Anselm Kiefer, Märkische Heide, 1974. Olie- en acrylverf, jute, 118 x 254 cm © Peter Cox, Eindhoven / Collectie Van Abbemuseum

Opnieuw die zaal: daar stond, iets verderop, van zwart asfalt de iglo van Mario Merz, niet in het midden maar iets naar rechts geschoven. Het was een bolle vorm die daar geheimzinnig en stilzwijgend stond. Ik ging er rechts omheen. Er was een lichte dwang van richting: op het zwarte volume stond in blauwe neonletters een stuk tekst geschreven. Toen ik die woorden las, van links naar rechts, stond ik daar ook stil om te kijken. Vanaf die plek kon ik over de stompe buiging van de iglo heen kijken. Daar hadden we, op de lange linkerwand, een bruin Oost-Duits landschap hangen van Anselm Kiefer. Het heette Märkische Heide. Het was uitzonderlijk schraal van kleur. Het was een breed schilderij dat daar alleen hing, rechts op die wand. Met zijn meer dan tweeënhalve meter nam het landschap die wand, optisch in ieder geval, grotendeels in beslag.

Vanaf de zwarte iglo werkte dat dorre veld van bruin als een ruim decor. Het hing ook wat hoger dan normaal: de onderste rand van het schilderij hing ongeveer op de lijn van mijn ooghoogte. De iglo intussen was 150 centimeter hoog. Ik keek er overheen naar het straf geschilderde landschap, en van een zekere afstand. Ik schat daarom dat mijn blik iets hoger uitkwam: precies daar waar aan het begin van de landweg door Kiefer in het zwart Märkische Heide was geschreven. Dat was namelijk de historische plek waar de verbeelding van het schilderij ons naartoe had verplaatst.

Jannis Kounellis, Senza titolo, 1980. Installatie met metaal, deken, gips, roet, hoogte variabel, ca 330 cm © Peter Cox, Eindhoven / Collectie Van Abbemuseum

De brede woorden maakten het landschap ook wijder. Ik liet mijn ogen heen en weer gaan langs de volle breedte van het schilderij. Zo kwam ik bij een paar berkenbomen die daar rechts van de weg stonden. Ze reikten voorbij de bovenrand van het schilderij: strakke gestalten, hun stammen zwart en scherp wit. Het schilderij was breed maar niet hoog. Het heeft de proporties van een fries. Het is, ver weg, een uitgestrekte horizon. Het land is kaal. De begroeiing bruin, droog en dor. Ik keek van dichtbij naar de kale landweg en zag daar een karrenspoor van hard zand. De grond kraakte. De landweg verdwijnt onverbiddelijk naar de verte. Het is er eenzaam. De einder vervaagt in dichte grijze lucht. De weg is recht maar in het karrenspoor, ook in de berm, zitten allerlei hobbelige bewegingen. Daarom begint in de ruimte van het land, als bij tonen van muziek, het oog te dwalen. Het land is leeg. We kijken naar de droge kleur. Er waait een koude herfstwind.

Max Beckmann, Winterbild, 1930. Olieverf op doek, 83,5 x 75 © Peter Cox, Eindhoven / Collectie Van Abbemuseum

Dan zie ik, aan de andere wand, een klein schilderij dat letterlijk iets anders is: een kleine blik door een raam van binnen naar buiten. Märkische Heide is een landschap van eindeloze ruimte, met drama, met schrale kleur. Bruin en grijs en strogeel en grijsgroen. Die stugge kleuren zijn geschilderd op ruwe jute. Dat is zwaar en oneffen. Het schilderij is zo een frontaal en onbuigzaam beeld. We kijken ertegenaan. De blik wordt vastgezet in het landschap. Het Winterbild van Max Beckmann is, ondanks het houten raamwerk van het zolderraam, een stuk losser van stemming. De kleur straalt, is withelder als het licht op een koude wintermorgen. Het schilderij kwam tevoorschijn, uit de verzameling, toen we dat bruingrijze landschap van Kiefer al hadden opgehangen. Dat hing daar, met die schrale kleur, nadat eerst Mario Merz’ dof donkere iglo daar ook al was geplaatst. In die omgeving was Winterbild een ontdekking. Wat ik tegelijk daarbij ontdekte was hoe kunstwerken elkaar, toevallig, in een museum tegenkomen. Ze vonden elkaar in een mise-en-scène die in de ruimte van een museumzaal wonderlijke vertelling werd. Intussen was het Winterbild dat met dat witte licht vooral voor die verrassing zorgde. We kijken door open ramen van een bruine zolderkamer: witte sneeuw glinstert helderwit op zwarte boomtakken in de smalle binnenplaats. De ruimte is klein. In het winterlicht straalt ook een helder lichtblauw.

In de enscenering van beelden was er, rechts voorbij het Winterbild, ook een plaats gevonden voor een hoog werkstuk van Jannis Kounellis. Daar in de verre hoek bevond zich de doorgang naar de volgende ruimte. Links terzijde van die passage hadden we Kounellis’ staande figuur geïnstalleerd. Toen ik het verwierf, zat het zwijgzaam dicht bij een hoek bij een deurpost. Hier ging het ook richting volgende zaal. Ik zag het raadselachtige Senza titolo als een vreemde figuur met ogenschijnlijk nauwelijks gewicht. Het zijn vijf ijzeren schappen met gelijke afstanden boven elkaar gemonteerd. Die zweven eigenlijk. Op vier van de schappen liggen fragmenten van gipsfiguur gewikkeld in stukken wollen deken. Op het bovenste schap heeft iets gebrand dat op de muur een fluwelen spoor van zwarte roet heeft nagelaten. Wat ik zag bleef voorlopig een raadsel. Misschien bewoog het heel zacht: een frasering, van hier naar daar, als van statig gezang. De zwarte rook was een lied.