Een Lieve Hand

Omdat ik zomaar in Italië was flauwgevallen kwam ik via een ambulance in het hospitaal van Viterbo. Wat had ik? Ze konden niks vinden. Maar ze hielden me een nachtje op de gang. Om de drie uur werd er bloed afgenomen.

In zo’n ziekenhuis zit je opeens in de wereld van angst en lijden. Daar is het donker van de onzekerheid. Ik vermoed – zeker weten doe ik het niet – dat het ziekenhuis efficiënt en degelijk was, dat de gezondheidszorg daar goed was, maar ik miste iets waarvan ik nooit had gedacht dat ik het zou missen: menselijkheid.

Iedereen had het druk. Het was een komen en gaan van gewonden, hartaanvallen, covid-patiënten, en ik begreep uiteraard dat men handen tekort kwam. Mijn vrouw mocht niet bij me zijn in verband met covid en de batterij van mijn telefoon was op.

En ik – achteraf vind ik het zelfs wat kinderachtig van mezelf – had behoefte aan een gesprek. Een hand die me vasthield. Iemand tegen wie ik kon zeggen dat ik bang was. Maar ik zag niemand. De zusters die zich af en toe met mij bemoeiden spraken geen Engels en ik sprak nauwelijks Italiaans. Ik lachte tegen ze achter mijn mascherina, maar zij lachten niet terug.

Na twaalf uur kreeg ik een gesprek met een vrouwelijke arts. Dat duurde drie minuten. Ze had niet meer tijd. En ook dat begreep ik. Ik wist hoeveel patiënten er nog in de gang lagen te wachten en ik zag hoe uitgeput ze was.

Na twaalf uur kreeg ik een gesprek met een vrouwelijke arts. Dat duurde drie minuten

Mijn opvoeding en mijn schaamte zaten me in de weg. Die twee hebben een relatie met elkaar. Ik vroeg wel dingen in het Engels, maar zij begreep ze niet. Het kwam erop neer dat ik domweg was flauwgevallen en dat zij ook niet wist hoe dat kwam. Niks met het hart of het hoofd. Zij hadden een maaghernia op de foto gezien. Dat was het. Leefregels kreeg ik niet. Medicijnen ook niet. Ik kreeg een papier mee waar ik niets van begreep. Ik zal het, eenmaal terug in Amsterdam, aan de dokter laten zien.

Ik zei nog ‘grazie’, waar zij niet op reageerde. Nou ja, ze knikte zonder mij aan te kijken. Misschien vond ze mij een aansteller, maar dan nog…

Die gedachte aan de behoefte aan medemenselijkheid liet me niet los. In de toekomst gebeurt er iets en dan word je onderzocht door een robot. Die toekomst is niet eens zo ver weg. Je kunt niks tegen zo’n robot zeggen wat geen verband houdt met je ziekte – ‘Ik heb pijn in mijn hoofd’, begrijpt hij, maar wat moet hij met: ‘Ik ben bang, ik wil dat mijn vrouw mijn hand vasthoudt, of gewoon dat iemand iets aan me vraagt’?

Ikzelf ben niet zo empathisch begaafd, al wordt dat door de leeftijd misschien iets beter omdat je sentimenteler wordt, maar zou het erg op de gezondheidskosten drukken als je gewoon een aantal lieve mensen – echte zusters – in een ziekenhuis hebt, die niet meteen medische handelingen verrichten maar domweg vragen hoe het met je gaat? Ik weet dat mensen zeuren. Ik weet dat ze schreeuwen dat ze recht op dit en recht op dat hebben. Ik weet dat ze eisen nu! geholpen te worden terwijl dat niet kan, maar zo’n Wandelend Oor met een Lieve Hand kan toch ook door vrijwilligers worden gedaan? Je wilt begrip voor je onbegrip.

Angst en onzekerheid kunnen alleen maar weggenomen worden door kennis, dacht ik vroeger, maar ze kunnen zeker verminderd worden door het uitspreken van die angst tegenover een ander. ‘Natuurlijk begrijp ik wat je voelt. Het is ook naar, het is ook eng.’

In het ziekenhuis zag ik twee patiënten, een man en een vrouw, die achter elkaar lagen. Ze kenden elkaar niet. Ze gingen samen bidden. Hardop. Nee, ze hoefden niet voor mij te bidden, ik geloof niet in een Hogere Macht. Maar het ontroerde mij. En ja, als er niemand is om mee te praten, moet je wel met God spreken.