Een leven zonder gigaflop

Mismoedig blader ik door het vakblad en blijf steken bij de advertentie waarin een poging wordt gedaan mij een nieuwe computer aan te smeren.

Het is de Power Mac G4, een desktop die in staat is minimaal één miljard floating point-berekeningen per seconde uit te voeren. Gigaflop! Dankzij de nieuwe G4-processor met z'n velocity engine werken de applicaties van de 450 Mhz G4-chip 2.65 keer sneller dan de 600 Mhz Pentium III-processor.
Let op, voorspelt de leverancier van al dat moois: ‘Het is onmogelijk dat u zich straks een leven zonder gigaflop kunt voorstellen.’
Het is mogelijk, al heb ik me in het eerste driekwart van m'n leven zonder gigaflop redelijk weten te redden.
Over de zegeningen der techniek heb ik dus zo m'n gemengde gevoelens, die ik graag mag ventileren, al weet ik diep in mijn hart dat het voor een deel middelbaremannengemopper is. Niettemin, mijn technische onbedrevenheid is geen pose. Het knopje van het licht weet ik nog net te vinden. Als echter onverhoeds het vlammetje van de geiser uitwaait ben ik aangewezen op zo'n meewarig kijkende vakman ad. x,- exclusief btw en vijftig gulden voorrijkosten.
(Van het maken van kranten weet ik iets meer. Is daarin de laatste decennia, technisch gezien, vooruitgang geboekt
Vast wel, al merk ik daar bitter weinig van. Mijn eerste weekblad werd nog van lood vervaardigd. Hoogstpersoonlijk controleerde je of het geschrevene niet in pastei was gevallen en na enige tijd was je moeiteloos in staat dat glanzend zwart in spiegelschrift te lezen. Je mocht je artikelen tot in de vroege woensdagmorgen inleveren en terwijl je een half uur later met je collega’s in het café aan de overkant een matineuze kop koffie met een voorzichtig glaasje cognac dronk, was je krant al op weg naar de kiosken.
Moet je nou om komen! Er is dankzij de elektronica ongetwijfeld sprake van een communicatieve revolutie. De apparatuur oogt mooi, zindelijk en hoogst eigentijds - en het resultaat is dat de krant zeker driekwart productiedag heeft moeten inleveren.
Ik merk dus niet zo veel van de vooruitgang, behalve dat ik zelf inmiddels natuurlijk ook computergestuurd ben. Die ouwe, rammelende Remington, vriend in mijn donkerste nachten, is naar het museum getransporteerd en slechts de zonderlingen onder ons schrijven hun beschouwingen, reportages of grensverleggende romans nog vulpensgewijze in de kroeg.
Het was een boze droom, onze eerste redactionele les computerkunde, gegeven door zo'n typische whizzkid die zijn leerlingen in één uur wijzer dacht te maken. Waren er nog opmerkingen? vroeg hij na afloop. 'Ja’, mompelde ik, 'ik begrijp er goddome nog steeds geen fuck van.’ Een vrouwelijke collega was inmiddels in tranen uitgebarsten.
Gelukkig was er die ene collega voorhanden die enigszins in staat bleek ons de materie in gewone mensentaal uit te leggen.
Behoor ik dus tot de lost generation, die niet in staat is voluit in de verworvenheden der vooruitgang te delen?
Best mogelijk, al is het ook mogelijk dat de verworvenheden van de vooruitgang wat worden overschat.
De basis van journalistiek werk is de documentatie. Is het niet prachtig dat ik tegenwoordig via de computer toegang heb tot menig prachtarchief? Ik weet precies hoe het moet, echt waar, maar de bijbehorende telefoonnummers die deze wondere werelden ontsluiten zijn altijd in gesprek. Dus sjok ik maar weer naar de oude, vertrouwde Openbare Leeszaal, om daar de kranteknipsels te consulteren. Enige tijd (tot het om juridische redenen niet meer mocht) waren deze kranteknipsels opgeslagen op cd-rom. De laserstraal die het geschrevene registreerde had echter een pesthekel aan zijn werk, met het gevolg dat geen naam, feit, jaartal of citaat meer te vertrouwen was. 'Armand is beroemd’, constateerde de cd-rom, 'maar zijn boek ligt in de ramp. De vierde druk uit 1756 van een boek uit 1988 redde het niet meer. Als ik Armand lees denk is steeds: jeetje. Want Armand scrfjft beslist hoogst beshikkelijk goed.’
Peinzend staar ik naar het computerscherm. Daar stonden twintig functies op, waarvan ik er vijftien heb laten slopen, omdat ik aan elektronisch klaverjassen geen behoefte heb. Ik bedien mij exclusief van de functies opslaan, afdrukken, cursiveren en doorsturen. De vijfde functie heet extra waarmee ik onder meer mijn woorden kan tellen. Proef op de som: ik heb er nu precies 656 zodat er nog 344 tot mijn beschikking staan. Handig! Een tweede extra behelst de spellingscontrole. Die produceert louter dronkemanstaal. Neem de spellingscontrole van dit stukje. Als die wijsneus van een spellingscontroleur zijn zin had gekregen was Remington in remmingen, jeetje in Jette en fuck in fuik veranderd.
Apropos, heeft mijn vertrouwde, rammelende Remington ooit een artikel weggemaakt? Nee, daar was die goede, oude Remington veel te goed voor opgevoed. Mijn monstre sacré anno 1999 lijkt er daarentegen behagen in te scheppen zoveel mogelijk teksten in lucht te doen opgaan, bij voorkeur als ik (zoals nu) bezig ben met het formuleren van de slotalinea. De spanning stijgt met de minuut. Ik durf mijn toetsenbord nauwelijks aan te raken.
(Is er wellicht een eerstehulpdienst voor technomobielen? Was ik maar in de cocaïnesmokkel gegaan, een branche die weinig technische kennis vergt! Met weemoed denk ik aan die langvervlogen dagen dat ik nog behaaglijk snuivend boven de loodbak stond. Mijn enige troost is dat althans dít stukje door een godswonder nog niet van mijn scherm is verdwenen.