Een levend citaat

‘Hou het spannend’, teemde de ui. ‘Hecht aan stuntende grasmaaimachines evenveel belang als aan luidruchtige zwaluwen. Ik heb al zo veel vakantieherinneringen aangehoord waar ik niets mee kon.’

Ik begon: ‘De hond werd Cristian genoemd, het soort dat in Amerika Spike heet. Herhaaldelijk tegen een koude strijkbout aangelopen. Voor de rest krom aan alle kanten. Ook waar het bij andere honden recht is. Zijn baas, die ze jefe noemden, kreeg andere wijn bij de lunch dan wij. Betere wijn. Ermita d'Espiells. Heette die wijn. Waar wij meestal zaten, je had er een boom met van die, ik kan het niet anders dan grote donkere peulen noemen, die naar beneden vielen en dan ’s morgens op het gras lagen, had je daar goed uitzicht op. Op die peulen. Naamloze peulen.’ 'Wederkerige zin, tant pis’, hoorde ik de ui mompelen. 'Tot iemand die Ezechiël heette vertelde dat het een carobaboom was. Die zijn daar heel gewoon. Het was een wittige hond, steil- en kortharig. Maar verder alles krom gelaten. Billen, staart en ook oren. Met het juiste boek onder ogen had hij geweten dat hij een levend citaat op kromme poten was. Als geen ander leek op een hond zoals die voorkomt bij Wilhelm Busch. Ja, en boven het zwembad doken de zwaluwen in de richting van de grasmaaimachine.’
'Ga zo door’, smispelde uimans.
Praat- en luisterziek, dat waren we. Allebei, zoveel was wel duidelijk.
'Er bleken drie poezen, maar je kunt rustig poesjes zeggen, achter de Cola-automaat te wonen, maar dat merkten we pas op de laatste avond. Omdat je er daarvoor steeds maar één tegelijk zag. Die kwam te voorschijn en dan gooide je, van waar je zat, een stukje brood. Hij pakte het en at het op. Keek niet naar je. Als je een poes nooit recht in de ogen hebt gekeken zie je ook het verschil met een soortgenoot niet. Maar alleen als ze beide, of meer, zwart zijn en dat waren deze. Het waren arme zwarte poezen, heel arme poezen. Tot de laatste kruimel aten ze het op. Helemaal zwart waren ze.’
'Enig zicht op een happy end’, vroeg de ui bezorgd.