Kinderroof door de staat

Een levenslange straf

Bijna vijf was Katrin Behr toen de Stasi haar in 1972 in het Oost-Duitse Gera van haar ouders scheidde. Gedwongen adoptie vanwege politiek ongemakkelijke ouders: het is een van de meest donkere zijden van de DDR. Jeroen Kuiper schrijft erover in zijn onlangs verschenen boek Het andere Duitsland.

BIJNA VIJF was ze, die ochtend van de tweede februari 1972, toen in alle vroegte onbekenden op de huisdeur bonkten. Openmaken! Buiten was het nog donker, het hele gezin lag nog in bed. Katrins moeder werd onrustig. ‘Snel, kleed je aan!’ zei ze tegen haar zoontje van zeven en haar dochter van vier. Op de gang stonden vijf mannen en een vrouw, gekleed in lange, zwarte jassen. Ze waren van de Stasi, en ze sleurden de moeder van Katrin de woning uit. Katrin en haar broer moesten mee naar buiten. Ze werden naar het marktplein vlak bij hun huis gebracht, waar twee Trabanten klaarstonden. Katrins moeder verdween in een van de auto’s. Katrin schreeuwde en brulde; ze wilde naar haar moeder. Instinctief moet ze hebben aangevoeld wat er stond te gebeuren. Passanten vroegen wat er aan de hand was, maar de Stasi-mannen maakten duidelijk dat ze zich er niet mee moesten bemoeien. ‘Anders kunt u ook meteen meekomen.’ Vanwege haar hartstochtelijke huilbui mocht Katrin nog even met haar moeder praten. ‘Beloof me dat je vanavond weer thuis bent’, smeekte ze haar moeder. ‘Ik beloof het’, zei haar moeder, die inmiddels in de handboeien geslagen was. Ze hield haar belofte niet. Katrins moeder verdween uit het leven van haar dochter. Negentien jaar lang.

ANNO 2009 zit de 42-jarige Katrin Behr in een zolderwoning aan de rand van Gera, een middelgrote stad in Thüringen. Ze heeft het dakraam een eindje open gezet, zodat de rook van haar filtersigaret naar buiten kan dwarrelen. In een hoek staat een bureau met daarop de computer die Behr gebruikt bij haar zoektochten naar vermiste ouders of kinderen. Behr, gekleed in een zwarte trui, met zwarte haren en een zwarte bril, werd het slachtoffer van gedwongen adoptie in de DDR. Het is een van de donkerste hoofdstukken uit de geschiedenis van het voormalige socialistische paradijs. Tot op de dag van vandaag zijn veel vragen onbeantwoord. Wie nam de besluiten om kinderen bij hun ouders weg te nemen? Om hoeveel kinderen gaat het? De schattingen lopen uiteen van enkele tientallen tot duizenden kinderen. Eind 2007 richtte Katrin Behr de vereniging Hulp voor slachtoffers van DDR-dwangadoptie op. Ze zette een website op om ouders en kinderen die in de DDR gedwongen van elkaar werden gescheiden weer bij elkaar te brengen. Dat doet ze met succes: tot nu toe hebben meer dan zeventig kinderen en ouders elkaar weer gevonden. Op haar site staan nog honderden gedwongen geadopteerde kinderen die hun ouders zoeken. ‘Vandaag heb ik weer twee broers bij elkaar gebracht’, vertelt de jonge vrouw trots.
Eigenlijk heeft Katrin Behr nooit problemen gehad met de DDR, het land dat zo’n grote invloed had op haar leven. Ze vond het socialisme zo gek nog niet: ‘Het principe van solidariteit beviel me.’ Toch voelt ze zich uiteindelijk verraden door haar vroegere vaderland: ‘Ik wil dat gedwongen geadopteerde kinderen en ouders wier kinderen gedwongen afgenomen werden een schadevergoeding krijgen. We krijgen op geen enkele manier steun. Ik heb nog nooit psychische hulp of iets dergelijks gehad. En dat terwijl vele kinderen hebben geleden. Ik ken diverse gevallen van mishandeling en seksueel misbruik.’

NA DE GEDWONGEN scheiding van haar moeder in 1972 maakte Behr een odyssee langs kindertehuizen en adoptieouders: ‘Ik herinner me het nog precies. Nadat mijn moeder was vertrokken en die avond niet naar huis kwam, werd ik met mijn broertje in een tehuis ondergebracht. Vandaar ging ik na een paar weken naar een gezin in Gera, terwijl mijn broer in het tehuis achterbleef. Ik herinner me nog het huis waar ik terechtkwam; het was er donker en vochtig en het stonk enorm. Ik sliep op de bank tussen de hondenharen. Ik was er doodongelukkig. Dat moeten mijn pleegouders gemerkt hebben, want na twee weken brachten ze me weer naar het tehuis.’ Toen Behr terug was, rende ze door het tehuis, op zoek naar haar broer. ‘Hij was nergens te vinden; hij was inmiddels overgeplaatst.’ Niemand wilde Behr vertellen waar haar broer was. Katrins wereld stortte nu helemaal in: ‘Ik weet nog dat niemand met me wilde spelen, omdat ik de hele tijd niets anders deed dan huilen.’
Na enkele maanden werd Katrin opgehaald door een vrouwelijke tandarts uit Gadebusch, een klein stadje in Mecklenburg-Vorpommern. ‘Die vrouw was heel streng. Ze leefde heel gezond; ik weet nog dat we alleen biologisch aten, dat ik altijd met koud water moest douchen en dat ik veel karnemelk moest drinken. Ik heb nog altijd een hekel aan karnemelk. Ik kreeg regelmatig klappen. Ik heb het haar ook niet gemakkelijk gemaakt. Na een paar maanden had ze zo genoeg van mij dat ze me weer terug heeft gebracht.’ Na nog een verblijf in het kindertehuis kwam Behr eind 1973 terecht bij het adoptiegezin waar ze veertien jaar zou wonen, een gezin in Gera: ‘De man was metselaar, de vrouw was lerares Russisch en partijsecretaris. Vooral met haar had ik problemen. In 1977 kregen ze een eigen zoontje, terwijl ze altijd dachten dat ze geen kinderen konden krijgen. Ik was hun schoonmaakster, hun invalmoeder voor mijn broertje en hun voorbeeldkind. Ik moest altijd mijn broertje van school halen, daarvoor had mijn moeder geen tijd. Ze was nooit tevreden over mij, ik had vaak ruzie met haar. Na de val van de Muur kreeg ze maagkanker, volgens mij heeft ze de politieke veranderingen niet verdragen. We hebben geen contact meer.’
Vanwege de moeizame relatie met haar adoptieouders wilde Behr toentertijd zo snel mogelijk uit het gezin weg: ‘Ik dacht: ik trouw met de eerste de beste kerel die me hier weghaalt. In 1985 leerde ik een man kennen die op Rügen werkte, een eiland in de Oostzee. Ver weg van Gera, ideaal. In 1986 trouwden we, ik was negentien. Al snel bleek dat hij vooral op seks uit was. Verder was hij heel jaloers. Hij werkte als politiek officier voor het leger. Ik heb daar toen nooit over nagedacht, maar hij moet contacten bij de Stasi hebben gehad. Op Rügen gebeurde niet veel, voor mijn gevoel was het er ’s avonds altijd vroeg donker. We hadden weinig vrienden. In 1988 kreeg ik mijn eerste kind. Ik las slechts af en toe de krant, dus ik had nauwelijks door dat er politieke veranderingen gaande waren. Begin jaren negentig zijn we naar Berlijn verhuisd. We zijn in 1996 gescheiden.’

HOE HET met haar moeder verder ging, hoorde Katrin Behr pas na de val van de Muur. In 1990 kreeg ze haar adres in handen. Het duurde nog een jaar voordat Behr de moed had om haar biologische moeder op te zoeken: ‘Het was vreemd om mijn moeder na al die jaren weer te zien. Ik zou haar nooit herkend hebben. Toevallig was er de avond dat we elkaar weer zagen een dorpsfeest. We zijn er naartoe gegaan. Toen we in de dorpskroeg zaten, riep mijn moeder ineens: “Kijk eens, hier is mijn Katrin! Ik wist dat ze me zou vinden!”’
Inmiddels weet Behr uit de akten dat zij en haar broertje haar moeder ontnomen werden volgens DDR-wet 249: de zogenaamde asocialen-wet: ‘Volgens die wet kon de staat ouders die onaangepast gedrag vertoonden in het uiterste geval hun kinderen wegnemen’, vertelt Behr. Een deel van de tekst van de wet luidde als volgt: ‘Wie het maatschappelijke samenleven van burgers of de openbare orde in gevaar brengt, doordat hij zich uit luiheid aan een geregeld arbeidsleven onttrekt, kan tot twee jaar gevangenisstraf veroordeeld worden.’ Volgens Behr werd de wet vaak misbruikt: ‘De wet was onduidelijk geformuleerd en dus op verschillende manieren te interpreteren.’ Behr ontkent niet dat haar moeder regelmatig op haar werk ontbrak: ‘Daar had ze echter een goede reden voor. De staat had haar geen plek voor haar kinderen in een crèche aangeboden, waarschijnlijk omdat mijn moeder twee zussen in West-Duitsland had. Dat beviel de Stasi niet, dus zetten ze mijn moeder onder druk. Ze had geen vaste partner, dus was er niemand om op de kinderen te passen. Daardoor kon ze vaak niet naar haar werk. En wie niet op het werk verscheen, viel in de categorie “onaangepast”. Op een dag zat mijn moeder in een café met een vriendin en riep ze gefrustreerd: “Als dit zo doorgaat, vertrek ik ook naar het Westen.” Dat moet iemand hebben gehoord. Daarom hebben ze wet 249 gebruikt, om haar kinderen af te kunnen nemen.’
Behr ontdekte dat haar moeder verscheidene jaren in de gevangenis had gezeten: ‘Ze kreeg straf vanwege haar zogenaamde onaangepaste gedrag.’ Volgens Behr moest haar moeder een tijdlang dwangarbeid verrichten: ‘Eerst werkte ze in een houtzagerij in Quedlinburg, een stadje in de Harz. Het was heel zwaar werk. Ze heeft er reuma aan overgehouden. Bovendien mocht ze twee jaar lang niet naar haar geboortestad Gera. Daar heeft ze zich niet aan gehouden. Vervolgens kwam ze drieënhalf jaar in een tuchthuis in Halle terecht.’ In die tijd besloot een gerechtshof om haar haar kinderen officieel te ontnemen, hoewel haar moeder daar nooit mee heeft ingestemd, volgens Behr. Tegenwoordig heeft ze slechts sporadisch contact met haar moeder: ‘Ze wil het liefst het verleden vergeten en er niet meer over praten.’

GEVALLEN zoals dat van Katrin Behr zijn er tientallen. Een ander slachtoffer van gedwongen adoptie is Erika Thesenvitz, een jonge vrouw uit Rathenow. Niet zijzelf werd geadopteerd, maar haar zoon. Twee weken voor de geboorte bezweek Thesenvitz onder de druk van hogerhand. Nadat haar zoontje Oliver geboren was, kreeg ze hem nog even op haar buik. Daarna namen ziekenhuiszusters de baby van haar weg. Erika Thesenvitz huilde onophoudelijk. Het was 18 oktober 1985, een kille herfstdag in een ziekenhuis in het stadje Kyritz in de DDR.
Bijna 24 jaar later vecht een lentezonnetje zich door de wolken boven Rathenow, een troosteloos stadje ten westen van Berlijn. De zon werpt haar zonnestralen op een woonblok uit de jaren vijftig aan de Heinrich von Rosenbergstraat. Achter de woningen staat een hoge groene schutting, die de huizen afschermt van de voorbij denderende treinen tussen Berlijn en Hannover. Erika Thesenvitz woont in een kleine driekamerflat. Ze vertelt: ‘Ik kan me die oktoberdag nog als gisteren herinneren. Ik wist dat ze Oliver van me zouden afnemen. Ik was gedwongen. Het was een gedwongen adoptie.’
Thesenvitz groeide op bij een oom en tante in Demmerthin, een dorp in de laagvlakten ten westen van Berlijn. Haar vader leerde ze nooit kennen, haar moeder, die vier kinderen kreeg, werd in een tehuis opgenomen. Thesenvitz kreeg haar eerste zoon toen ze achttien was. Een vaste partner had ze niet. Ze vond werk als melkster. Waarom juist zij uitgekozen werd voor de gedwongen adoptie is voor haar nog steeds een raadsel: ‘Aan mijn werkinstelling kan het niet hebben gelegen. Ik weet van het bestaan van DDR-wet 249, die de mogelijkheid bood om “onaangepasten” hun kinderen te ontnemen, maar tot die categorie behoorde ik zeker niet.’
Het verhaal van Thesenvitz’ gedwongen adoptie begon in de eerste maanden van haar zwangerschap: ‘Nadat mijn arts had vastgesteld dat ik zwanger was, vroeg hij of ik me kon voorstellen het kind voor adoptie vrij te geven. Ik vertelde hem dat ik dat niet wilde. Ik had al een kind, en ik vond dat een alleenstaande vrouw met een kind ook een tweede kan opvoeden.’ De volgende maanden nam de druk van haar arts echter toe: ‘Telkens vroeg hij of ik het kind toch ter adoptie vrij wilde geven. “Erika”, zei hij tegen me: “We weten dat je geen partner hebt. We weten dat je in een eenkamerwoning woont. We weten ook dat je slechts één kinderbedje hebt, en dat is niet voldoende. Ik weet zelfs wáár in je woning je kinderbedje staat.” Op dat moment begon het echt onaangenaam te worden. Ik kon me niet voorstellen dat er in mijn woning gespioneerd werd. Ik stond achter de DDR. Ik wilde zelfs lid van de SED (Sozialistische Einheitspartei Deutschlands – red.) worden! Toch bleef ik weigeren mijn kind af staan. Daarop zei mijn arts: “Je weet dat je huis geïnspecteerd wordt voordat je tweede kind komt. Als je nog steeds geen tweekamerwoning hebt op het moment dat je tweede kind geboren is, ziet het er slecht voor je uit. Je weet dat de controleurs iets zullen vinden wanneer ze het willen. Je riskeert dat beide kinderen worden afgenomen. Het is jouw beslissing.” Toch bleef ik weigeren. Wel moest ik ervoor zorgen dat ik een grotere woning zou krijgen, maar die had ik al bij de burgemeester aangevraagd, en die had gezegd dat dat geen probleem zou zijn. Ik wist dat onder in het woonblok waar ik woonde over een tijdje een tweekamerwoning vrij zou komen. Maar opeens was mijn aanvraag voor de tweepersoonswoning spoorloos verdwenen, en in de winkel waar ik al weken eerder een tweede kinderbedje had besteld, wisten ze opeens niets meer van mijn bestelling. Toen begon ik ’m echt te knijpen.’
Twee weken voor de geboorte gaf Thesenvitz toe aan de druk. Ze stemde ermee in om haar tweede kind af te staan: ‘Tot het laatste moment heb ik getwijfeld. Uiteindelijk heb ik ingestemd, omdat ik bang was ook mijn oudste zoon te verliezen. Nadat de zusters het kind van me hadden weggenomen, zeiden ze: “Zo, nu heb je toch nog iets goeds gedaan in je leven.” Zo’n zin blijft me mijn hele leven achtervolgen. Na een paar dagen moest ik uit het ziekenhuis vertrekken. Mijn oudere zoontje Daniel was die week van de bevalling in een tehuis ondergebracht. Ik mocht hem pas meenemen nadat ik op het gemeentehuis enkele papieren had ondertekend. Ik weet niet meer wat ik heb ondertekend, ik heb geen enkel papier mee naar huis gekregen. Ik had niet eens een bewijs dat ik bevallen was van een tweede zoon, dat ik een kind ter adoptie had vrijgegeven. Wel wilde de medewerkster op het gemeentehuis me 750 mark geven. In de DDR ontvingen ouders duizend mark voor een pasgeboren kind: 250 mark in de zesde zwangerschapsmaand, en de volgende 750 mark na de geboorte. Ik heb het geld verontwaardigd geweigerd. “Dat geld is voor mijn zoon”, zei ik. Ik had het gevoel dat ze me wilden afkopen.’

WAAROM Thesenvitz haar kind moest afstaan, heeft ze nooit uitgevonden: ‘De eerste jaren na de bevalling waren heel moeilijk. Ik weet nog dat ik mijn zoontje Daniel na de geboorte heb verteld dat zijn broertje bij de bevalling was gestorven. Hij had natuurlijk mijn dikke buik gezien en verheugde zich op een broertje. In de DDR-jaren heb ik veel aan het kind gedacht. Voor Kerst en Pasen kocht ik steeds in het geheim cadeautjes voor mijn tweede kind, die ik dan later weer weggaf. Na de val van de Muur ben ik op onderzoek gegaan. Een paar weken geleden heb ik mijn Stasi-akte aangevraagd, ik hoop dat ik daarin aanwijzingen vind.’
Hoewel de jaren vergingen, bleef het onbekende lot van haar zoon aan haar knagen. Thesenvitz: ‘Ik vroeg me altijd af hoe het met hem zou gaan. Ging hij naar school? Is hij gezond? Waar is hij? Ik wilde hem vertellen dat hij een oudere broer had en een jongere zus, dat hij zelfs al oom was geworden. Na de val van de Muur heb ik op allerlei manieren geprobeerd hem te vinden. Bij gemeentelijke instanties kreeg ik geen informatie. Daarom heb ik het ook via tv-programma’s geprobeerd. Uiteindelijk hebben we elkaar door puur toeval gevonden. Op 19 januari 2008 had ik opeens een onbekende jongen aan de lijn die vroeg of mijn meisjesnaam Pobanz is. “Dat klopt”, zei ik. “Hoezo?” De jongen zei: “Ik heet Oliver Pobanz.” Ik vroeg hem of hij op 18 oktober 1985 geboren is. “Ja”, zei hij. “Dan ben ik je moeder”, zei ik. Hij barstte in tranen uit en zei: “Dan ben ik jouw zoon.” Hij vroeg of ik in Rathenow was. Toen ik dat bevestigde, zei hij huilend: “Ik sta zo voor je deur.”’
Terwijl de herinneringen bij Thesenvitz naar boven komen, schiet ze zelf ook weer vol: ‘Het half uur dat ik op hem stond te wachten, was het langste uit mijn leven. Er kwamen een paar auto’s voorbij waar hij niet in zat. Daarna kwam een jong stel om de hoek gewandeld. Ik wist meteen dat het mijn Oliver was. De laatste meters zijn we naar elkaar toe gerend en elkaar huilend in de armen gevallen. We waren weer herenigd.’
Uiteindelijk had Oliver zijn moeder op het internet ontdekt. Thesenvitz had haar profiel op een internetsite gepubliceerd, waar Oliver haar tegenkwam. Hoewel ze tientallen jaren naar de hereniging had uitgekeken, was het ook een vreemd moment voor haar: ‘Ik had me zijn uiterlijk anders voorgesteld. Ik verwachtte blond haar, hij was donker.’ Thesenvitz loopt naar de computer en laat een foto van Oliver zien: een magere, pienter uitziende jongen in een chique pak. ‘Tja, hij draagt graag zulke pakken, hij is een opschepper’, zegt Thesenvitz. Moeder en zoon ontdekten dat ze jarenlang een paar straten van elkaar vandaan hebben gewoond: ‘Puur toeval! En wat bleek: mijn dochter kende hem al lang, ze hing een tijd met een groep vrienden rond waar hij ook deel van uitmaakte. Ik was zelfs bang dat ze een affaire met elkaar hadden gehad, maar dat was gelukkig niet zo.’

OLIVER BLEEK geadopteerd te zijn door een politieagent en een bankbediende uit Rathenow. Thesenvitz: ‘Ik heb gehoord dat zijn moeder maandenlang met een kussen onder haar jas heeft rondgelopen, om de indruk te wekken dat ze zwanger was. Het moest blijkbaar geheim blijven dat ze niet daadwerkelijk zwanger was. Soms denk ik dat ik mijn kind moest afstaan omdat er simpelweg niet genoeg adoptiekinderen beschikbaar waren in het midden van de jaren tachtig. Als alleenstaande moeder was ik waarschijnlijk een gemakkelijk slachtoffer.’
Als ze nu terugdenkt aan de tijd dat ze zwanger was van Oliver verwijt ze zichzelf dat ze destijds niet harder heeft gevochten voor haar zoon: ‘Ik heb het wel geprobeerd, maar ik was bang om mijn eerste zoon ook te verliezen. Nu zeg ik: ik had het er op aan moeten laten komen. Ik verwijt de staat dat hij me 23 jaar van mijn leven mijn Oliver heeft ontnomen. Ik ervaar dat als een levenslange straf. Ik zou willen dat iemand daarvoor zijn excuses aanbiedt.’
De eerste maanden na de hereniging was Oliver dagenlang bij zijn biologische moeder op bezoek. Na de eerste euforie ontstonden echter de problemen. Thesenvitz: ‘Mijn oudste zoon Daniel had moeite met hem. De eerste dag dat hij hier was trok Daniel zich meteen in de keuken terug. Ik moet toegeven dat Oliver vrij arrogant kan zijn, anders dan Daniel en mijn dochter Jennifer. Daardoor ontstonden al snel spanningen. Bovendien wilden zijn ouders geen contact met mij. Het komt vaak voor dat de verhouding tussen biologische ouders en adoptieouders heel moeizaam is. Ik heb echter helemaal geen problemen met hen, ik ben juist blij dat ze Oliver hebben opgevoed. Al vrij snel ontdekte ik dat hij veel dronk en drugs gebruikte. Dat was mede ontstaan doordat hij een paar jaar eerder, hij was toen zestien, door toeval een document bij hen thuis had gevonden waaruit bleek dat hij geadopteerd was. Zijn ouders wilden er echter niet met hem over praten. Afgelopen oktober ging het mis. Hij belde me op een dag op: “Mam, ik sta in het winkelcentrum. Ik voel me slecht. Kom, help me!” Ik ben er meteen naartoe gegaan. Oliver zag eruit als een lijk en sprak onduidelijk. Ik vroeg hem wat er aan de hand was en hij gaf toe dat hij voor honderden euro’s aan cocaïne genomen had. Ik ben meteen met hem naar de dokter gegaan, die hem verwees naar een drugskliniek. Oliver wilde niet, maar de arts verplichtte het hem. Sindsdien wil hij geen contact meer met mij. Ik heb mijn zoon voor de tweede keer verloren.’

Jeroen Kuiper, Het andere Duitsland: De voormalige DDR, twintig jaar na de val van de Muur. Nieuw Amsterdam, 208 blz., € 17,95