aan het letterenland van de jaren zeventig. De meeste polemieken hebben niet veel opgeleverd. De kritiek op de commercialisering van de literatuur, die toen al begon met termen als 'cultuurindustrie’ of 'bewustzijnsindustrie’ (Enzensberger), heeft niet mogen baten. De 'properheid’ die Jeroen Brouwers bepleitte is er godzijdank niet gekomen. Toen al bekritiseerde hij de schrijvers die zich met voetbal inlieten - veel geholpen heeft het niet. Aan een blad als Hard Gras, waaraan een door Brouwers zo vermaledijde schrijver als Henk Spaan meewerkt, zal zich, denk ik, niemand stoten.
Het raadsel van de literatuurwetenschap is ook vandaag de dag nog niet opgelost. De Vijftigers hebben van Komrij niets te lijden gehad. Zij hebben misschien wel de beste bundels geschreven na het uitkomen van zijn bloemlezing - het meest gepaste antwoord, lijkt me. Nee, tandeloos zijn de Vijftigers nog steeds niet. Ik heb de indruk dat de Nederlandse literatuur sinds het begin van de jaren negentig weer is opgebloeid en dat die vervelende verkaveling uit de jaren zeventig, met al die polemiserende afrasteringen, is verdwenen. Nog steeds tiert het anekdotische proza welig, maar daarnaast zijn er zo veel andere vormen van literatuur ontstaan dat elke liefhebber van literatuur iets van zijn gading kan vinden.
De toenemende commercialisering van de literatuur baart mij nog steeds zorgen (ik ben bang dat de poezie en de essayistiek het loodje gaan leggen), maar daar staat tegenover dat de belangstelling voor de buitenlandse literatuur groter is geworden dan ooit te voren. Daardoor heb ik in de jaren tachtig schrijvers als Kis>pa108< en Calvino kunnen ontdekken, evenals vele andere schrijvers en critici. Volgens mij zijn door de kennisname van deze buitenlandse auteurs ook de normen in de Nederlandse literatuur in de loop der tijd veranderd. De ruimte is groter geworden, er is meer vrijheid in de literatuur ontstaan. Polemieken en standpunten hebben hun vroegere functies verloren. Ik verlang er ook niet naar terug.