Ontwerper Irma Boom

Een levend archief

‘Ik ben niet die vrije kunstenaar, maar ik werk autonoom in opdracht’, zegt ontwerper Irma Boom. Door anderen wordt zij tot de ‘buitencategorie’ gerekend. Daarom is haar werk opgenomen in de collectie van het Allard Pierson.

Sheila Hicks: Weaving as Metaphor. Yale University Press, 2006

‘Ik ben toch nog niet dood’ was Irma Booms eerste reactie toen conservator grafische vormgeving Mathieu Lommen in 2003 voorstelde haar archief op te nemen in de bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Toch stemde ze toe. Hoewel de hoofdstedelijke universiteit internationaal niet de enige instelling is die het werk van ’s lands beroemdste boekontwerper verzamelt, gaat het wel om een ander soort archief van Booms werk dan dat van bijvoorbeeld het MoMa in New York. ‘Wij zijn een universitaire instelling’, vertelt Lommen in zijn met boeken en andere paperassen volgepakte kantoor, ‘het gaat om onderzoek en onderwijs en dus verzamelen we niet uitsluitend de eindproducten – de boeken – maar ook de correspondentie, de schetsen, modellen en facturen. We documenteren het ontstaansproces van het werk. Niet alleen zodat men over pakweg honderd jaar een goed beeld heeft van een ontwerppraktijk aan het begin van het digitale tijdperk, maar ook zodat studenten van nu recent tot stand gekomen werk kunnen onderzoeken. Het is een levend archief.’

Een archief onderhouden is kostbaar. Het gaat om de drie-eenheid van beschrijven, beheren en beschikbaar stellen. Naast financiële beperkingen heb je als conservator altijd te maken met begrensde ruimte, dus moet je selectief zijn. Lommen: ‘Een collectie moet representatief zijn. Om die reden moet je zorgen dat verschillende ontwerpers die zich op uiteenlopende terreinen begeven opgenomen worden in de collectie. Als je bijvoorbeeld al een archief hebt van een ontwerper van architectuurboeken dan ga je niet meteen het archief van een soortgelijke vormgever verwerven. Bovendien zijn we nadrukkelijk een wetenschappelijke instelling; het gaat dus niet uitsluitend om de artistieke of museale kwaliteit van het werk. High- en lowbrow lopen zogezegd door elkaar. Onderdeel van het Allard Pierson is bijvoorbeeld ook het archief van een eenvoudige Amsterdamse letterschilder.’

Waarom Lommen Booms archief wilde verzamelen? ‘Je kunt niet om haar heen. Irma Boom behoort tot de buitencategorie. Ze is een dwingende aanwezigheid niet alleen in Nederland, maar ook internationaal als het gaat om boekontwerp. Bovendien reikt haar werk inmiddels veel verder dan alleen dat. Ze heeft ook vele niet-grafische projecten uitgevoerd. Neem de opdracht voor de 110 meter lange tunnel onder het Centraal Station van Amsterdam, die de binnenstad met het water verbindt. Boom ontwierp een tableau dat het voetpad, de zijkant en het plafond boven het voetpad beslaat. 70.000 handbeschilderde tegels tonen een detail van een historisch, geschilderd zeegezicht.’

Beroemd en berucht is ze in eigen land vooral door haar ontwerp van de huisstijl van het Rijksmuseum. Boom bracht in de naam een spatie aan. Het zorgde voor een klein schandaal.

‘Normaal gesproken kloppen oudere ontwerpers of hun nabestaanden bij ons aan’, vervolgt Lommen, ‘als conservator moet je dan snel beslissen of je het archief wilt opnemen of niet. Nu was het anders, ik ben zelf op haar afgestapt. Anno 2003 waren er meer instellingen geïnteresseerd in archieven dan tegenwoordig, mogelijkerwijs ook in haar archief. Om andere kapers op de kust voor te zijn heb ik Boom toen benaderd.’

an Krimpen / concept en ontwerp Irma Boom. Gemeentemuseum Den Haag, 2008

Lommen veert op als hij over haar werk spreekt. Hij is zichtbaar enthousiast als hij uit verschillende hoeken van zijn kamer haar boeken tevoorschijn haalt. ‘Je kunt blind zeggen of een boek door haar ontworpen is. Je voelt het, de tactiliteit. Dat heeft alles te maken met het feit dat het van begin af aan driedimensionale objecten zijn. Ze werkt met modellen. Het boek ontstaat fysiek en niet op een beeldscherm.’

‘Als een opdrachtgever mij alleen via e-mail benadert, begin ik niet eens aan een project’

Nooit eerder zag Lommen iemand een boek zo bekijken en vasthouden als Irma Boom. ‘De meeste mensen bladeren een beetje erdoorheen maar zij benadert het boek als een object.’

Hij kwalificeert haar als ‘een obsessieve ontwerper’. Ze wil vanaf het begin tot het eind bij elke fase van het maakproces betrokken zijn. ‘Ik weet bijvoorbeeld niet hoeveel ontwerpers tot op de werkvloer van de drukkerij en binderij alles nauwlettend in de gaten houden, maar Boom is er een van. Ze zoekt de grenzen op van wat er productietechnisch nog mogelijk is en een van haar gevleugelde uitspraken is: “Het moet gewoon beter”. Het gaat altijd door, zeven dagen per week, 24 uur per dag. Ze is veeleisend. Lommen: ‘Het lijkt me niet altijd gemakkelijk om met haar te werken. Ikzelf was echt even opgelucht aan het eind van het project met haar.’ Hij lacht. ‘Tja, ook een conservator heeft zijn lievelingen’, geeft hij bijna schuldbewust toe. ‘Niemand zal zich gepasseerd voelen als ik zeg dat haar werkwijze en ontwerpen exceptioneel zijn. Met haar werk doet ze niet alleen recht aan de onderwerpen van de boeken, maar ze draagt vaak bij aan het prestige van de opdrachtgever door in het ontwerp de inhoud krachtig en uniek voor het voetlicht te brengen.’ Een voorbeeld is het boek dat ze in 2013 in opdracht voor Chanel maakte. Een boek waar geen inkt aan te pas kwam. Beeld en tekst zijn met een preeg, in reliëf, aangebracht; een verbeelding van het onzichtbare, maar nadrukkelijk aanwezige karakter van parfum.

Lommen merkt vaak dat Boom om die reden genoemd wordt als ontwerper van ‘kunstenaarsboeken’. ‘Daar doe je haar werk geen recht mee’, vindt hij. ‘Sterker, met die hele “arty crafty”-beweging die nu weer in de mode is heeft haar praktijk niets te maken. Ze is een ontwerper van reguliere publieksboeken en omdat er zoveel run-of-the-mill werk verschijnt, valt dat van haar extra op.’

Boom wilde ooit beeldend kunstenaar worden, schilder om precies te zijn. Gesterkt door een naar eigen zeggen wat romantisch beeld van de eenzame kunstenaar ging ze naar de Academie voor Kunst en Industrie in Enschede. Daar koos ze na drie jaar voor de richting grafische vormgeving. Na haar afstuderen ging ze werken bij de Staatsdrukkerij en -uitgeverij in Den Haag. Daar vestigde ze volgens Lommen haar naam als enfant terrible van het Nederlandse boekontwerp met de door haar vormgegeven ‘onleesbare’ catalogi van de Nederlandse postzegels.

The Sky Diary / Dai Fujiwara. Miyake Issey Foundation, 2013

Het is een stralende herfstmiddag. Boom is aan het werk. Aan de keukentafel van haar bureau in Amsterdam-Zuid vertelt Boom, gekleed in sober blauw en zwart, over de tegenstrijdigheden van haar werk. ‘Ik ben niet die vrije kunstenaar, maar ik werk autonoom in opdracht. Ik eis vrijheid op en tegelijkertijd zijn de kaders van belang. Ik bedrijf toegepaste kunst, maar ik probeer binnen de marges van een boek in oplage iets uitzonderlijks, iets specifieks te maken. Die gelimiteerde kunstenaarsboeken zijn in feite in strijd met datgene wat een boek in wezen is, namelijk een drager van samengestelde informatie die bedoeld is om in grotere oplage te verspreiden.’ Eerder maakte ze de vergelijking met architectuur: ‘Ik houd me niet bezig met villa’s, maar met sociale woningbouw.’

Toch heeft ze een heel enkele keer boeken gemaakt in een kleine oplage en heel af en toe overschrijdt ze de grenzen van de machinale productie waar ze zo aan hecht. Zo werden er van haar hommage aan de Amerikaanse kunstenaar Ellsworth Kelly maar 99 exemplaren gemaakt en werden de sneden van het inmiddels meermaals herdrukte Sheila Hicks-boek handmatig bewerkt. ‘Over hoe dat precies gebeurt, doet ze graag geheimzinnig’, zegt Lommen. ‘Het boekenvak wordt in haar ogen al te veel met ambachtelijkheid geassocieerd, en daaraan heeft ze een uitgesproken hekel.’

Boom werkt van buiten naar binnen. Met een schaar en haar ‘beste vriend’ de Prittstift

‘Het maken van een boek is het vertellen van een verhaal in een vaste sequentie’, vertelt Boom. ‘Die begint tijdens het eerste gesprek met de opdrachtgever. Tijdens zo’n gesprek heb ik vaak meteen een idee. Vaak bestaat het boek dan al in mijn hoofd. Essentieel in het gehele proces is de dialoog tussen mij als vormgever en de opdrachtgever. Het gaat erom elkaar de juiste vragen te stellen en een kritische houding aan te nemen. Gezamenlijk ben je verantwoordelijk voor het eindresultaat. Als er een goede klik is kan zo’n samenwerking ervoor zorgen dat één plus één drie wordt. Als een opdrachtgever mij alleen via e-mail benadert en niet de tijd neemt een gesprek te voeren, begin ik niet eens aan een project.’ Boom noemt haar opdrachtgevers nooit klanten. Het moet een gelijkwaardige samenwerking zijn, gebaseerd op vrijheid en wederzijds vertrouwen. ‘Neem mijn samenwerking met de Deense kunstenaar Olafur Eliasson. Samen maakten we meerdere boeken. Hier is het proces weer anders: voordat ik Olafur ontmoet, maak ik een compleet model van het boek. Dit model nemen we dan samen door. Bij alle drie de boeken die ik maakte was zijn eerste opmerking: “How do you?” Dan gaan we samen door het project heen en dan voegt hij “iets” toe waardoor de boeken zijn geworden tot wat ze zijn.’

Nadat Boom zich in 1991 als zelfstandig ontwerper had gevestigd verwierf ze grotere bekendheid toen in 1996 het door haar en kunsthistoricus Johan Pijnappel samengestelde en ontworpen jubileumboek van multinational shv verscheen. Tussen haar en opdrachtgever Paul Fentener van Vlissingen was er meteen sprake van een goede klik. Tot zijn overlijden in 2006 werkte ze voortdurend met hem samen aan een of meerdere projecten. Het shv-jubileumboek was het onbetwiste hoogtepunt van die samenwerking. Het boek telt 2136 ongenummerde pagina’s, is elf centimeter dik en weegt maar liefst drieënhalve kilo. Het boek wordt gezien als een staalkaart van ontwerp- en drukkunst. Hoofdzakelijk werd het gedrukt op bankbiljettenpapier. De ene kant op bladerend wordt een gedicht van Gerrit Achterberg zichtbaar op de snede, de andere kant op een tulpenveld.

Naast een goede samenwerking met de opdrachtgever is de crux natuurlijk de realisatie van een idee. ‘Er zijn zoveel mensen met goede ideeën’, zegt Boom, ‘het gaat erom of je in staat bent om die te materialiseren’.

‘Ze is radicaal conceptueel en doet geen concessies’, zegt Lommen. Het maakproces verloopt dan ook niet altijd even makkelijk. Bij de productie van het boek over het werk van kunstenares Sheila Hicks, Weaving as Metaphor, kreeg Boom zelfs zo’n groot conflict met de uitgever dat ze ontslagen werd van haar opdracht. Toch zette Boom door en uiteindelijk is het boek met groot succes gerealiseerd en vijfmaal herdrukt.

Boom werkt van buiten naar binnen. Met een schaar en de door haarzelf als beste vriend aangeduide Prittstift. Met de hand dus en niet zoals veel andere ontwerpers via het beeldscherm. ‘Haar boekontwerpen gaan niet alleen over typografie en het ontwerpen van een omslag. Daarom kun je het ook niet digitaliseren, het zijn integrale ontwerpen. Vorm en inhoud zijn één’, zegt Lommen. Bij het maken van elk boek vertrekt Boom vanuit één nieuw idee. ‘Mooi en lelijk spelen daarbij geen rol’, vertelt ze, ‘het gaat erom dat het passend is. Voor elk boek een specifiek ontwerp, voor elk boek een andere oplossing.’ Daarom kan ze ook geen boekenreeksen maken. ‘Voor het Rijksmuseum maken we wel reeksen. De vervolgdelen worden dan ook door freelance ontwerpers verzorgd. Ik kan niet nog een keer hetzelfde maken, dan wordt het uitvoeren. Bovendien is er al zo weinig tijd, die kun je beter aan het maken van iets nieuws besteden.’

Every Thing design: The Collections of the Museum für Gestaltung Zürich. Ostfildern: Hatje Cantz, 2009

Sinds Boom in 2014 de Johannes Vermeerprijs kreeg breidt ze van het prijzengeld à 100.000 euro haar bibliotheek verder uit met boeken uit de zestiende en zeventiende eeuw en avant-garde boeken uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Ook die verzameling gaat uiteindelijk integraal naar het Allard Pierson. ‘Het zijn boeken die mij inspireren’, zegt Boom. Als onderdeel van het archief geven ze een indruk waar Boom de mosterd haalt. Ze is een ‘oude’ modernist en haar ontwerp is verder verwant aan uitgangspunten van de minimal art en stromingen zoals Nul en Fluxus. Lommen: ‘Het persoonlijke wordt teruggedrongen, er is het principiële uitgangspunt dat het werk machinaal moet worden gemaakt, de voorliefde voor het monochrome (geen omslagen met plaatjes) en het sculpturale karakter van de boeken. Belangrijk voor haar zijn kunstenaars als Barnett Newman, Agnes Martin, Jan Schoonhoven, Ellsworth Kelly en haar jeugdheld Daan van Golden.’

Inmiddels staan aan de Oude Turfmarkt honderden boeken van haar in zuurvrije omslagen of doosjes en elders in een magazijn zo’n veertig strekkende meter archief. Zoals het er nu naar uitziet komt daar nog wel het een en ander bij. ‘Ik hoop dat ik kan blijven werken tot ik met mijn hoofd voorover val op een boek, boing.’

Het archief betekent voor Boom meer dan alleen het overdragen. ‘Gek genoeg bewaar ik nu veel minder dan ik vroeger deed. Het geeft een bepaalde structuur om je werk op deze manier beetje bij beetje over te dragen aan een instelling. Het dwingt je om je er bewuster toe te verhouden.’ Eens in het jaar komen de boeken bij het Allard Pierson binnen, het overige archiefmateriaal selecteren Boom en Lommen van tijd tot tijd gezamenlijk. ‘De in elkaar geplakte miniatuurmodellen vist ze er altijd vlug uit’, zegt Lommen lachend. Boom verklaart: ‘Die heb ik nog nodig voor mijn werk. Zodra iets in het archief belandt ben ik het kwijt, is het publiek bezit en moet ik het net als ieder ander aanvragen in de bibliotheek om er weer toegang tot te hebben. Aangezien ik een levende praktijk heb moet ik die modellen voorhanden hebben om ze te kunnen raadplegen of aan assistenten te tonen.’

‘Het idee dat wat ik gedaan, gemaakt en verzameld heb bij het Allard Pierson terechtkomt vind ik heel fijn’, zegt ze. ‘Uiteindelijk maak je een boek niet voor het moment, maar voor de toekomst. Door informatie vast te leggen kunnen anderen daar weer op reflecteren. Het gaat over het doorgeven en verspreiden van kennis.’ Lommen schrijft hoe de digitale revolutie Boom als boekontwerper goed van pas is gekomen en komt: ‘Het gedrukte boek moet zijn fysieke vorm meer en meer kunnen rechtvaardigen. Haar gewaagde ontwerpen hebben ertoe bijgedragen dat in het digitale tijdperk, bij grafisch ontwerpers en bij een breder publiek, het gedrukte boek weer actueel, onvervangbaar en zelfs opwindend is.’ ‘Het gedrukte boek blijft’, zegt Boom, ‘het is sinds de vijftiende eeuw zo’n stabiel medium gebleken.’ Toch schuilt ook daar een contradictie in: door de standaardisatie heeft het boek als medium kunnen overleven, terwijl Boom door haar ontwerpen juist laat zien dat innovatie van belang is en de benadering van een boek als totaalconcept essentieel – wil het zich in de toekomst blijven onderscheiden van het internet en andere informatiedragers.