Dick Schouten, De pleitbezorger

Een literaire pestkop

Dick Schouten

De pleitbezorger

Uitg. Prometheus, 553 blz., € 29,95

Je hebt boeken en bizarre boeken, en de roman De pleitbezorger van Dick Schouten behoort duidelijk tot de tweede categorie. Ruim 550 bladzijden omtrekkende bewegingen en dan weet je nog niet zeker of je alles moet geloven wat zich in de kop van het hoofdpersonage heeft afgespeeld. Laat staan dat je erachter bent gekomen of zijn visie op wat er in een tijdspanne van een paar maanden in Amsterdam en op het eiland Paros in de Aegeïsche zee is gebeurd wel of niet waarschijnlijk is. Moord en deportatie? Chantage? Aanrandingen van meisjes? Alles heeft tot de mogelijkheden behoord, maar dat besef je pas als je het boek dichtslaat en er eens over aan het peinzen slaat.

Richard Wijnings, 46 jaar oud, vertelt op het Griekse Paros in vijftien brieven aan de overleden schrijver Joseph Brodsky wat er een paar maanden geleden in Amsterdam is gebeurd. Bovendien geeft hij een verslag van wat hij op het eiland meemaakt. Wijnings is er in Amsterdam van beschuldigd een meisje van zeventien te hebben aangerand en werkt op het eiland aan zijn verdediging. Hij schrijft een Essay waarin het schip Civilisatie een grote rol speelt en probeert zijn vrouw Nadine van haar sombere buien af te helpen. Vervolgens randt deze pleitbezorger op Paros opnieuw een zeventien jarig meisje aan, dat, geloof het of niet, dezelfde naam draagt als zijn vrouw. En hij raakt steeds meer betrokken bij de machinaties van een bewoner die het hele eiland in zijn macht probeert te krijgen.

Wanneer ik dit zo op een rijtje zet, klinkt het ineens allemaal bijzonder ongeloofwaardig, maar het eigenaardige is dat ik daar tijdens het lezen geen last van heb gehad. Ik begon steeds meer benieuwd te raken naar de belevenissen van deze overdreven uitvoerige brievenschrijver en goedprater van de meest bizarre daden en gedachtewerelden, die bijvoorbeeld onderzoek naar de waardering van gedichten gebruikt om erachter te komen wat de drijfveren van een tegenstander zijn. Ja, ik kreeg er zelfs steeds meer vertrouwen in dat hij weliswaar behoorlijk gestoord, maar toch niet compleet idioot is en af en toe heb ik zitten schateren om de scheefpraat die Schouten ons voor weet te zetten — ook al vroeg ik me vaak genoeg af waar die verhaallijnen allemaal toe dienen. Gaat het om de teloorgang van een rancuneuze halve gare die zich niet meer van zijn hele en halve rationalisaties over zijn rancune en wangedrag weet los te maken? Veel in dit raadselachtige boek wijst daarop. Want dat deze minutieuze, zogenaamd openhartig formulerende held wordt gedreven door een flinke portie rancune, is wel duidelijk. Als iemand hem in Amsterdam een gesubsidieerd reisje naar Córdoba door de neus boort, slaat hij venijnig terug. Steeds meer begin je te vermoeden dat Wijnings erop uit is zijn hele omgeving te manipuleren en te beheersen, ook al probeert hij zich in die brieven aan Brodsky overal uit te praten.

Overigens vind ik die brieventruc goed werken. Schouten grijpt deze vorm aan om het vertrouwen van de lezer voor zijn lichtelijk vreemde held te winnen. Brieven van een ik komen nu eenmaal altijd geloofwaardig over; waarom zou je in brieven liegen? Het is bovendien zeer vermakelijk langzamerhand te beseffen dat Schouten ons lezers het idee probeert aan te praten dat in feite wij de Brodsky zijn aan wie deze brieven zijn gericht.

Ook op Paros slaagt Wijnings erin iedereen tegen zich in het harnas te jagen. Hij beschouwt zo ongeveer al zijn kennissen en vrienden als vijanden, randt dus opnieuw een meisje aan en komt er nog mee weg ook. Die Wijnings is een leugenaar en een kletsmajoor eerste klas, maar Schouten houdt de onzekerheid over zijn held in het hele boek overeind. Is hij toch betrouwbaar? Hebben de anderen het allemaal gedaan? Is zijn echtgenote die hij steevast «mijn liefste» blijft noemen een enge trut? De onzekerheid groeit naarmate je verder doordringt in deze sterk van de gangbare literaire paden afwijkende roman.

Schouten is een literaire pestkop; het hele boek berust op uitstel. Keer op keer belooft de held «binnen een paar minuten» precies uit te leggen wat er dan en dan is gebeurd en keer op keer gaat het toch nog eerst over gebeurtenissen die zich eerder of elders afspeelden. Of hij geeft een uitvoerige beschrijving van de precieze plaats waar hij de brieven aan Brodsky schrijft, wat Schouten weer de gelegenheid geeft de opgewonden sfeer van zo’n vakantie-eiland mooi neer te zetten. Al dat uitstel, dat opgerekt vertellen, heeft zich ook van de zinsbouw van Schouten meester gemaakt. Die zinnen zijn vaak lang en enigszins plechtig van toon, maar soms ook ineens buitengewoon direct en concreet. De hele geschiedenis wordt verteld in uitermate precieus, of liever preciserend proza, in zinnen die zich over de bladzijden verplaatsen als wegen en weggetjes over een stralend zomer eiland, kronkelend vaak, aanstellerig ook, overdreven mooi, op het ironische af, maar altijd met weidse uitzichten en fraaie boompartijen. Zinnen die een broeierige sfeer in stand houden en die niet van plan zijn de oplossing van de raadsels van dit boek dichterbij te brengen.