Een leven onder god de boeman

Het gaat goed met uitgeverij Van Oorschot. En met uitgever Wouter vanr Oorschot. Voorgoed tevoorschijn gekropen uit de slagschaduw van zijn vader. En inmiddels begonnen aan zijn eerste boek: over zijn broer die zelfmoord pleegde.
‘VAN HET ENE op het andere moment zette Geert hier geen stap meer over de drempel. Dat was op de dag dat hij hoorde dat hij leed aan een zware kanker in z'n lever en nog maar een half jaar te leven had.’
Wouter van Oorschot (43) zet in het mooie huis aan de Herengracht, waar ook de uitgeverij is gevestigd, de tafel waaraan we gaan zitten iets meer in het midden van de kamer.

‘Na mijn huwelijk ben ik hier weer gaan wonen’, zegt hij.
'Dat weet ik niet,’ zei ik zacht en boog mijn hoofd. 'We hebben hem nooit meer teruggezien.’
Hij is sinds een jaar gescheiden.
'Het is mijn thuis, maar ook het huis waar mijn broer Guido dood werd gevonden. Guido had nog wel een afscheidsbrief achtergelaten. Het is ook het huis waar ik als jongetje Gerard Reve, Jan Hanlo, Jacques de Kadt en vele anderen in levende lijve aan mij voorbij heb zien trekken.’
Wouter lijkt niet op zijn vader, ofschoon er toch gelijkenissen zijn aan te wijzen. De oude Geert werd wel gekenschetst als een bullebak die soms schreeuwend en tierend zijn prachtfonds de boekhandel in vloekte. Wouter is daarentegen veeleer bedachtzaam, streng ook wel, afwachtend en afstandelijk, maar tevens recht door zee, en geengageerd in de sympathieke zin des woords. En hij heeft een vanzelfsprekend rechtvaardigheidsgevoel. Wanneer ik 'jij’ tegen hem zeg als ik de uitgeverij bedoel, roept hij: 'Het is niet uitgeverij Wouter van Oorschot. De uitgevers van Van Oorschot zijn Gemma Nefkens en ik. Er is een toestand van gelijkwaardigheid.’
Hij zal me hier nog herhaaldelijk - scanderend - op wijzen: 'Het is “wij”, niet “ik”!’
Op zulke momenten hoor je nog de echo van de oude Geert.
Wouter als uitgever: 'Het werken op de uitgeverij is voor mij begonnen op 17 augustus 1977. Ik weet dat zo precies omdat ik zeven dagen daarvoor in Frankrijk mijn vrouw Martine was tegengekomen, op een steenworp afstand van het huis van Reve. Die is daar via ons terechtgekomen, zoals je weet. Ik heb toen een wilde week met haar doorgebracht. Na die wilde week was ik niet toe aan een afscheid, maar ik moest terug. Ik zei daarom tegen haar: “Kom een paar weken mee naar Holland. Dan laat ik je het land zien.” Dat wilde ze niet. Dat was verstandig. Maar die laatste nacht - ik had alles al opgeruimd - zag ik een Gauloise-peuk liggen. Dat was haar merk. Toen schoten mijn ogen vol tranen. Ik heb haar die nacht opgebeld en ik wilde haar zeggen, in mijn steenkolen-Frans van toen: “Ik mis je zo.” Maar ik zei: “Je te manque”, wat precies het omgekeerde betekende. Ze zei: kom me maar halen. Dat heb ik gedaan. Het was pulpromannenweer: storm, regen… Ze stapte rond middernacht in mijn auto en dacht dus dat we naar ons huisje zouden rijden voor een laatste nacht. Na een tijdje vroeg ze: “Zijn we er nu nog niet?” Ik stopte de auto. Dat was in Montelimar, want ik was al op weg naar Nederland! We zwegen. Wat te doen? Toen zei ze: “Rij ook maar door.” Ze woont nog steeds in Holland.’
'INMIDDELS WAS ik gesjeesd op het conservatorium en gesjeesd als musicologiestudent. Ik ben tamelijk muzikaal en kan goed met jong gespuis omgaan, dus ik wilde muziekleraar worden. Maar ik kon niet studeren. In de sfeer van het sociaal werk ging het beter - ik slaagde met een scriptie die zo slecht was dat de honden er geen brood van lustten.
Het verdriet van mijn ouders over de zelfmoord van mijn broer Guido ontlaadde zich op mij in de vorm van permanente angst. Was het niet om zelfmoord, dan wel om drugs. Want ik blowde er lustig op los. Met Geert had ik vooral een wankelmoedige verhouding. Die met mijn moeder was normaler. Aan de ene kant vond Geert dat hij mij vrij moest laten en me niet in de zaak moest sleuren, maar hij vond ook dat ik iets moest doen. Daarin was hij streng. Maar het was altijd verbaal geweld. Ik was kortom een verwende, verpeste jongen. Een gemakzuchtig type. Ik verlummelde mijn tijd - daartoe ruimhartig door mijn ouders in staat gesteld. Maar ik ging toch in de uitgeverij werken. Van onder af aan. In de uitgeverij van mijn vader en mijn moeder.’
Wouter vindt het vervelend dat zijn moeder nooit in de beschouwingen wordt meegenomen wanneer de begintijd van de uitgeverij ter sprake komt. Want: 'Zonder haar had Geert het niet voor elkaar gekregen. Mijn moeder, Hilly, kon namelijk iets wat Geert niet kon: sfeer maken. Ze heeft hem altijd geholpen.’
Die onderbelichtheid van zijn moeder kwetst hem. 'Geert heeft, misschien onbewust, er alles aan gedaan om die onderbelichtheid te behouden.’ Toen tot de uitgave besloten moest worden over een boek als Bij nader inzien van Voskuil, gaf Hil tenslotte de doorslag, en niet Geert. 'Mijn moeder verdomde het om een doorsnee huisvrouw te zijn. Alles wat ik aan beschaving heb, is van haar. Geert interesseerde zich alleen voor mensen voor zover ze te maken hadden met schrijven, lezen en vertalen. Mijn moeder was niet gestudeerd. Ze was in alles een autodidact. Ze had een vlijmscherpe tong. Ze las veel, deed aan ballet. Ze had door zelfstudie Frans geleerd en was gek op Franse chansons. Ze vond het heerlijk dat er hier mensen kwamen. Het was een heus uitgeversechtpaar. En ze zei Geert de waarheid. Nee, hij heeft haar niet overwonnen. Ze hebben veel van elkaar gehouden, maar het werd uiteindelijk een vechthuwelijk. Ze weigerden uit elkaar te gaan. Hil sprak daar nooit over. Geert, in een theatrale bui, wel. Die zei: “Na dertig jaar ga je toch niet meer uit elkaar!”
Na de dood van Hil heeft Geert zich teruggetrokken. Eigenlijk is hij er nooit overheen gekomen. Je zou het, samenvattend, zo kunnen zeggen: van Geert heb ik het vak geleerd, maar alles wat niet met literatuur en boeken te maken heeft, heb ik van m'n moeder.’
En dan een uitspraak waarvan hij vindt dat hij Geert karakteriseert: 'Geert was een man die van de hoornconcerten van Mozart hield. Dan was ik bij hem en dan zei hij: “Mooi, he?” En dan zei ik: “Pa, die plaat draait op 45 toeren!” ’
HET LEVEN VAN Wouter kent verschillende wendingen. De verhuizing van Amsterdam naar Loenersloot, huwelijk, scheiding, zijn opleidingen, zijn uiteindelijke keuze voor de uitgeverij. De belangrijkste wending is misschien wel de zelfmoord van zijn broer Guido, die acht jaar ouder was dan hij. Een jongen met wie hij, vanwege het leeftijdsverschil, weinig contact had.
Wouter werd in oktober 1963 naar de kamer geroepen van het hoofd der school. Daar zag hij zijn ouders in tranen, die hem vertelden dat zijn broer was overleden.
De broer die er niet is, nooit was en van wie hij niet weet wie het is.
'Guido liep al in 1960 bij de Phonobar rond - in die tijd was er alleen nog maar pep. Hij was het huis al uit. Hij kwam in dat jaar nog even bij ons in Loenersloot wonen, maar daar zag hij het niet zitten. Hij is toen na een half jaar terug naar Amsterdam gegaan. Acht jaar leeftijdsverschil is een groot verschil - ik heb hem dus eigenlijk niet gekend. Omdat er niet gerouwd werd bij ons thuis, was hij opeens weg. Ik had wel verdriet, maar ik wist niet precies waarom. Hil en Geert hebben het drama wel volledig beleefd en zijn beiden nog in therapie gegaan. Maar daar raakten ze alleen maar met elkaar in gevecht. Ze zijn dus met de therapie gestopt, maar toen heeft er een verwijdering tussen hen plaatsgevonden. Ze konden het niet eens worden over de vraag of iemand wel het recht had om zelfmoord te plegen. Omdat ik nauwelijks iets van Guido weet, noem ik hem de “niet-broer”.’
Wouter over zijn jeugd: 'Als ik terugkijk, moet ik zeggen dat ik een gelukkige jeugd had. Mijn ouders hebben me tot veel in staat gesteld.’
DE WENDINGEN IN Wouters leven - een jongen die eigenlijk muziekleraar wilde worden omdat hij, net als zijn moeder, zo van muziek hield en graag wilde doceren, maar uiteindelijk in de voetsporen trad van zijn vader, die wel eens als 'een reus’ werd omschreven.
'Tussen mij en mijn vader was het inderdaad Bordewijk’, zegt hij, verwijzend naar Bordewijks boek Karakter. 'Pas toen Geert dood was, had ik het idee dat we uitgevers geworden waren. In 1980 ben ik nog met ruzie bij Geert weggegaan. Die ruzie duurde tot maart 1983. Hij zei destijds tegen Gemma en mij: “Jullie krijgen vijf jaar de tijd om te bewijzen dat jullie iets kunnen. Als jullie dat bewezen hebben, trek ik me stapsgewijs terug.” En toen haalde hij ook zijn eigen leermeester Querido aan, die zei: “Van Oorschot, als je een fout maakt, dan krijg je binnen op je lazer, maar buiten verdedig ik je.” Met andere woorden: je kunt het vak alleen maar leren door fouten te maken. Maar in de praktijk kwam het er op neer dat hij zich met alles bemoeide en logenstrafte wat hij had gezegd. Hij was volkomen vergroeid met de uitgeverij. Hij kon nergens van afblijven. Ik werd er stapelmesjogge van. Hij moest bijvoorbeeld altijd inpakken, ook al waren er bijna geen bestellingen. Dat is zelfs zo erg geweest dat na een inpaksessie een Groningse boekhandelaar opbelde met de vraag of we soms een asbak met inhoud misten.
Ik wilde toen helemaal geen contact meer met hem, maar Martine zei: “Hij is ook grootvader en hij heeft een kleinkind waar hij recht op heeft.” We zijn daarom toch regelmatig naar Loenersloot gegaan, dus het contact is nooit helemaal weg geweest.
Na zijn hartaanval in 1982 nam Gemma de dagelijkse leiding van de uitgeverij in handen. En uiteindelijk kwamen Geert en ik weer zo on speaking terms dat we zeer duidelijke afspraken met elkaar hebben gemaakt. Geert zei toen tegen mij: “Het is goed, maar ga eerst met Gemma praten.” Dat deed ik, en Gemma zei: “Ik wil twee dingen duidelijk stellen: ik wil niet onder jou werken, want ik heb ook mijn ambities, en het lijkt me onverstandig om de eerstkomende tien jaar boeken uit te geven waar we het niet beiden over eens zijn.” Uiteraard heb ik dat met beide handen aangegerepen, want Gemma is een moordwijf en ze heeft een grotere kennis van de Nederlandse letterkunde dan ik. Ik kan alleen maar zeggen of ik iets mooi vind of niet, maar ik kan het niet plaatsen, geen invloeden bespeuren.
Vanaf dat moment was het tussen Geert en mij nog wel spannend, maar het was te dragen. Het stramien veranderde echter niet, want toen Gemma en ik het idee kregen om voor een keer de Russische Bibliotheek als paperback uit te geven in een hoge oplage tegen een lage prijs, zei Geert: “Jullie mogen niet komen aan het monument van Timmer, Salden en mij.” We dachten: we doen het toch. Het werd een succes. Dat was het eerste bewijs dat we zelf wel iets konden. Maar dat kon Geert dan weer niet toegeven. Een paar jaar later was het, zo hoorden we tot onze verrassing, opeens zijn plan geweest. Maar ach, we hanteren nog steeds zijn vuistregels: klein en onafhankelijk blijven; alleen uitgeven wat je zelf de moeite waard vindt. En ook het mooiste kattenboek ooit geschreven, kan nooit bij Van Oorschot verschijnen. Dus: blijf bij je leest.
Geerts uitgeverij was eigenlijk een program, zei hij altijd. En eigenlijk vond hij het een onherhaalbaar program. Hij meende dat hij niet op te volgen was. Maar ik geloof dat we dat wel weerlegd hebben, want het gaat momenteel goed. En iedereen is op te volgen natuurlijk.
Ik heb, in de jaren dat ik me nu zelf met het vak bezighoud, meer dan genoeg tijd gehad om mijn mening over hem te vormen. Ik heb veel van die man gehouden, eerlijk waar. Maar in het leven moet het zo zijn: eerst is je vader God de Boeman. Dan komt de adolescentie en moet het vader-zoonconflict zijn vorm krijgen. En de kunst van ouders is dat ze dat zo hanteren dat nadien hun kinderen uit vrije wil hun vriend worden. Tussen mijn vader en mij is dat anders gegaan. Eerste periode was prima. Tweede periode: geen kans voor een conflict met mijn vader, want dat stond hij mij uit angst niet toe. En in de latere periode is de verwijdering gekomen die eerder had moeten plaatsvinden. Dus ik was wel opgelucht dat hij dood was, al heb ik toch veel verdriet gehad.’
TOEVALLIG WORDEN we tijdens het interview gestoord. De kleinzoon van oud-minister Joris in ’t Veld staat beneden met een schoenendoos.
Wouter keert een kwartier later terug. Hij vertelt dat de schoenendoos allemaal brieven bevat van voor de oorlog die Geert heeft geschreven aan Joris in ’t Veld, z'n jeugdvriend. Samen zaten ze in de Socialistische Beweging. De schoenendoos bevat curieus materiaal.
Wouter laat een briefje zien van een drukker aan In ’t Veld. De drukker bedankt In ’t Veld voor een bijdrage van honderd gulden, waarmee het drukken van een dichtbundel van Geert van Oorschot betaald kon worden. De drukker begrijpt dat Geert hiervan niets mag weten en bevestigt dat hij hierover zal zwijgen.
'Het is voor het eerst dat ik nu iets onder ogen krijg uit de vooroorlogse tijd van mijn vader’, zegt Wouter.
Voordat hij de schoenendoos met brieven wegzet, bekijkt hij nog een paar brieven - leest af en toe een regel voor, of zegt: 'Hier moet Geert dronken zijn geweest. Zo schreef hij als hij gedronken had.’
Terwijl Wouter een fles wijn ontkurkt, vertelt hij over Alberts die de P.C. Hooftprijs krijgt, maar hem ook verdient, over Frida Vogels ('Over tien jaar zal ze heel misschien een foto afstaan aan het Letterkundig Museum’) en over Reve.
'En toch’, zegt hij, 'is de literatuur niet mijn grootste harstocht. Op de eerste plaats staan mensen, dan de muziek, en dan pas de literatuur. Mensen zijn toch het boeiendste wat ik in het leven tegenkom. Ik kijk altijd met de ogen van een antropoloog. Als ik naar de discotheek ga, wat ik wel eens doe, kijk ik mijn ogen uit. Iedereen is mooi, geil en genadeloos, en wie niet mooi, geil en genadeloos is, telt niet mee. Voor de rest is het leeghoofderij. Het is eigenlijk stomvervelend. Maar als ik daar rondloop, merk ik toch de verschillende manieren op waarop de mensen ongelukkig, ontevreden of verveeld zijn. Daar zou Proust genoegen aan beleven.
Ik heb het ook altijd raadselachtig gevonden dat er hier mensen kwamen die leefden van het geschreven woord. Dat je met het schrijven en uitgeven van boeken geld kon verdienen, was voor mij eigenlijk een mysterie.
Gerard Reve. Het “ezelsproces” in 1968 herinner ik me nog goed. De commotie die dat gaf. Toen was ik zestien. Op zekere dag kwam ik thuis. Van mijn eerste zelfverdiende geld had ik laarzen gekocht. Ik had een lichte corduroybroek aan die ik in mijn laarzen had gestopt en ik droeg een teddyberenjas. Mijn haar was iets korter dan nu. Een Adonis nog, he? Ik kom hier de trap op en zie Gerard die op weggaan stond. Ik trek mijn jas uit en hij fluistert tegen mij in het voorbijgaan - en dat was het eerste wat hij ooit tegen mij zei: “Jou zou ik wel eens in je geheime opening willen bezitten met alleen die laarzen aan.” Dat was voor een zestienjarige die toen nog niet zo ver was, maar die wel altijd het idee heeft gehad dat er mensen zijn voor wie je lief kon zijn, nogal een indrukwekkende opmerking.’
'JAN EMMENS, DIE heeft mij als eerste aangezet om zelf iets te schrijven. Ik kwam een keer naar beneden om een uur of vijf ’s middags, en in de tuin zaten Hil en Geert met Emmens wijn te drinken in de zon. Geert vroeg wat ik had gedaan en ik vertelde dat ik de Top Veertig - die verzamelde ik toen - had overgeschreven, uitgetypt, ingekleurd, wat niet al. Jan Emmens zei toen: “Nou, dan moet je wel veel van popmuziek weten.” En toen dacht ik: “Dat is iemand, daar kan je mee praten.” Ik deed dat ook, en hij onderbrak me en zei: “Als je mij daar nou eens een brief over schrijft, dan beloof ik je dat ik je terugschrijf.” Dat deed ik - en hij schreef inderdaad terug. Nou, ongelooflijk! Ik was veertien! Maar dat je iets kunt bedenken en het op kan schrijven, en dat iemand dat de moeite waard kan vinden, die sensatie was onbetaalbaar.
En nu, nadat ik jaren niet wist hoe ik het zou doen, ben ik een boek begonnen over mijn broer. Ik heb gemerkt dat hij, hoewel hij al 31 jaar dood is, toch een wond heeft geslagen in mij. Die wond is bij mij abstract geworden. Een litteken van iemand die ik niet gekend heb. Dat verdraag ik niet. Ik wil Guido dus herscheppen. Dat moet ik. Als mijn boek klaar is, zal ik een broer hebben in plaats van een niet-broer, ook al is dat een broer die anders is dan hij was. Dan pas zal ik echt kunnen rouwen, en hem kunnen loslaten.
De reden dat ik nu pas over hem kan schrijven, is dat ik jarenlang niet onder ogen heb durven zien dat het herscheppen van Guido betekent dat ik ook mezelf als broer moet herscheppen, want ik ben ook een broer geweest voor hem. Terwijl ik niet beter weet dan dat ik enig kind ben. Daarachter zit veel verscholen van wie ik geworden ben. Ik weet namelijk voor een deel niet wie ikzelf ben. En dat onderzoek ik nu. Uiteindelijk wordt het dus een verhaal over twee broers die elkaar niet gekend hebben.’
Waarna Wouter opstaat en al een behoorlijk dik manuscript pakt en begint voor te lezen. Ontroerend proza - meer dan ontroerend proza zelfs.