Klassieke muziek: Theo Loevendie

Een levend wezen

Première 2014, nu dankzij Sieuwert Versters delicatessenlabel Attacca op één cd: Theo Loevendie’s laatste opera The Rise of Spinoza. Daar valt van alles over te zeggen, in de eerste plaats dat het libretto van de componist een verschrikking is.

Loevendie (1930), sinds zijn jeugd bewonderaar, verdichtte de meest dramatische gebeurtenis in Spinoza’s leven: zijn uitstoting, op 23-jarige leeftijd, uit de Amsterdamse joodse gemeenschap wegens ketterij. Je hoort hem met rabbijn Morteira over zijn ideeën in conflict raken en vaag amoureus verkeren met de dochter van zijn leermeester Van den Enden. Nadat Morteira het oordeel – de cherem – heeft uitgesproken, zwaait de veroordeelde in de vierde en laatste scène per trekschuit naar Rijnsburg af.

Misschien had het een drama kunnen worden. Het werd amateurtoneel dat Spinoza tot ideale schoonzoon degradeert. Loevendie kneedt de dwarse denker tot de positieve held die we in het muziektheater lang niet zagen. Hij schreef de rol bovendien voor een counter, een van de ergste plagen in moderne opera. Zijn argument voor het stemtype is plausibel: de protagonist is een vergeestelijkte figuur, geest is man noch vrouw, een macho-tenor was clownesk geweest. Maar nu klinkt hij als een angsthazige koorknaap, een parodie op zijn grootheid. Hoor hem in de eerste scène op de Amsterdamse markt zijn intellectuele vrijheden verdedigen in brakke conversatie met rabbijn Morteira.

Rabbijn: ‘Baruch Spinoza! He was the best student I ever had. But he is a danger to the people, even outside our community. (…) I don’t expect him to have changed his mind. Let us wait and see if he did.’
Spinoza, piepmuis: ‘You want to have a word with me?’
Rabbijn valt uit. Spinoza in het defensief: ‘You cannot be against my search for the truth. You always advised me to study every opinion.’
Rabbijn: ‘You endanger our community.’
Filosoof, hoger en hoger joelend: ‘With all the respect I have for youhouuuuu, I can’t give the freedom to write what I think.’
Rabbijn: ‘This is a shame for our people, the cherem is unavoidable.’

Alles weggegeven, in de eerste scène. Maar Loevendie schreef wél een opera. Zo dood als de tekst, zo levendig is de partituur – zo eigenwillig dat de vraag rijst of een beter libretto betere muziek had opgeleverd. Opera lijkt voor de musicus Loevendie weinig meer dan een dankbaar voorwendsel om alles uit de kast te halen met een voor een tachtiger onwaarschijnlijke vitaliteit. Er staan verdomd veel mooie noten in, dat moet dan maar voldoende zijn.

De marktscène, dramaturgisch star, gaat muzikaal bevrijdend alle kanten op; donker, plechtig, monumentaal en amusant, intiem en massaal. Loevendie creëerde een dramaturgisch arbitraire maar voortreffelijke gastrol voor blokfluitist Erik Bosgraaf als Spinoza’s bijna-tijdgenoot Jacob van Eyck, die met gebruikmaking van materiaal uit zijn Der Fluyten Lust-hof als verdwaalde speelman door het klankschap trekt. De archaïserende toets draagt bij aan de diversiteit van de riant geïnstrumenteerde partituur. De koren loeien en scanderen, het koper schettert, de strijkers poken wagneriaans recitativisch moedig het absente drama op – het is een jofele keet en dat is het.

Deze eenakter is als de stad die een componist en zijn onderwerp voortbracht: een levend wezen. In de noten dan. Dat hij maar snel een mooie suite in vier delen uit zijn mer à boire moge trekken.


Theo Loevendie, The Rise of Spinoza (Attaca)