Een literaire terrorist

Hij noemt zichzelf een ongevaarlijke terrorist. Maar wat had hij er een plezier in om de leden van de stinkend rijke familie Winshaw in zijn roman ‘Het moordende testament’ een voor een de dood in te jagen! Een gesprek met Jonathan Coe. Over, jawel, engagement in de literatuur.

EEN TV-PROGRAMMA als Spitting Image zou niet in Nederland gemaakt kunnen worden. Satire op de contemporaine politiek ligt ons niet zo; we vinden het eigenlijk alleen maar leuk als Kees van Kooten en Wim de Bie het doen, op de van hen bekende schattige en terughoudende toon. Natuurlijk is ook de Nederlandse politiek daar zelf debet aan. Onze bestuurders zijn kleurloos en spreken niet tot de verbeelding. En een echt establishment hebben we niet. Gert-Jan Droges society-show Glamourland liet keer op keer zien dat de Nederlandse upper class bestaat uit een ongeregeld zooitje omhooggevallen, volstrekt stijlloze meneren en mevrouwen, die houterig en zonder enig decorum pogen een hogere klasse te imiteren en zich alleen door hun materiële bezittingen onderscheiden van de rest van de bevolking. Niet door vanzelfsprekende stijl of klasse.
Politieke satire kun je beter aan de Engelsen overlaten. Dat bewijst ook What a Carve Up, de vierde roman van Jonathan Coe (1961), die naast schrijver criticus is voor onder andere The Guardian, The London Review of Books, Times Literary Supplement en Wired. Het is een boek zo Brits als zijn schepper, die tijdens ons gesprek licht-nerveus en schuchter zijn woorden wikt en met dat gezegende Engelse fatsoen tekst en uitleg geeft bij zijn werk. Een echte Engelsman kan zelfs in zijn eentje een queue vormen, volgens mij. En Coe kan dat. Terwijl het halve land onder water staat is hij een paar dagen in de Lage Landen. De Nederlandse vertaling van zijn nieuwe boek is uit, Het moordende testament.
De roman is een scherpe satire op het Engeland van de jaren tachtig. Centraal staat de familie Winshaw, ‘het gemeenste, inhaligste, wreedste stelletje mes-in-de-rugstekers en schofterige centenschrapers dat ooit over het aardoppervlak kroop’. Als schrijver Michael Owen op verzoek van de knettergekke tante Tabitha de officiële biograaf van de familie wordt en hun geschiedenis reconstrueert.De roman is een scherpe satire op het Engeland van de jaren tachtig. Centraal staat de familie Winshaw, 'het gemeenste, inhaligste, wreedste stelletje mes-in-de-rugstekers en schofterige centenschrapers dat ooit over het aardoppervlak kroop’. Als schrijver Michael Owen op verzoek van de knettergekke tante Tabitha de officiële biograaf van de familie wordt en hun geschiedenis reconstrueert, wordt hun ware aard geleidelijk blootgelegd. De jongste Winshaws hebben hoge, invloedrijke posities in het afbrokkelende Engeland van Margaret Thatcher. Stuk voor stuk zijn het onbetrouwbare, meedogenloze en hebzuchtige machtswellustelingen, die elkaar de hand boven het hoofd houden en de familiebelangen ten koste van alles beschermen.
Tegen de achtergrond van de beginnende Golfoorlog dringt Owen steeds verder door in het wespennest op Winshaw Towers. Als klein jongetje werd hij door zijn moeder uit de bioscoop gesleurd, halverwege de film What a Carve Up.t, omdat actrice Shirley Eaton zich begon uit te kleden. De obsessie die hij sindsdien voor die film heeft is de motor achter zijn ultieme wraak op de familie Winshaw. Een voor een worden ze vermoord, op vrij onaangename manieren. Dat dit alles zich slechts in zijn fantasie afspeelt, doet niets af aan de intensiteit van dat einde, een sterk slot van een even sterke roman.
Jonathan Coe heeft een speelse, intelligente vorm gebruikt om het verhaal van de Winshaws te vertellen. In verschillende stijlen laat hij de jongste familieleden spreken, ieder in het eigen jargon. Of het nu een ultrarechtse column van Hillary is of het leeghoofdige kunstgeneuzel van Roddy, Coe zet ze direct scherp neer. Het moordende testament is een bitter-grappige angry satire, met een enorme vaart geschreven en vol verrassende vorm- en compositiekeuzen.
SATIRE IS ZO grappig als zijn slachtoffers spraakmakend. Spitting Image excelleerde bij de gratie van Mrs. Thatcher en de haren. Het politieke Engeland van de jaren tachtig was dan misschien huiveringwekkend conservatief, het had wel een hoge amusementswaarde. Jonathan Coe heeft daar dankbaar gebruik van gemaakt, net als van het eeuwenoude vastgeroeste klassenonderscheid dat het Engelse publiek altijd zo hongerig maakt naar koninklijke schandalen en uitglijdende hooggeplaatsten.
Engeland is een land geworden voor de rijken. Die beschermen elkaar en houden hardnekkig hun eigen klasse in stand. Zolang ze hun macht niet verliezen is alles wel in orde. Er zijn mensen die daar woedend van worden. Jonathan Coe bijvoorbeeld. Ha! Een jonge schrijver!
Coe: 'Nou, ik ben nu… eh, als je eenmaal dertig bent geweest moet je elke keer even nadenken voor je weet hoe oud je ook alweer precies bent. Ik ben vierendertig. Mijn eerste roman publiceerde ik toen ik zesentwintig was, acht jaar geleden, maar nog steeds word ik een “heel jonge schrijver” genoemd. In Engeland ben je een “heel jonge schrijver” tot je vijftigste. Daarna opeens een grand old man of letters. Een tussengebied is er niet.’
Volgens mij heb je ontzettend veel plezier gehad bij het schrijven van 'What a Carve Up! ’. Het is alsof je op een perverse manier werd aangetrokken door de familie Winshaw.
'Inderdaad. Mensen die het kwade doen zijn aantrekkelijk, ze roepen altijd een vreemd soort bewondering op. Van de Winshaws wilde ik klassieke, archetypische booswichten maken. Ik heb ze opzettelijk tweedimensionaal gelaten in hun machtswellust, hun gecorrumpeerdheid, hun onbetrouwbaarheid. Ze zijn larger than life, niet echt realistisch. Maar van politici en mediafiguren, de mensen die we op tv zien en over wie we in de krant lezen, kan ik ook nooit geloven dat het echte mensen zijn.’
Hoe tweedimensionaal ook, ze zijn erg grappig. Alles wat ze doen is 'over the top ’.
'Zo was het onder Thatcher. Tegenwoordig is de politiek in Engeland vreselijk saai. John Major… Wie kan er in hemelsnaam opgewonden raken van John Major? Terwijl Margaret Thatcher, Arthur Scargill en Robert Maxwell geweldige personages waren.
De familie Winshaw is een metafoor voor al die verschillende netwerken van verstrengelde belangen. Complexe en onzichtbare netwerken die het Britse establishment doordringen. De Engelse samenleving is nog steeds gebaseerd op dingen als loyaliteit aan je klasse, je familie, de mensen met wie je op
school zat, op de universiteit. En Oxbridge speelt er een centrale rol in. Iedereen die een belangrijke positie heeft, ook in de media, heeft een Oxbridge-achtergrond.
De Winshaws helpen elkaar omdat ze elkaar aardig vinden, dezelfde interesses hebben. Zo werkt het establishment. Ze zijn ook niet slim. Ze zijn geworden wat ze zijn door de juiste mensen te kennen. Ze zijn sluw, niet intelligent. Thatcher is in dit opzicht ook weer een interessant geval. Niemand heeft minder verbeeldingskracht dan zij. Dat was ook het probleem van haar beleid: ze kon zich niet voorstellen wat het was om arm te zijn. Om unmotivated te zijn. Om niet ambitieus te zijn. Ze was slim in de zin dat ze ongelooflijke hoeveelheden informatie kon onthouden. Over elk onderwerp wist ze veel. Maar dat is niet mijn definitie van intelligent zijn. Ik denk dat je fantasierijk moet zijn om intelligent te zijn. Ook de Winshaws hebben geen verbeeldingskracht.’
Toch word je door ze aangetrokken?
'Henry Winshaw, de politicus van de familie, lijkt Thatcher vrij goed te kennen. Hij wordt zelfs op een rare manier seksueel tot haar aangetrokken. Als je nu de memoires leest van Thatchers collega’s in haar kabinetten, zie je dat dat helemaal niet zo merkwaardig is. Er heeft altijd een seksuele onderstroom bestaan in de verhouding tussen Thatcher en haar mannelijke collega’s. Kan jij je dat voorstellen?’
Hm… 'Ze is aantrekkelijk omdat ze macht heeft. Veel mensen worden aangetrokken door macht. Door een sterke wil. Vastbeslotenheid.’
ZIE JE JEZELF als een politiek geëngageerd schrijver?
'Ik ben geen lid van een politieke partij. Nu en dan loop ik mee in een demonstratie waarvan het doel me aanstaat. Politiek bewust ben ik zeker, maar dat is voor mij als schrijver niet zo belangrijk. Wel belangrijk is dat ik zeer betrokken ben bij het hedendaagse leven, de wereld van nu. Ik zal nooit een historische roman schrijven. Of fantasy.
In Engeland was het de laatste vijftien jaar zo dat betrokkenheid bij het hedendaagse leven vanzelf een politiek engagement inhield. Want de politiek van Thatcher was overal.
Voor die tijd hadden we verschillende regeringen die in de grond hetzelfde waren. Toen, in 1979, kwam zij plotseling. We hebben er Jaren over gedaan om ons te realiseren what it was that had hit us. Een regelrechte schok.
Engeland is de laatste vijftien jaar dus een heel politiek land geworden. En iemand die schrijft over deze tijd kan de politiek er niet buiten laten.’
Engeland staat er op het moment niet echt florissant voor. Hoe is het leven daar voor jou?
'Voor iemand als ik, een schrijver die redelijk goed wordt betaald voor wat hij doet gaat het wel. Het is niet meteen alsof je in Oost-Europa woont of zo. Maar de afbrokkeling van de sociale infrastructuur gaat steeds verder en tast meer en meer delen van de samenleving aan. Het begint inmiddels ook de middle classes te raken. Voor middle classmensen wordt het steeds moeilijker om een goede ziekenhuisbehandeling te krijgen, een goede opleiding voor hun kinderen, of om met de trein ergens naartoe te gaan. Alles wordt duurder. Langzamerhand zie je de ontevredenheid ook in die klasse groter worden.In Engeland bepaalt de middle class wie aan de macht komt. Elke regering is afhankelijk van hun stemmen. John Major is die steun kwijtgeraakt. Ik verwacht dus dat hij binnen een paar jaar verdwenen zal zijn en dat Labour het zal overnemen. Ik denk alleen niet dat het veel verschil zal uitmaken, want hun ideeen lijken tegenwoordig veel op de zijne.’
Er is een radicale verandering nodig?
'Ja, die is zeker nodig. Maar die zal er niet komen. Hoe je weer moet opbouwen wat vijftien jaar Thatcher heeft afgebroken, weet ik niet. Noch waar het geld vandaan moet komen. Moeilijk.’
Deze tijd lijkt om engagement te vragen, met name in Engeland. Voel jij enige druk in dat opzicht?
'Ik wil hedendaagse romans schrijven. Dat is geen keuze, dat type boek ligt mij het meest. Mijn plicht, mijn taak gaat in principe niet verder dan mijn boeken schrijven. Die zijn of wel of niet goed.
In Engeland worden meningen van schrijvers overigens in het geheel niet gewaardeerd en eerder als grap beschouwd. Dat komt voor een deel ook weer door Thatcher. Zij haatte schrijvers en zag niet in welke nuttige bijdrage zij aan het land konden leveren. Schrijvers brengen namelijk geen geld binnen. En geld was haar enige middel om waarde te meten.’
Dat deed Plato toch ook al, schrijvers en dichters op een lager niveau plaatsen dan de anderen?
'Van hem mochten ze de Republiek niet in. Maar ik weet zeker dat Thatcher nog nooit van Plato heeft gehoord.’
WHAT A CARVE UP! wordt grofweg op twee manieren gewaardeerd. Aan de ene kant om zijn politieke lading, dan heet het 'polemisch’, 'een ontmaskering van het Britse establishment’ en 'boos’. Aan de andere kant is er lof voor de 'behendige verteltrucs’ en spreekt men van 'een subtiel opgebouwde collage van teksten-in-teksten’. Dat is laten we zeggen de postmoderne kant van de roman. Hoe verhouden die twee zich volgens Coe tot elkaar?
Coe: 'Eerst was er de politiek. In eerste instantie wilde ik schrijven over mensen als de Winshaws en verslag doen van wat er in de afgelopen tien jaar in Engeland is gebeurd. We hebben een zeer kort geheugen wat politiek betreft. De Falkland-oorlog is allang weer vergeten; die was tien jaar geleden. Dus de oorspronkelijke impuls om dit boek te schrijven was een politieke.
De Engelse politieke romans die ik heb gelezen vind ik niet zo goed. Eigenlijk vooral saai, dat is het grootste probleem. Het zijn romans vol wanhoop, vol mensen die aan inertie lijden. What a Carve Up! mocht dat niet hebben. Wie eraan begon, moest het ook uitlezen. Ik wilde dat lezers zich zouden amuseren.’
En uiteindelijk ontstond er een symbiose tussen een politieke roman en een postmoderne roman?
Dat is een goede beschrijving. Ik hou van die postmoderne technieken, ze zijn fascinerend. Het idee een collage van stijlen te maken en populaire cultuur en high culture te mengen, spreekt me erg aan. Maar een groot deel van de postmoderne literatuur en de postmoderne kunst is erg frivool. Alles wordt als een spel beschouwd. Taal is een spel. Kunst is een spel. Het leven zelf is een spel. Dat vind ik een beetje onverantwoordelijk. Ik wilde postmoderne technieken gebruiken voor een serieus politiek boek. De verteltrucs en de humor stonden in dienst, heel duidelijk, van de politieke lading.’
Ik moest af en toe denken aan een andere 'heel jonge’ Engelse schrijver, Michael Bracewell. Hij gaf eens een lezing in Amsterdam, over onder andere het postmodernisme. Hij zei: 'Flaubert, Toergenjev, Scott Fitzgerald, Svevo en Cide, de echte vertellers, zijn de schrijvers die me iets over mijn leven zeggen. ’
En: 'Over de postmoderne samenleving schrijven kan volgens mij alleen maar op een naturalistische manier. ’ Hoe denk jij daarover?
'Ik ben nog nooit een bevredigende definitie van het postmodernisme tegengekomen. Ik denk dat postmodernisme gezien moet
worden als een techniek, een van de vele technieken die een schrijver ter beschikking staan. En ik ben het geheel met Bracewell eens dat de grote romans realistisch zijn.
De roman zou een poging moeten zijn de werkelijkheid te beschrijven of over te brengen. Uiteindelijk zou ik zeggen dat What a Carve Up! een volkomen realistisch boek is over Engeland tussen 1980 en 1990 of zo. Ik heb postmoderne technieken gebruikt om een meer realistisch gevoel over te brengen met betrekking tot de manier waarop de media en de tv ons leven beïnvloeden. Dit boek is absoluut geen spelletje of een stijloefening. Het is een realistische roman.’
HOE IS HET literaire klimaat in Engeland ?
'In Engeland geven we niet zoveel om onze schrijvers. Het Britse publiek leest niet veel literatuur. Ze lezen Jackie Collins, John Grisham en biografieen van de royal family. ’
Was het tien jaar geleden beter?
'Ik denk dat het nu beter is. De allerslechtste periode van de Britse literatuur waren de jaren zestig en zeventig, toen er nauwelijks vernieuwende, interessante auteurs waren. De romans uit die tijd zijn vergeten. In de jaren tachtig werd het weer wat beter, met Salman Rushdie, lan McEwan, Martin Amis, Julian Barnes, al die mensen.’
Wat vind jij van je grote landgenoten als Amis en Barnes?
'Eerlijk gezegd heb ik niet zo veel van ze gelezen. Als kind en als tiener las ik weinig. Ik keek veel tv. Ik ben van de generatie die voor het eerst wegliep met Monty Python. Dat is een invloed die je in What a Carve Up! goed kunt zien.
Ik herinner me dat ik naar een Monty-Pythonfilm ging op mijn tiende. De helft begreep ik niet. Maar er was iets in de manier waarop ze de parodie gebruikten, hun eigen medium als het ware deconstrueerden, spelletjes deden met filmstijlen, dat me erg aantrok. Toen ik ontdekte dat er ook schrijvers waren die dat deden, zoals Sterne en O'Brien, begon ik warm te lopen voor literatuur. Ik realiseerde me dat je die dingen ook met een roman kon doen.’
Mensen herkennen in 'What a Carve Up!’ duidelijk woede. Voelde je echt woede toen je hem schreef?
'Ja. Ik was heel boos. Nog steeds ben ik kwaad over een hoop dingen die in mijn land gebeuren. Maar ik ben niet iemand die op de tafel slaat en vreselijk opgefokt gaat doen over van alles. Schrijven was een goede uitlaatklep voor mijn woede, voor als het me teveel werd. What a Carve Up! is een boos boek, maar we worden allemaal kwaad over onrechtvaardigheid. Je leert leven met woede, zonder dat het je dagelijks bestaan beïnvloedt of andere dingen in de weg gaat zitten.’
Sommige mensen worden uit woede terrorist.
'Dat is een mentaliteit die ik niet kan begrijpen. Ik prijs me gelukkig dat ik het schrijven heb om mijn boosheid te kanaliseren. Wat zou ik anders moeten doen? Me bij een politieke partij aansluiten? Speeches geven?’
Je was kwaad genoeg op alle Winshawx van de wereld om deze angry satire te schrijven. Hoe bevredigend was dat?
'Over de eerste 450 pagina’s heb ik ongeveer twee jaar gedaan. Toen ik alle Winshaws bij elkaar had gebracht, op Winshaw Towers, pakte ik ze allemaal in drie weken. Ik schreef negen uur per dag en had er ongelooflijk veel plezier in. Een catharsis. Men zegt dat het ook zo voelt om het te lezen. Alle opgekropte woede komt vrij als die bastards hun verdiende loon krijgen.
Ik voelde me soort literaire terrorist toen ik merkte dat ik erop uit was ze allemaal te vermoorden. De wraak die ik op die manier nam was heel bevredigend. Ik vermoed dus dat ik wel degelijk gewelddadige neigingen heb, maar ze op een ongevaarlijke manier uit, in de vorm van dit boek. Ik ben een ongevaarlijke terrorist.’