Profiel: George Robertson

Een Lord in spagaat

Vorige week tekenden in Praag Letland, Estland, Litouwen, Slowakije, Slovenië, Bulgarije en Roemenië het Navo-verdrag. In 1997 werden reeds Polen, Hongarije en Tsjechië verwelkomd. Daarmee heeft de alliantie heel Midden-Europa en een groot deel van Oost-Europa binnengehaald, en heeft ze zich ferm verankerd op de Balkan. Ook Kroatië, Macedonië en Albanië begeren het lidmaatschap. In Praag werd ook besloten tot de oprichting van een snelle Navo-reactiemacht, die overal ter wereld moet kunnen worden ingezet. De top van Praag was het op één na grootste succes van George Robertson, Lord van Port Ellen, secretaris-generaal van de Navo.

Op een tafeltje in zijn Brusselse hoofdkwartier ligt een brok beton uit het puin van het Pentagon. Zo houdt Robertson de herinnering levend aan de aanslagen van 11 september 2001. Die gaven het militaire bondgenootschap in één klap weer bestaansrecht. Het aangrijpen van de gelegenheid de Navo opnieuw uit te vinden, is zijn grootste succes.

Na het einde van de Koude Oorlog raakte de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie in een identiteitscrisis. De gemeenschappelijke vijand was verdwenen en de grote, staande legers werden met hele tankbrigades tegelijk ingekrompen. Gretig werd het vredesdividend geïnd; de defensiebudgetten smolten als sneeuw voor de zon. De Navo liep op de laatste benen. De aanslagen joegen de Navo-leden uit hun bunkers. Ze moesten wel: Robertson oefende grote druk op hen uit om in te stemmen met het van toepassing verklaren van het beruchte artikel 5 van het verdrag van Washington: een aanval op één is een aanval op allen.

Belangrijke Navo-beslissingen worden met unanimiteit genomen door de Noord-Atlantische Raad, waarin de stem van alle lidstaten even zwaar telt. Negentien waren dat er. Nu zijn het er 26. Dat maakt het inzetten van Navo-troepen geen gemakkelijke opgave.

George Robertson heeft naar eigen zeggen geen moeite met het zoeken naar consensus. In een interview dat NRC Handelsblad onlangs afdrukte, zei hij: «Consensus bereiken kan zwaar zijn, maar enorm lonend als je het krijgt.» Daarmee verwees hij naar zijn masterpiece: al een dag na de aanslagen was de aanval op één een aanval op allen.

Michiel Patijn, vlak voor 11 september benoemd tot Nederlands Navo-ambassadeur, heeft het geweten. Hij vroeg, evenals Duitsland, België en Luxemburg, twee uur respijt om met de regering te overleggen over artikel 5. Die tijd werd hem niet gegund. Patijn deed zijn beklag, en meldde ook bij nieuwe, ingrijpende besluiten niet heen te kunnen om ruggespraak met zijn regering. Maar begin oktober werd hij opnieuw geschoffeerd. Ditmaal vroeg Robertson instemming van de leden met een verklaring dat de aanslagen op de VS van buitenaf afkomstig waren. Patijns verzoek om tijd ter bestudering van het bewijsmateriaal werd door de secretaris-generaal geweigerd.

George Robertson is beetje een bullebak.

Lord George Robertson van Port Ellen trad in oktober 1999 aan als tiende secretaris-generaal van het bondgenootschap. De adellijke titel kreeg hij vlak voor zijn gang naar Brussel opgeprikt door de Britse premier Tony Blair.

Robertson trof bij zijn intocht in Brussel een moeizaam fungerend bondgenootschap aan. Geen missie, geen puf, geen budget. Drie maanden eerder was een eind gekomen aan de bombardementscampagne boven Joegoslavië, die het bondgenootschap bijna spleet. De Fransen, de Grieken, de Italianen en de Duitsers hadden hun bedenkingen. Het duurde 78 dagen voordat de Joegoslavische president Milosevic de handdoek in de ring gooide, en de vluchtelingenstroom uit Kosovo zwol vanaf het begin van de bombardementen alleen maar aan.

Lord Robertson nam zich voor het bondgenootschap uit het slop te trekken. Nieuwe missie, nieuw elan, meer middelen. Na zijn aantreden zwengelde hij de discussie aan over het verdragsgebied. Volgens Robertson moest de alliantie zich voorbereiden op inzet buiten Europa. Voorheen was dat een taboe, maar wie tegenwoordig in het hoofdkwartier te Brussel aan diplomaten vraagt naar de geografische grenzen van het operatiegebied, krijgt verbaasde blikken. Die grenzen zijn er in principe niet meer. Zeker sinds de Navo zich middels artikel 5 heeft gecommitteerd aan de Amerikaanse oorlog tegen het wereldwijde terrorisme.

Robertsons meesterproef kwam al snel na zijn aantreden. In 2000 gleed Macedonië in rap tempo een burgeroorlog binnen. Robertson deinsde er niet voor terug de Navo-strategie volledig om te gooien: de Albanese guerrillastrijders werden niet langer gezien als bondgenoten, maar kregen het stempel «terroristen» opgeplakt. De Lord deed de sluwste zet die op dat moment mogelijk was: hij nodigde het Servische leger uit om orde op zaken te stellen in het aan Macedonië grenzende Zuid-Servië, waar óók een Albanese guerrillagroep was opgestaan. Dat het Servische leger maanden eerder nog de vijand was, deed er niet toe. Milosevic was inmiddels van het toneel verdwenen en in Kosovo hadden de Servische strijders tot schaamte van de Navo aangetoond hoe doeltreffend contraguerrillatechnieken waren. Tegen zoveel internationale vijandschap konden de Albanezen niet op. Macedonië werd behoed voor een burgeroorlog. Ter ontwapening en stabilisatie werd in Macedonië, zoals in Kosovo en Bosnië, een Navo-macht gelegerd.

Een ander gedenkwaardig moment betrof de ophef over munitie met verarmd uranium, veelvuldig gebruikt boven Kosovo, die het geheimzinnige «Balkansyndroom» (een reeks ernstige gezondheidsklachten) zou veroorzaken. Op een speciale persconferentie smeekte Robertson de pers: «Ik vraag het u met aandrang, met passie, kijk alstublieft naar de feiten over de wapens met verarmd uranium.»

Zijn smeekbede was begrijpelijk: er deden allerlei indianenverhalen de ronde die de paniek alleen maar groter maakten. Toch hadden zijn woorden met hoongelach moeten worden ontvangen. Want als het hem uitkomt, houdt Robertson zelf zich mijlenver van welk feit dan ook. Tijdens de bombardementen op Joegoslavië was hij minister van Defensie van Groot-Brittannië. Hij ontpopte zich als een havik, die dwars tegen de terughoudendheid van de Navo-partners en de aarzelingen van de Amerikanen in pleitte voor een grootscheepse grondoorlog. Het zou een bloedbad zijn geworden. In een kennelijke poging de geesten rijp te maken, stuurde hij alarmerende berichten de wereld in, die later louter propaganda bleken. Mladic en Arkan zouden in Kosovo op grote schaal aan het moorden en verkrachten zijn. De lijken werden opgestapeld voor het ziekenhuis van Pristina. Servische geregelde eenheden zouden hele dorpen in de as leggen en de bevolking uitmoorden. In Kosovo hebben oorlogsmisdaden plaatsgevonden, maar niet op de schaal die Robertson het publiek inpeperde. Mladic heeft zich er niet vertoond, en Arkan verscheen op televisie om aan te tonen dat hij in Belgrado zat.

George Islay MacNeill Robertson (1946, Port Ellen) wordt soms mild spottend «de machtigste Schot ter wereld» genoemd. Hij is trots op zijn afkomst. Schotten zijn doortastend, zegt hij tegen iedereen die het horen wil. Op zijn geboorte-eiland hield hij zich intensief bezig met de whiskycultuur. Zijn eerste volwaardige baan kreeg hij bij een vakbond van whiskystokers. Robertson zal nooit ontkennen dat hij van een goede slok houdt.

Robertson heeft een onverbrekelijke band met orde en gezag. Hij stamt uit een geslacht van politieagenten, en kwam ter wereld in het politiebureau waar zijn vader werkte. Met regelmaat benadrukt hij dat het hem erom te doen is de wereld veiliger te maken. «De burgers in het bondgenootschap beschermen en zorgen dat de alliantie belangrijk blijft», zei hij in NRC. Robertson weet waar hij over praat. Geweld en terreur zijn hem in zijn persoonlijk leven niet bespaard gebleven. In 1996 schoot een gestoorde man zestien kinderen dood op de lagere school in Dunblane, waar ook zijn drie kinderen les kregen. Ze kwamen er goed vanaf. Robertson beschouwt dat als een van de wonderen in zijn leven. En twintig jaar geleden ontsnapte hij zelf aan de dood toen zijn auto van de weg werd gereden door een landrover van de marine, die ironisch genoeg jaren later onder zijn politieke verantwoordelijkheid zou vallen. Robertson draagt een foto van het wrak met zich mee. In zware tijden haalt hij die te voorschijn. «Als ik depressief word van de politiek of de pers, bedenk ik dat het een heel stuk slechter had kunnen worden», vertrouwde hij de BBC toe.

Zijn benoeming tot secretaris-generaal van de Navo was ongetwijfeld een beloning van Washington aan de trouwe Britse bondgenoot. Maar een vazal van de Verenigde Staten, zoals vaak wordt gesuggereerd, is Lord Robertson zeker niet. In de VS wordt hij soms met argusogen bekeken omdat hij te veel begrip zou tonen voor de Europeanen binnen de Navo. Op het Europese continent wordt zijn grote nadruk op de band met Washington nu en dan met gefronste wenkbrauwen beantwoord.

Lord Robertson verkeert in een permanente spagaat. Hij is zowel overtuigd Atlanticus als enthousiast Europeaan: een logische opstelling. Zonder de Amerikaanse slagkracht heeft de Navo op dit moment weinig te betekenen. Maar de traditionele Britse neiging zich van het Europese vasteland af te wenden, zou op termijn funest zijn.

«Het is moderniseren of gemarginaliseerd worden», hield Robertson de Europese Navo-landen voor. Hij is ervan overtuigd dat de Europeanen zullen blijven steken in gemok over de unilaterale opstelling van de VS, die sinds de aanslagen in New York en Washington manifest is geworden, als ze niets doen aan hun militaire achterstand. «Zonder militaire slagkracht geen politieke invloed.» Volgens Robertson is Europa «een militaire pygmee». Er wordt geïnvesteerd in de verkeerde wapensystemen en er is te veel overlapping van militaire capaciteit. «Geldverspilling», stelde hij.

Als Lord Robertson niet voortijdig uit zijn spagaat scheurt, zou zijn opstelling grote gevolgen kunnen hebben. Zijn gehamer op het verhogen van de defensiebudgetten van de Europese Navo-partners en zijn inspanningen om de lidstaten minder afhankelijk te maken van Amerikaanse technologie, maakt de rol van de Verenigde Staten binnen het bondgenootschap uiteindelijk minder dwingend.

Het naast elkaar bestaan van twee snelle interventiemachten, die van de Navo en die van de EU, is waarschijnlijk een tijdelijk fenomeen. Robertson wordt niet moe te benadrukken dat de twee gelegenheidskrijgsmachten een complementaire rol hebben. De Navo-macht van 21.000 manschappen moet in luttele dagen ontplooid kunnen worden en enkele weken op eigen houtje kunnen vechten totdat versterkingen arriveren. Die zouden best eens kunnen komen van de EU-macht van zestigduizend man, die een aanzienlijk langere mobilisatietijd kent.

Volgens William Pfaff, commentator van de International Herald Tribune, heeft het Pentagon de snel inzetbare Navo-macht erdoor gedrukt om Europese troepen te kunnen gebruiken als «een vreemdelingenlegioen» dat vecht voor Amerikaanse belangen. Maar in theorie heeft Europa betere kaarten dan de VS. Meer militairen (twee miljoen in totaal, een half miljoen meer dan de VS), een grotere bevolking, een grotere binnenlandse markt, een veel grotere overzeese export en een nauwelijks kleiner Bruto Nationaal Produkt. Bovendien neemt de organisatiegraad van Europa gestaag toe — de Europese Unie breidt uit, de Navo stroomt vol met Europese naties en onder de Navo-paraplu is een breed scala aan militaire «partnerschappen voor de vrede» gesloten met Europese staten die (nog) niet tot het bondgenootschap of de Unie zijn toegetreden.

Binnen Europees verband raken de krijgsmachten steeds beter op elkaar afgestemd. Als Robertsons inspanningen slagen, zullen samenwerkende Europese krijgsmachten in de nabije toekomst onder meer beschikken over tal van vliegtuigen vol geavanceerde technologie. Dat maakt hen veel minder afhankelijk van Amerikaanse technologie en vuurkracht. Op de top in Praag heeft Robertson de Navo-leiders letterlijk laten tekenen voor het dichten van de grootste gaten. Tot vreugde van president Bush en zijn minister van Defensie Rumsfeld. Want, zo redeneren zij, met een slap, inefficiënt en bij elkaar geraapt zooitje Navo-troepen is het moeilijk een «oorlog tegen het terrorisme» te voeren, een oorlog die de economie van de Verenigde Staten zou opblazen als ze hem moederziel alleen zouden moeten uitvechten.

Maar de Europeanen worden steeds zelfbewuster. Daarvan getuigt onder meer de stugge Duitse weigering militaire bijstand te verlenen voor een oorlog tegen Irak, in welk verband dan ook. Er is een neveneffect: hoe gelijkwaardiger de Europese en Amerikaanse strijdmachten worden, hoe minder voor de hand liggend samenwerking en wederzijdse bijstand zijn.

Als de Lord zowel de VS als de overige Navo-partners tevreden wil blijven stellen, zal hij zijn spagaathouding onmogelijk kunnen verlaten. Het brokje Pentagon op zijn Brusselse salontafel zou hem op termijn wel eens aan méér kunnen herinneren dan de wedergeboorte van de Navo alleen. Het zou een pijnlijke aanblik kunnen worden, die hem wijst op vlammende pijnscheuten in de lendenen.