Reportage uit een verloren land

«Een Libanees verhongert niet»

Een jaar geleden trok het Israëlische leger zich terug uit Zuid-Libanon. Voor de bewoners heeft het weinig opgeleverd. De economie is verder verslechterd en toegezegde westerse steun blijft uit.

Beaufort ligt er in de vroege ochtendzon vredig bij. Slechts twee families hebben hun auto’s bij de voormalige kruisvaarderburcht geparkeerd en zoeken het pad naar de toren. Wat historisch schoon betreft heeft het fort weinig meer te bieden: vele jaren oorlog hebben het zwaar beschadigd en bordjes waarschuwen de bezoekers niet van de paden af te wijken wegens mijnengevaar. Toch beklimmen de kinderen, ouders en grootouders de onregelmatige, overwoekerde treden. Hun inspanningen worden beloond met een machtig uitzicht over de heuvels van Zuid-Libanon.

Niet voor niets was de burcht gedurende achttien jaar een van Israëls meest strategische punten. Van hieruit kon het leger vele vierkante kilometers grondgebied overzien en de strijdbare dorpjes op de noordelijke grens van de «veiligheidszone» onder vuur houden. Sinds Israël een jaar geleden Zuid-Libanon verliet, is Beaufort een van de weinige toeristische trekpleisters in het gebied. Palestijnse vluchtelingen komen hier om op heldere dagen hun moederland te zien; Libanezen om hun culturele erfgoed weer in bezit te nemen. De aanwezige families kijken stil en tevreden om zich heen terwijl een geel Hezbollah- vlaggetje in de top van een mast wappert.

Het geluksgevoel dat het anderszins zo verdeelde Libanon een jaar geleden verenigde, is nog gemakkelijk op te roepen. Soen nieten, sjiieten en christenen, allemaal zijn ze Hezbollah dankbaar voor het geleverde verzet en niemand twijfelt eraan dat de «Partij van God» met rede een geaccepteerde speler op het politieke toneel is. De euforie heeft echter plaatsgemaakt voor realiteitszin. Hoe opgelucht de Zuid-Libanezen ook zijn over hun doorbroken isolement, de nasleep van de bezetting valt hen zwaar. Het gebied en zijn bevolking dragen littekens. Sommige zijn zichtbaar: de verwoeste huizen, de door landmijnen onbruikbaar geworden landbouwgrond, het watertekort en de onderontwikkelde economie. Andere liggen meer onderhuids: de trauma’s en depressies van mensen die onder voortdurende dreiging hebben geleefd. Met het oplossen van de vele problemen is nog nauwelijks een begin gemaakt.

Het loopt tegen lunchtijd als op hun zondags geklede dorpelingen van het christelijke plaatsje Marjayoun de eetzaal van Hotel Dana binnenstromen. Eigenaar Fouad Hamra begroet ze hartelijk. Het zijn zijn belangrijkste klanten, want toeristen trekt het enige hotel in heel Zuid-Libanon nog nauwelijks. «Vorig jaar hadden we het even druk, toen verbleven hier nogal wat buitenlandse journalisten, maar dat was slechts een kortstondige hausse. Tegenwoordig moeten we het vooral hebben van in het buitenland woonachtige Libanezen die het bevrijde gebied bezoeken», legt de strak in het pak gestoken vijftiger uit. Hij bouwde zijn etablissement — grote tuin, zwembad, restaurant, achttien kamers — in 1989. Naar eigen zeggen om iets te betekenen voor de inwoners van de geteisterde regio. «Ik wilde voor wat recreatie zorgen, een plek om bruiloften te vieren, te ontspannen. Dit terrein valt binnen de blauwe zone, waar Unifil het voor het zeggen heeft. Dat leek me behalve redelijk veilig ook een plek met potentiële klanten. En Unifil-soldaten hebben tenminste wat te besteden, al valt dat sinds de Noren vervangen zijn door Indiërs wat tegen. Nu Israël vertrokken is, zit ik hier helemaal goed. Dit is een prachtig gebied met grote toeristische potentie; ik sta klaar om de mensen te ontvangen.» Tussen de bedrijven door deelt Hamra instructies uit aan zijn in ruime mate aanwezige personeel. «Wat toeristen hier kunnen doen?» De vraag lijkt hem te overvallen. «Wandelen en historische bezienswaardigheden bezoeken», antwoordt hij weifelend. «En misschien komen er binnenkort wel pelgrims. Gisteren was er in Marjayoun een Maria-verschijning. De beeltenis van de Heilige Maagd verscheen op een glazen koffietafeltje toen een vrouw het poetste.» Hoewel de media het verhaal bevestigen, moet Hamra er zelf hard om lachen.

Zijn vrolijkheid en optimisme blijken een dun laagje vernis. Op de vraag wat de terugtrekking van Israël hem nou feitelijk heeft opge leverd, reageert hij koeltjes. «Behalve wat meer bewegingsvrijheid tot op heden niets. Op sommige punten is de situatie zelfs verslechterd. De werkloosheid is sinds vorig jaar dramatisch gestegen. Mensen hebben weinig te besteden; de economie zit in een neer waartse spiraal.»

Die gestegen werkloosheid staat in direct verband met Israëls vertrek. Naast bezetter was dat land voor ruim tienduizend Libanezen ook de belangrijkste bron van inkomsten. Zeker vijfduizend zuiderlingen werkten als dagloners en handelaren aan de andere kant van de nu hermetisch gesloten grens. Nog eens zo'n zelfde aantal collaboreerde met Israël in het Zuid-Libanese Leger (SLA) of werkte voor de zogenoemde civiele administratie in ziekenhuizen en dergelijke. Een groot aantal SLA-militairen zit momenteel in Libanese gevangenissen of is gevlucht, gezinnen zonder kostwinner achterlatend. Volgens een UNDP-rapport uit 1999 leverde de Israëlische bezetting het gebied gemiddeld twaalf miljoen dollar per maand op. Met de terugtrekking kwam hieraan een resoluut einde.

Deze aderlating wordt volgens Mona Ziade van het in Beiroet gevestigde consultancy bureau Information International momenteel voor een groot deel ondervangen door hulp van familieleden. «Een Libanees met familie zal nooit verhongeren, doet er niet toe of de hulp vanuit West-Afrika of Canada moet komen.» Desondanks noemt ook zij de situatie zorgelijk. Ze weet waar ze het over heeft: in samenwerking met de Nederlandse ambassade verzorgde het bureau in februari een workshop voor ruim tweehonderd Zuid-Libanese «opinieleiders»: boeren, (dieren)artsen, zakenmensen en dergelijke. Doel was het in kaart brengen van de behoeften van de burgers. Als prioriteiten noemden de deelnemers: watermanagement, goed onderwijs en betere gezondheidsvoorzieningen.

Ziade bladert door het draft report van de workshop en zegt onder de indruk te zijn van de vele praktische voorstellen die zijn gedaan: «Het bleken inventieve mensen, al hebben ze bij de uitvoering van hun plannen wel finan ciële steun nodig. Met name voor het ver beteren van de landbouw, de belangrijkste inkomstenbron van het gebied, want die verkeert in een deplorabele staat. Terwijl de grensregio olijfgaarden met een totale oppervlakte van 120 vierkante kilometer rijk is, moeten de boeren zich behelpen met twee commerciële olijfpersen. Landbouwlaboratoria, die de kwaliteit van de productie zouden kunnen waarborgen en export mogelijk maken, zijn afwezig. Evenals fabriekjes voor het inblikken van voedingsmiddelen. In potentie heeft Zuid-Libanon veel te bieden, het ontbreekt echter aan middelen.»

Dat die middelen tot op heden niet zijn verstrekt, wekt irritatie op bij Ibrahim Amin Hammoud, schoolhoofd in het zuidelijke plaatsje Mayss El Jabal en deelnemer aan de workshop. In aanwezigheid van drie mannelijke familieleden — de vrouwen hebben zich op de met druivenranken overdekte veranda teruggetrokken — leest Hammoud ongevraagd voor uit zijn dagboekaantekeningen. Geen weerwoord duldend verhaalt hij over de gedwongen rekrutering van zijn leerlingen door de SLA en over de moeilijke beslissing om zijn zonen naar Frankrijk te sturen. Het blijkt de inleiding tot een dringend verzoek om hulp. «Onze scholen moeten met spoed hersteld worden en de leermiddelen die wij gebruiken zijn van vooroorlogs niveau, daar behelpen we ons al jaren mee. Waarom hebben wij nog niets gezien van het geld dat de Nederlandse ambassadeur tijdens de workshop beloofde te regelen?» Aan het feit dat die belofte pas enkele maanden oud is, heeft Hammoud geen boodschap. «Ik snap best dat dit soort dingen niet van vandaag op morgen geregeld zijn, maar er komt niet eens iemand langs om te inventariseren wat we nodig hebben. Er wordt alleen maar gepraat. Wilt u tegen uw ambassadeur zeggen dat we hier een scheikundelaboratorium nodig hebben? De rest komt later wel.»

Veel Zuid-Libanezen voelen zich in de steek gelaten door de overheid en de westerse landen die kort na Israëls terugtrekking beloofden miljoenen dollars hulp in het gebied te steken. Alleen enkele Golfstaten kwamen tot op heden over de brug. De Verenigde Staten stuurden zes honden om te helpen bij het opruimen van door Israël achtergelaten mijnen. Als argument voor hun terughoudendheid voeren met name westerse donorlanden aan dat Libanon het gezag in het zuiden nog niet heeft hersteld en het daarom geen zin heeft in het gebied te investeren. Niet Hezbollah, maar het Libanese leger dient er de veiligheid te garanderen. Ruim 65 procent van de deelnemers aan de workshop van afgelopen februari deelt die mening. Ook hotellier Fouad Hamra: «Ik zie weinig voordelen in Hezbollahs aanwezigheid. Het heeft een verkeerde uitstraling, zorgt voor spanningen en ontmoedigt mensen naar deze regio te komen. Voor mij is de oorlog voorbij; ik wou dat de overheid daar ook zo over dacht.»

Hezbollahs persofficier Hussein Nabulsi legt zijn rechterhand op zijn borst en knikt als teken van begroeting als hij de gespreksruimte van zijn kantoortje in een zuidelijke wijk van Beiroet binnenstapt. Het is Hezbollah — «het verzet», zoals de Libanezen zeggen — dat een jaar na dato het vuur in Zuid-Libanon brandende houdt. De haard wordt gevormd door een paar hectare landbouwgrond, Sheba Farms genaamd. Volgens Hezbollah en de autoriteiten is het Libanees grondgebied dat teruggegeven moet worden. Pas dan heeft Israël aan VN-resolutie 425 voldaan. Aan de andere kant van de grens beweert men echter dat Sheba Farms op de in 1967 bezette Golan Hoogte ligt en onder resolutie 242 valt: niet Libanon, maar Syrië kan er aanspraak op maken.

Nabulsi zegt wel te weten waarom de internationale gemeenschap zo op het herstel van het Libanese militaire gezag hamert: «Zij weet dat ons nationale leger geen bedreiging voor Israëls veiligheid vormt, in tegenstelling tot Hezbollah. Precies om die reden kan het verzet het militaire gezag niet overdragen en de Libanese autoriteiten denken er net zo over. Overigens heeft het zuiden de inzet van het leger ook helemaal niet nodig. Zuid-Libanon heeft geen veiligheidsprobleem. Libanon is zelfs een van de meest veilige landen ter wereld», aldus de persvoorlichter.

Dat laatste is niet helemaal gelogen: er vinden minder berovingen en inbraken plaats dan in menig westers land. Raketaanvallen echter beduidend meer. De meest recente op 16 april toen Israël een Syrisch radarstation bombardeerde als vergelding voor een Hezbollah-actie in Sheba Farms. Unifil, dat voornemens was vijfhonderd van zijn vijfduizend gewapende peace keepers naar huis te sturen, ziet daar voorlopig van af.

Fatima Gate, de poort die de duizenden in Israël werkzame Libanezen jarenlang dagelijks passeerden, is gesloten. Langs de grens in Kfar Kila staan hoge hekken met daarachter betonnen schotten die het zicht op het Heilige Land grotendeels ontnemen. Groepjes jongeren en families met kinderen lopen keuvelend langs de hekken. Ter hoogte van een Israëlische wachtpost rapen mannen stenen van een gestort bergje puin om die vervolgens tegen de goed beschermde metalen toren te keilen. «Allah akbar», roept een van hen elke keer als hij doel treft. De soldaten laten zich deze keer niet provoceren. Onder de wandelaars bevindt zich een Libanese familie uit het Duitse Hessen. Een zoon heeft zijn gevoelens met krijt op de weg geschreven: «Israel ist Scheisse».

De haat zit diep. Dat is ook merkbaar in het dorpje El Khiam. De groene omgeving en bloeiende flora geven het plaatsje, dat internationale bekendheid geniet vanwege de Amnesty-rapporten over Khiam Detention Center, bijna iets lieflijks. Het beruchte martelcentrum ligt op de top van de heuvel nabij het dorpje. Het waren de dorpelingen zelf die een jaar geleden de gedetineerden — voornamelijk Hezbollah-aanhangers — bevrijdden, nadat de SLA-militairen die de gevangenis voor Israël beheerden, waren gevlucht. Tegenwoordig is het, net als Beaufort en Fatima Gate, een populaire bestemming voor een uitstapje, al is de sfeer er grimmig.

Bezoekers worden verwelkomd door het overslaande stemgeluid van Hezbollah-leider Nasrallah dat uit enkele bij de poort geplaatste boxen schalt. De verzetsbeweging onderhoudt de voormalige gevangenis en bemant een klein informatiecentrum waar vooral Hezbollah-parafernalia te koop zijn. Achter de toegangspoort liggen twee binnenplaatsen, waarvan enkele muren kleurrijk zijn beschilderd. Een vader poseert met zijn zoontje voor een duif die door kapot traliewerk vliegt. De rondom gelegen ruimten waar voorheen de gevangenen en de bewakers verbleven, zijn grotendeels leeg. Op de muur staat geschreven waarvoor ze dienden: «marteling met elektriciteit», «luchtplaats, tien minuten per twee dagen». Een deel van de cellen verkeert nog in dezelfde staat als toen de gevangenen vertrokken: er liggen dekens op de stapelbedden en er hangt was aan de lijn. Briefjes waarschuwen de bezoekers niet te lang binnen te blijven; dat wordt als ongezond beschouwd.

«Ik vind het vreselijk om hier te zijn», vertelt een Libanees wiens broer in Khiam is vermoord, «maar ik moet mijn vrouw en kinderen laten zien wat ons is aangedaan.» Zijn haat lijkt echter al ruimschoots doorgegeven: «Ik heb mijn kinderen geleerd met stenen te gooien zodra ze het woord ‹Israël› horen.» Zijn zoontje reageert ogenblikkelijk, waarna ook het jongere dochtertje een steentje oppakt en twee meter verderop laat neerkomen.

De in El Khiam woonachtige huisarts Halim Kassis merkt tijdens zijn spreekuur dat de aanwezigheid van het centrum diepe wonden heeft geslagen bij de bevolking. «Het aantal verzoeken om antidepressiva is groot. De meeste patiënten geef ik daar echter geen recept voor: ze hebben geen pillen nodig maar therapie. Nee, hier in het dorp werkt geen psychiater of psycholoog, daarvoor moeten ze naar Sidon of Beiroet. Maar ja, dat is voor de meesten te ver weg.» Voormalige gedetineerden kunnen sinds begin dit jaar overigens wel hulp krijgen. In samenwerking met onder meer Artsen Zonder Grenzen is er in Khiam een rehabilitatiecentrum geopend. In principe blijft dat zes maanden operationeel.

De problemen van het zuiden ontgaan de Libanese overheid niet. In april demonstreerden twintig ex-gedetineerden uit Khiam dagenlang voor het parlementsgebouw, omdat de hulp die hun was toegezegd bij het vinden van banen uitbleef. Ook de media rapporteren aanhoudend over de zorgwekkende situatie: over de watertekorten in de uiterst zuidelijke grensstreek en over de ziekenhuizen die bij gebrek aan artsen worden gesloten.

«Het is ons allemaal bekend», zegt Ali Hamdan, adviseur van de minister van Energie en Water en lid van het politieke bureau van de sjiitische partij Amal. «Maar ons hele land is herstellende van een oorlog. In het noorden en in de Beka zijn de mensen er niet veel beter aan toe. Als de donorlanden ons zouden geven wat ze hebben toegezegd, kunnen we ons hulpprogramma uitbreiden. Maar aangezien die pas over de brug komen wanneer we het leger in het zuiden stationeren, en dat pas mogelijk is wanneer Israël het hele Libanese grondgebied teruggeeft, kunnen we weinig doen.»

Zijn cirkelredenering zou te doorbreken zijn door van Sheba Farms niet zo'n punt te maken en de aandacht te richten op het herstel van de Libanese economie. Heeft het land, inclusief het zuiden, daar niet méér aan? Hamdan: «Dat is wat het Westen ons adviseert: kies de weg van Hongkong en niet die van Hanoi. Maar kijk naar Israël: dat land heeft de sterkste economie in de regio én verkeert in voortdurende staat van oorlog. Als ze daar beide kunnen, kunnen wij dat ook.»