Een linkse heer

Hij moet oppassen dat hij geen ‘aandeelhouder in slecht nieuws’ wordt, vindt hij. Want Arie van der Zwan gelooft niet erg in de economische opleving. Maar ook niet in de neoliberale politiek. Is hij de nieuwe Keynes?
DE IETWAT SENORE stem, het eeuwige sikje. En wat is hij eigenlijk klein. Is dit de man die onlangs nog door Quote geportretteerd werd als kouwe, communicatiegestoorde kikker, belust op aandacht en macht?

Vandaag valt dat in ieder geval best mee. Vooral Pim Fortuyn gaat in Quote nogal tegen Van der Zwan tekeer. Ze zullen dus wel op elkaar lijken. Maar op het moment voelt Arie van der Zwan 61) zich meer verwant met Thijs Wöltgens 52). Samen met Bart Tromp 51) vormen zij op dit moment de belangrijkste criticasters van de PvdA. Een heuse stroming van heren op leeftijd die allemaal vinden dat de partij veel te veel meegaat in het neoliberale denken. Asociaal wordt. Het sociaal-democratische gedachtengoed te grabbel gooit. Er zijn kwade tongen die beweren dat je met linkse kritiek dusdanig je glazen ingooit binnen de PvdA, dat alleen mensen die toch niets meer te winnen of te verliezen hebben, zich durven uiten. Maar de leeftijd van de criticasters kan natuurlijk ook toeval zijn.
De sociaal-democratie kan alleen overleven, zo stelde Arie van der Zwan vlak voor de zomer in S&D, het wetenschappelijke tijdschrift van de PvdA, als ze breekt met de belangrijkste pijler van het huidige neoliberale beleid, het vrije verkeer van kapitaal en goederen. Bovendien moet Nederland opnieuw industrialiseren en minder bang zijn voor inflatie. Geen kattepis, en zeker niet als de kritiek afkomstig is van iemand die zelf zijn halve leven actief was in het bedrijfsleven (Nationale investeringsbank, Vendex, software-business) en die niet bepaald bekend staat om zijn linkse denkbeelden.
Het had eigenlijk een manifest moeten worden, vertelt Van der Zwan in zijn statige suite op de universiteit Nijenrode, waar hij sinds februari decaan is. Hij maakte deel uit van ‘een groepje’ vooraanstaande ontevreden PvdA'ers, maar zijn companen ('Nee, wie erin zaten blijft het geheim van Soestdijk’) kregen de pen uiteindelijk niet op papier. En toen publiceerde hij zelf maar iets. 'Ik denk dat er iedere dag wel mensen bij elkaar gaan zitten om nu eens op te schrijven hoe het verder moet met de sociaal-democratie, met links. Er zijn nu eenmaal niet veel mensen binnen de PvdA die gelukkig zijn met de opstelling van de partij, hoe populair bewindsliden misschien ook zijn. Maar meestal stranden dergelijke pogingen.’
VAN DER ZWAN is tegenwoordig weer bijna fulltime wetenschapper. Behalve decaan van Nijenrode is hij hoogleraar in Utrecht (waar hij de verzorgingsstaat bestudeert in het kader van de Drees-leerstoel) en in Rotterdam (ondernemingsbeleid en management). Heeft hij het idee dat er nog naar hem geluisterd wordt?
Een zuinig lachje. 'Nog naar me geluisterd wordt? Dat suggereert in ieder geval dat er ooit naar me geluisterd is.’
Of heeft u te zeer het stempel van de man die altijd wil opvallen?
'Ik weet het niet, ik ken de PvdA eigenlijk heel slecht. Ik ben niet zo'n partijman, nooit geweest eigenlijk. Ik voelde me altijd veel meer aangetrokken tot de sfeer in D66.’
Toch sloot hij zich aan bij de PvdA; een paar jaar geleden werd hij zelfs, na een tijdje boos uitgetreden te zijn geweest, voor de tweede maal lid. Niet omdat hij vond dat ze het zo goed deden, 'maar ik zat toen in het zakenleven en daar was zoveel kritiek op de PvdA, dat ik de behoefte had m'n politieke opvattingen niet te verloochenen.’ In ieder artikel over hem staat dat hij bij de oprichtingsvergadering van D66 was. 'Ik ben geen lid van die club geworden omdat D66 het verdelingsvraagstuk passé achtte. Hoe konden ze dat in vredesnaam vinden? En dat is ook precies waarom ik me nu boos maak over de PvdA. De snelheid waarmee de afgelopen vijftien jaar de ongelijkheid toeneemt wordt helemaal niet onderkend, ook niet binnen de sociaal-democratie.’
Van der Zwan gaat tekeer tegen de nieuwe 'succeselite’, die zichzelf beschouwt als meritocratie: de elite denkt dat ze het succes aan zichzelf te danken heeft en acht de verworven positie daarom niet alleen maatschappelijk gerechtvaardigd, maar kijkt ook neer op iedereen die het niet zo ver geschopt heeft. Dan hadden ze immers maar beter hun best moeten doen. Van der Zwan: 'De tucht van de markt krijgt hierdoor de lading van sociale en morele juistheid mee.’ De nieuwe elite acht zich in het geheel niet verantwoordelijk voor de rest van de bevolking. 'Het sociale vraagstuk van uitstoot van arbeid wordt zonder een zweem van betrokkenheid bij de overheid gedumpt. En die mag daar vervolgens alleen wat aan doen binnen zeer strakke financiële randvoorwaarden.’
HET ENIGE WAT de sociaal-democratie hier vooralsnog tegenover stelt, is een krampachtig vasthouden aan de verzorgingsstaat. Die verzorgingsstaat moet volgens Van der Zwan zeker blijven bestaan, maar veel belangrijker is dat het bedrijfsleven z'n verantwoordelijkheid weer neemt. En daarbij speelt de overheid een grote rol. Nederland verwordt steeds meer tot een beleggerseconomie. Een economie waarin geld niet gebruikt wordt om te investeren, om nieuwe bedrijvigheid te creëren, maar waarin het erom gaat het geld zo gunstig mogelijk te beleggen. Maakt niet uit waarin en waar, als het maar groeit. In combinatie met het vrije verkeer van kapitaal levert dit het beruchte flitskapitaal op. Het schiet over de wereld, er worden enorme speculatiewinsten gemaakt, maar er wordt niets mee geproduceerd, laat staan dat er werkgelegenheid door ontstaat.
De politiek beweert vaak dat ze hier nu eenmaal niets aan kan doen, maar Van der Zwan bestrijdt dat. Het regeringsbeleid is een belangrijke motor van de beleggerseconomie door inflatie taboe te verklaren. 'Investeringen in de industrie zijn alleen mogelijk bij een zekere inflatie. Dan loop je met een investering minder risico en is een investering eerder rendabel. Als je elke vorm van inflatie wilt uitbannen, beland je automatisch in een soort beleggerseconomie, gericht op korte-termijnrendement.’
Bovendien betekent de harde gulden dat het bedrijfsleven er alles aan doet de arbeidsproduktiviteit verder op te voeren, met als gevolg een verdere uitstoot van arbeidskrachten. Hij begrijpt dan ook niet dat de sociaal-democraat Duisenberg voorgaat in het prediken van een inflatieloze wereld. 'Ik maak deel uit van een internationaal gezelschap van hotemetoten, de Trilateral Commission, en daar wordt vaak met veel meer zorg en ernst over de werkloosheid gesproken dan in de Nederlandse politiek. Een Umwertung aller Werte. Het is vanouds een traditie van links om de wereld te analyseren, om na te denken over de toekomst, maar die traditie is helemaal verdwenen.’
Maar het bedrijfsleven heeft er toch helemaal geen belang bij dat er wat aan de werkloosheid wordt gedaan. Waarom maken ze zich zorgen?
Van der Zwan, fel: 'Er zit niet altijd een direct belang achter. Of het moest een begaanheid met de maatschappij zijn, met de wereld waarvan je deel uitmaakt. Wat is nou nog een bedrijfsleven in een maatschappij die ieder verband verliest? En het is voor een ondernemer weinig inspirerend om dan met het perspectief van een hamburgereconomie aan te komen. Dat kan toch niet de roeping zijn van een ondernemer? Maar dat ze zich zorgen maken betekent niet dat ze het ook meteen anders doen. Zelfs mensen die ervan overtuigd zijn dat die beleggersmentaliteit een slechte ontwikkeling is, voelen zich toch gedwongen om eraan mee te doen, want de aandeelhouders willen gewoon geld zien.’
Van der Zwans redenering begint bij de werkloosheid, waar het huidige beleid machteloos tegen is. Maar juist de laatste maanden neemt de werkloosheid af. Melkert straalt, is Van der Zwans somberheid dan nog wel gerechtvaardigd?
Van der Zwan: 'Ik moet natuurlijk oppassen dat ik geen aandeelhouder word in het slechte nieuws, dat ik er belang bij krijg dat het slecht gaat omdat het m'n gelijk bevestigt. Maar nee, de werkloosheid is helaas structureel, ondanks de huidige conjuncturele opleving van de economie. Die structurele ontwikkeling wordt op het moment deels gemaskeerd door de registratie aan te passen, door langdurig werklozen naar andere kaartenbakken af te voeren.’
En de enige manier om iets aan die structurele werkloosheid te doen, is door herindustrialisatie. Hij schreef het in een geruchtmakend WRR-rapport uit 1980 en hij is er nog steeds van overtuigd. 'De postindustriële samenleving vind ik een fabeltje. De werkloosheid zullen we nooit wegwerken als we de industrie niet opnieuw een positie geven. Ik geef vaak het voorbeeld van de Hoogovens, omdat ik daar na mijn afstuderen in 1960 voor gewerkt heb.’ Lachend: 'Toen deed ik dus ook al verderfelijk werk, ik behoor niet tot degenen die eerst links waren en rechts werden.’
Hoogovens wierf in die tijd werknemers op de Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden die door de landbouw werden uitgestoten. Van der Zwan: 'Het was werkelijk indrukwekkend om te zien hoe die mensen, die vaak alleen een schop hadden gehanteerd, in de industrie werden opgenomen. Als dat soort industrieën in Europa verdwijnen, verdwijnt ook het vermogen van de maatschappij om laaggeschoolden op te vangen. En je kunt niet iedereen in Melkertbanen stoppen.’
Hij vindt het nog steeds een schande hoe makkelijk Nederland zich heeft neergelegd bij het vertrek van de textiel- en confectie-industrie. 'Dat had te maken met het zeer Nederlandse geloof in de postindustriële samenleving. Scandinavië heeft z'n meubelindustrie weten te behouden, Duitsland z'n confectie, en niet op basis van lage lonen.’
Tinbergen vond dat sociaal-democraten het moesten toejuichen dat de textielindustrie zich naar Azië verplaatste; dat hoorde bij een gelijkere verdeling in de wereld.
'Ik ben leerling van Tinbergen, maar ik ben het niet met hem eens. Al was het maar omdat je bedrijfstakken niet aan een internationale conferentietafel verdeelt. Als India het echt beter doet, moet de confectie misschien naar India, maar zo ver was het nog helemaal niet. Rond 1980 kwamen er bijvoorbeeld machines waarmee je confectie met hele stapels tegelijk kon snijden. Misschien hadden we de concurrentie best aangekund.’ Toch pleit hij niet voor een industriebeleid in de enge zin, door het financieel stimuleren van noodlijdende industrieën. Veel belangrijker is het aan banden leggen van het internationale kapitaalverkeer en het niet langer taboe verklaren van inflatie.
En dat betoog is minder wereldvreemd dan het op het eerste gezicht lijkt, vind hij zelf. Want ook gerenommeerde instituten als de Oeso zijn niet meer overtuigd van de juistheid van het zo lang gepredikte economische recept. 'Het IMF en de Oeso, die de belichaming zijn van de officiële economische doctrine, hebben jarenlang Europa gekritiseerd vanwege de sociale zekerheid, de te grote bescherming op de arbeidsmarkt. Maar afgelopen voorjaar kwam de Oeso met een rapport waarin ze afstand neemt van haar hele ideologie. Ik kan natuurlijk een valse profeet zijn, maar ik zie het begin van een keerpunt.’
PERIODEN VAN diepte-investeringen en van geldmakerij hebben elkaar in de geschiedenis altijd afgewisseld. Na de typische 'Gründerzeit’, zoals de Duitsers dat noemen, van de zeventiende eeuw lag in Nederland in de achttiende eeuw alle nadruk op financieel gewin. Ook na de Tweede Wereldoorlog was er sprake van een 'Gründerzeit’, een fase van diepte-investeringen, een opbouwtijd. Die werd de afgelopen vijftien jaar gevolgd door een typische beleggersmentaliteit, vergelijkbaar met de jaren twintig, dertig. Van der Zwan: 'Het nazisme heeft zich natuurlijk op een hele plompe manier verzet tegen het internationale grootkapitaal. Maar het reageerde daarmee wel op een reëel probleem. En na de oorlog is niet voor niets gekozen voor het aan banden leggen van het internationale kapitaal. Alleen was daar wel een externe vijand voor nodig, het communisme. Dank zij het communisme is er aandacht gekomen voor werkloosheid en ongelijkheid. Er zal wel weer een nieuwe vijand voor nodig zijn om daar echt aandacht voor te krijgen. Wie die vijand is weet ik niet, misschien wel China.’
China?
'Geen militaire vijand maar een economische. Stel je voor dat Europa werkelijk z'n grenzen openstelt voor de industriële produktie uit China, dan word je onder de voet gelopen.’ Hij heeft net een mooi boek gelezen, Against the Tide. 'Over vrijhandel, de belangrijkste doctrine van het huidige tijdgewricht. Het boek laat zien dat vrijhandel helemaal niet zo vanzelfsprekend is. De landen die nu zo voor vrijhandel zijn - Amerika, Japan, Engeland - hebben eerst in alle beslotenheid hun industriële imperia opgebouwd, en vonden daarna dat iedereen zich aan vrijhandel moest onderwerpen. Vrijhandel is een propagandistische slogan. Bij een nieuwe Gründerzeit, en daar pleit ik voor, past heel goed een vorm van protectionisme.’
Het aan banden leggen van kapitaal is gewoon een kwestie van afspraken maken, stelt hij. Afspraken die een jaar of tien geleden nog bestonden. 'Maar toon je er eerst maar voorstander van. Verbreek eerst maar eens de ban. Weet je wat een heel mooi voorbeeld is? John Maynard Keynes. In de jaren twintig was hij groot voorstander van vrijheid en vrijhandel. Maar door de jaren dertig heeft hij zich bekeerd tot het aan banden leggen van kapitaal, tot gematigde protectie, en uiteindelijk werd hij zelfs voorzitter van Bretton Woods. Door ervaring wijs geworden.’
DE SOCIAAL-DEMOCRATIE laat zich lamleggen door de huidige politieke constellatie als onveranderlijk gegeven te beschouwen, vindt Van der Zwan. 'Veranderingen beginnen altijd met duidelijk te zeggen dat je het anders wil. Dan kunnen er weer vonken overspringen. Een van de meest fascinerende dingen in het leven is dat het denken plotseling kan omslaan. Wie de drager wordt van die omslag, weet ik niet. Misschien komt het verzet tegen het ongebreideld liberalisme wel van de echte liberalen in de VVD. Bolkestein is wat betreft Europa heel wat kritischer dan de sociaal-democraten.’
U voelt zich nog steeds socialist.
'Ik voel me niet alleen socialist, ik ben een socialist. Ik ben nooit anders geweest dan een socialist.’
Misschien bent u minder gevoelig voor het liberale gedachtengoed, juist omdat u de ondernemerswereld zo goed kent.
'Ik zie bij veel sociaal-democraten iets van de bekeerling. En bekeerlingen zijn altijd het gevaarlijkst, want die omarmen een beweging het meest kritiekloos. Ik ben altijd werkzaam geweest in verschillende werelden. Dat heeft me misschien iets meer bestand gemaakt tegen de verleidelijkheid van die opvattingen.’ En: 'Ik weet werkelijk niet of de ruimte er is, maar ik zou zo graag willen dat de PvdA zich eens losmaakte van die eeuwige drang om te regeren. Het eeuwenoude probleem van de sociaal-democratie is dat ze zo graag wil regeren en dan kom je nooit tot een goede politieke opstelling. Troelstra zat er al mee in 1916. Toen werden achter zijn rug om Vliegen en Schaper benaderd om toe te treden tot de regering, en die stonden te trappelen.’
Over de potentiële aanhang voor de sociaal-democratie is hij helemaal niet somber. De PvdA hoeft het heus niet alleen te hebben van slachtoffers en altruïsten, zoals vaak wordt beweerd. 'Ook zonder potentieel slachtoffer te zijn wil ik niet leven in een maatschappij die er uitziet als de Amerikaanse. Dat is niet het soort maatschappij waar ik deel van uit wil maken, daar kan ik niets voor voelen, daar kan ik alleen in verblijven en hopen dat het niet te lang duurt. Ik wil deel uitmaken van een maatschappij waarin redelijke verhoudingen heersen, waarin anderen het ook goed hebben. En dat is geen altruïsme.’
De PvdA lijkt geen antwoord te hebben op de internationalisering van de economie.
Van der Zwan grijpt de vraag aan voor iets heel anders. Nu begint het echte mopperen. 'Nee, nee, het gaat veel dieper. Ik heb vaak de term ziekenfondssocialisme gebruikt. Socialisten hebben de neiging om mensen als zielig af te beelden. Vroeger ging het om de sociaal zwakken, nu om de asielzoekers en minderheden. Somaliërs schijnen twee keer per jaar op vakantie te gaan naar Somalië. Maar dat wil niemand weten, want mensen moeten zielig zijn, slachtoffer van de omstandigheden, het Westen heeft nog wat goed te maken. Ook bij Melkert zie je dat. Melkertbanen zijn een uitvinding van een socialist die aan de zieligheid van de mensen werkt. Ik voel me intellectueel meer aangetrokken tot de oude SDAP dan tot de naoorlogse Partij van de Arbeid. Dat medelijden heeft de oude SDAP nooit gehad.’