Een leven lang in de drank

‘EEN VASTE KROEG heb ik niet meer. In de stad loop ik hier en daar naar binnen om te kijken en te luisteren. Een van de beste cafés vind ik Oosterling op de hoek van het Frederiksplein. Qua sfeer en uiterlijk heeft dit café alles. Het plafond is door geslachten van kerels bruin gerookt. Het heeft een lange tap met hele rijen flessen en leuke tonnen. Een goed publiek ook en dat is belangrijk, die kunnen een zaak maken of breken.’

Een kopie van deze Kronkel van Simon Carmiggelt hangt aan de wand van het café, tussen troostende spreuken als: ‘Geniet van het leven, het duurt maar even’, 'Wie lacht niet die de mens beziet’ en: 'Boven 0,05 promille heb je geen wegenbelasting meer nodig’. De tekst van Carmiggelt heeft geen datering nodig, want café-slijterij Oosterling, van oudsher uitvalbasis voor Groene-redacteuren, is al sinds mensenheugenis hetzelfde.
Mari Oosterling (64): 'Eigenlijk is er in de afgelopen eeuw niets veranderd in het interieur. Ja, het gaskacheltje heeft plaats moeten maken voor centrale verwarming, maar dat merk je niet omdat die onder de vensterbak is weggemoffeld. Mijn opa nam het café een eeuw geleden over van ene Koopmans. Die had een buitenechtelijke relatie gekregen met een paardrijdster van Carré en moest toen twee gezinnen onderhouden. Dat werd een dure aangelegenheid en Koopmans was gedwongen het café van de hand te doen. Tijdens de openbare verkoping bood mijn opa net iets meer dan Vroom of Dreesmann, een van die twee. Het pand dateert uit 1680 en diende aanvankelijk als pakhuis van de VOC. Beneden werden specerijen, koffie, thee en andere koloniale waar verkocht. De huidige toog was eigenlijk een toonbank voor het aanpakken en verpakken van goederen. Daarom is hij zo laag en heb ik de barkrukken altijd moeten aanpassen aan de hoogte van de toog.’
'DE OOSTERLINGS ZITTEN al 120 jaar in de drank, net zo lang als de Groene bestaat. Naast de zaak in Amsterdam hadden we een handel in Gouda, waar ik vandaan kom. Ik heb alles gedaan, van het vullen van flessen jenever tot het capsuleren van flessen wijn en het verkopen en thuisbezorgen van drank. In 1962 ben ik in het café in Amsterdam gaan werken.
We sloten toen al om acht uur ’s avonds. Ik had voldoende inkomsten uit de slijterij en bovendien liep het bitteruur als een trein. In die tijd schonk ik tachtig tot honderd liter jenever per week, nu nog maar twintig liter. Maar daar staat tegenover dat ik destijds slechts zestig liter bier per week verkocht, en tegenwoordig gaat dat wel om twaalf tot dertien vaten van vijftig liter per week.
Het publiek was altijd zeer gemêleerd: mandenmakers, grafdelvers, loodgieters, bouwvakkers, timmermannen, maar ook journalisten en advocaten. En Simon Carmiggelt was sinds mensenheugenis vaste klant. Meestal kwam hij tegen een uur of vier en begon hij in een hoekje zijn Kronkels te schrijven. Als ik dan later die boekjes las, kwam ik bekende situaties tegen en dacht ik: verrek, dat was bij mij in de zaak. Maar veel contact had ik niet met de heer Carmiggelt, alleen als hij een sherry of een jong borreltje nodig had.
En Martin van Amerongen komt hier zeker al dertig jaar. Hij bestelt meestal hetzelfde, twee of drie jenever en een halve portie osseworst.
Verder zie ik Theo van Gogh, Rik Zaal, Max Pam en Hans Ree regelmatig. Hans van Mierlo kwam hier vaak in de jaren zestig, ik had nooit verwacht dat hij ooit nog eens minister van Buitenlandse Zaken zou worden.
En Adèle Bloemendaal kwam hier in haar gloriejaren. Eens stond ze in de zaak met een indrukwekkend decolleté. Een jongeman staarde gefascineerd naar haar boezem. Adèle haalde een borst uit haar jurk en zei tegen de jongen: “Je mag hem wel vasthouden, hoor.” Die knul droop meteen af met een enorme boei.
Vroeger kwamen hier sowieso veel acteurs. De bussen van de toneelgezelschappen vertrokken van het Frederiksplein, de provincie in. Die acteurs waren goede klanten. Ik had dan ook liever de Opera voor de deur gehad dan de Nederlandsche Bank. Die pakmensen zie ik hier nooit, het lijkt wel alsof daar een volkomen drooglegging heeft plaatsgevonden. Door de komst van de Nederlandsche Bank is de hele buurt drastisch veranderd. Eigenlijk is het Frederiksplein allang geen plein meer, eerder een park.
Er was ook veel verborgen leed in die tijd, arbeiders die stomdronken de deur uitrolden, huisvrouwtjes die hun echtgenoten uit de kroeg kwamen plukken. Werkgevers betaalden de lonen toen nog uit in het café. Dat was uiteraard goed voor de omzet, maar ik vroeg me wel eens af hoeveel loon er uiteindelijk mee naar huis ging.
Tegenwoordig wordt er veel minder gedronken ’s middags, de loop is eruit overdag. Vroeger zat hier het hoofdkantoor van de BP, de Bataafse Petroleum Maatschappij. Veel BP-werknemers kwamen al om twee uur bij ons binnen en bleven de hele middag hangen. Dat is tegenwoordig ondenkbaar. De meeste bedrijven hebben een drankverbod, bovendien hebben ze vaak een eigen kantine en zijn de pauzes veel korter geworden in vergelijking met vroeger.
In 1970 kreeg ik mot met de hoofdvertegenwoordiger van Heineken en ging ik als een van de eersten in Amsterdam over op Brand-bier. Dat was een flinke ommezwaai, een café boven de rivieren dat Limburgs bier verkocht. Ik geloof dat je het enkel van de tap kon krijgen in de Koningshut in de Spuistraat, dat stond te boek als een Limburgse kroeg. Freddie Heineken vond het een prachtig café en hij vond het beslist niet leuk dat ik overstapte naar Brand.
Sindsdien heeft hij de zaak nog verschillende keren bezocht. Dan bestelde hij een jonge Bokma, een Heineken-produkt, draaide het viltje van Brand om en zette zijn borrel op de witte achterkant. Heineken is een geweldige man, hij heeft veel in zijn mars, maar in kleine dingen kan hij echt klein zijn. Hij heeft, hoe mooi hij het ook vond, geen enkele poging ondernomen om het café voor Heineken te behouden. Hij besteedde meer aandacht aan de export dan aan de binnenlandse markt. Toen Brand aan het einde van de jaren tachtig werd overgenomen door Heineken, heb ik het betreffende krantebericht opgehangen in de zaak, met een zwarte rand eromheen, als een overlijdensbericht.’
'TOEN IK DE ZAAK overdeed aan mijn twee zoons, Marcel en Oscar, ben ik bijna mijn slijterijvergunning kwijtgeraakt. Ik wilde niet dat er twee gescheiden zaken zouden komen, dat zou te veel een inbreuk zijn op het authentieke karakter van Oosterling. Het heeft me ontzettend veel tijd en moeite gekost om de heren in Den Haag daarvan te overtuigen. Uiteindelijk bleken ze toch gevoelig te zijn voor traditie.
De sfeer van Oosterling is het resultaat van 120 jaar hard werken. Je vindt dit soort familiebedrijven bijna nergens meer in de horeca. Ik kom nog steeds iedere vrijdag in de zaak, oudere klanten vinden het leuk om mijn gezicht te zien. Ik help mijn zoons met de administratie en sjouw nog steeds met vaatjes bier, ook al heb ik daar in het verleden twee liesbreuken aan overgehouden.
Sinds kort heb ik een kleinzoon, ik hoop dat hij ooit het café zal overnemen. Dat zou dan de vijfde generatie Oosterling zijn.
Ik heb een duidelijke filosofie over wat een café moet zijn. Het gaat om het gesprek, de mensen moeten contact hebben met elkaar. Ik houd van het geroezemoes. Muziek en gokkasten zullen er daarom bij mij nooit inkomen. Vroeger had je dat soort cafés overal in Amsterdam, maar tegenwoordig vind je die sfeer alleen nog maar bij Hoppe en De Zwart, bij Hesp aan de Amstel en bij café De Engelse Reet, vlak bij het Begijnhof. Grand cafés vind ik een verschrikking, ze zijn onpersoonlijk, net stationsrestauraties. In dat soort zaken ben je een nummer, de kelner kent je meestal niet.’