Een luie dictator

HET DERDE RIJK blijft een bron van controversen en emotionele debatten. Zo woedt momenteel in Duitsland een discussie naar aanleiding van een rede van Martin Walser, en dat terwijl men daar nauwelijks bekomen is van het twee jaar geleden gevoerde Goldhagen-debat. Tien jaar daarvoor was er de Historikerstreit geweest. In al deze discussies spelen de begrippen ‘schuld’ en ‘normalisering’ van de Duitse geschiedenis een grote rol. Het zijn in de eerste plaats morele debatten.

Een debat dat weliswaar een sterke morele lading bezat, maar tegelijkertijd vanuit het perspectief van de geschiedwetenschap veel wezenlijker was, was de controverse, eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, tussen de zogenaamde ‘intentionalisten’ en de 'structuralisten’. Het ging daarbij om het karakter van het Derde Rijk in het algemeen, en in het bijzonder om de oorzaken van de moord op de joden. Volgens de intentionalisten was het Derde Rijk de creatie van Hitler, en was het van het begin af aan zijn intentie geweest om de joden uit te roeien. De structuralisten daarentegen waren van mening dat het Derde Rijk helemaal niet zo'n perfect georganiseerde, vanuit een centraal punt gedirigeerde staat was geweest. De nazi-staat was een enorme jungle geweest, waarin tal van organisaties en bureaucratieën elkaar beconcurreerden. De genocide op de joden was volgens de structuralisten het resultaat geweest van een zogenaamde 'cumulatieve radicalisatie’, waarbij allerlei instanties probeerden hun macht uit te breiden door nog roomser te zijn dan de paus en Hitlers jodenhaat om te zetten in concreet beleid.
Terwijl de analysen van de intentionalisten begonnen en eindigden bij Hitler, verdween de Führer in de verhalen van de structuralisten vrijwel uit beeld. Volgens een van de belangrijkste onder hen, Hans Mommsen, was Hitler een 'zwakke dictator’, die nauwelijks greep had op de gebeurtenissen. Hitler was eigenlijk al tijdens het Derde Rijk niet veel meer dan een mythe, die gebruikt werd om de massa’s te enthousiasmeren voor een politiek die het resultaat was van een concurrentiestrijd tussen verschillende machtselites. Een van die structuralisten was de Engelse historicus Ian Kershaw, die een diepgravende studie schreef over de ontwikkeling en het functioneren van die Hitler-mythe.
Omdat niet de man, maar zijn image van belang was, keken de meeste structuralisten met dédain neer op de talloze Hitler-biografieën. Het was dan ook vrij opmerkelijk dat uitgerekend een gepokte en gemazelde structuralist als Kershaw onlangs met het eerste deel van een zeer omvangrijke Hitler-biografie kwam. De in Sheffield docerende en in Manchester wonende Kershaw beschrijft in zijn voorwoord hoe hij zich ontwikkelde van een puur structuralistisch historicus tot een biograaf. Na intensieve analyse van de machtsmechanismen van het Derde Rijk komt men immers toch steeds weer uit bij die ene man die de verpersoonlijking van dat regime was. Een intentionalist is Kershaw echter niet geworden, daarvoor besteedt hij te veel aandacht aan de politieke en maatschappelijke context. Uiteindelijk blijft hij een structuralist, maar dan een die het zwakke punt van deze historische school wilde overwinnen.
Kershaw: 'Dat is correct. Dit boek is een poging tot synthese, maar ik begon altijd met de vraag: hoe kon dit of dat gebeuren, terwijl Hitler relatief weinig deed. Intentionalisten vragen altijd: wat deed Hitler, en waarom deed hij dat? Het is dus inderdaad, uiteindelijk, een structuralistische biografie van Hitler. Hitler verklaart Hitler niet, dus je moet kijken naar de andere krachten die een rol speelden.’
VROEGERE BIOGRAFEN hebben Hitler altijd beschreven als de verpersoonlijking van de 'Wille zur Macht’, de geobsedeerde en overtuigde profeet, die meedogenloos een van tevoren ontworpen route naar de macht volgde. In uw boek komt zo'n Hitler niet voor. Hij is volgens u een man vol twijfels, een besluiteloze man, die door de omstandigheden gedwongen wordt te handelen. Hij profiteert meer van de macht dan dat hij er de architect van is. Volgens mij maakt hem dat meer menselijk, lijkt hij daardoor meer op onszelf. Een Wagner-achtige held begrijpen we immers niet echt. Bent u er al van beschuldigd hem te menselijk te maken?
'Nee, dat is nog niet gebeurd. De reacties in Duitsland, waar dit verwijt verwacht mocht worden, waren overweldigend positief. Wat ik heb geprobeerd is, op een bepaalde manier, Hitler te “normaliseren”, overigens zonder apologetische tendens. Het is in feite veel meer een poging Hitler te “ontmythologiseren”. Het is een poging om te bekijken hoe dit individu kon profiteren van allerlei ontwikkelingen waar hij eigenlijk helemaal geen greep op had. Ik heb mijn uiterste best gedaan om Hitler te portretteren als een product van zijn tijd. Natuurlijk is iedere politicus een product van zijn tijd, maar voor Hitler gold dat veel sterker dan voor bijvoorbeeld Roosevelt of Churchill. Als je Hitler probeert voor te stellen als leider van Duitsland voor 1914, dan is dat absoluut ondenkbaar. Hetzelfde geldt voor een Hitler die moest opereren in een naoorlogse context. In dat opzicht zijn het zeer specifieke omstandigheden die hem mogelijk hebben gemaakt. Dat is één argument van mij, maar het tweede is, en dat is geen contradictie, dat Hitler absoluut onvervangbaar was. Als je kijkt naar de cruciale beslissingen, dan zijn die door Hitler genomen. Waartoe Hitler in staat was, veel meer dan bijvoorbeeld een Gregor Strasser of een Hermann Goering, was het ontketenen van allerlei krachten, die zich ontwikkelden in een richting waar hij het mee eens was. Zonder hem waren heel veel dingen heel anders gelopen.
Het is natuurlijk pure speculatie, maar zonder Hitler zou het regime waarschijnlijk erg onplezierig zijn geweest, een fascistische dictatuur met sterk conservatieve trekken. Zou er echter een ongebreidelde SS-politiestaat zijn geweest? Waarschijnlijk niet in die mate zoals nu het geval was. Zou er met een andere nationalistische leider een algehele Europese oorlog zijn gekomen? Vermoedelijk niet. Goering wilde het in ieder geval niet. Zou er zonder Hitler een genocide op de joden zijn geweest? Vermoedelijk niet. Discriminatie tegen de joden? Absoluut! Maar geen genocide. In deze opzichten was Hitler beslist “onmisbaar”, of onvervangbaar. Maar toen hij deze beslissingen nam, was hij ook in de positie om die beslissingen te nemen. En om dat te begrijpen, moet je verder gaan dan alleen Hitlers intenties en verlangens. Mijn derde invalshoek - na sociale en politieke context en zijn onvervangbaar zijn - is daarom de Hitler-mythe. Die mythe was in veel opzichten minstens even belangrijk als de werkelijke impact van de persoon Hitler. Het gaat er dus om om uit te zoeken hoe deze man in de positie kwam om deze enorme macht uit te oefenen.’
STRUCTURALISTEN concentreren zich doorgaans alleen op de interne machtsverhoudingen en allerlei andere onpersoonlijke krachten. In hun verhaal speelt Hitlers ideologie een zeer ondergeschikte rol. U neemt de man en zijn denkbeelden veel serieuzer.
'Het is onzin om te ontkennen dat Hitler een ideologie had. Hij was een ideoloog én een propagandist én een opportunist. Wat ik probeer is aangeven dat hij gedreven werd door zijn eigen visioen. Maar dat visioen was het product van een geleidelijke ontwikkeling, dat was er niet vanaf het begin in de vorm die het uiteindelijk aannam. Bovendien bestond dat visoen alleen uit langetermijndoelen, die op verschillende wijze geïnterpreteerd konden worden. Hitlers “ideologie” bestond slechts uit een drietal basiselementen. Allereerst was daar de verwijdering van de joden, waarbij verschillende interpretaties mogelijk waren. Vanaf het midden van de jaren twintig kwam daar nog bij het verwerven van Lebensraum. Tot slot was daar nog de notie van “het leven als strijd”, wat voor de mens werd vertaald als “leven is rassenstrijd”. Deze drie globale ideeën laten zo veel verschillende interpretaties toe dat je ze niet kunt beschouwen als duidelijke politieke intenties.’
Wat de notie van 'Lebensraum’ betreft, een van uw leermeesters, Martin Broszat, was van mening dat dit niet meer was dan een metafoor voor 'ongebreidelde politieke mobilisatie’.
'Ik geloof niet dat Broszat, naast Mommsen mijn belangrijkste leermeester, op dit punt gelijk had. Als hij zegt dat Lebensraum niet meer was dan een ideologische metafoor, dan heeft hij gelijk als je uitsluitend kijkt naar de functie van zo'n begrip. Het werkte inderdaad als een vehikel om allerlei politieke initiatieven te lanceren. Maar voor Hitler zelf was het veel meer dan een metafoor, hij meende het echt! Wel is het zo dat het begrip op verschillende manieren gebruikt kon worden, onder andere om steeds weer verschillende groepen aan te spreken. Hetzelfde geldt voor “verwijdering van de joden”. Wat dat betreft had Broszat wel gelijk, maar in feite is de term “ideologische metafoor” een beetje ongelukkig gekozen, omdat het suggereert dat het begrip Lebensraum geen substantiële inhoud had.’
CENTRAAL IN HET ook door u gehanteerde concept van de 'cumulatieve radicalisatie’ staat de rol die allerlei lokale groeperingen en ambtelijke apparaten hebben gespeeld. In hun ambitie en machtswellust trachtten zij 'dem Führer entgegen zu arbeiten’, te anticiperen op wat Hitler graag zou willen. Maar was het echt alleen ambitie? Speelde ook niet, zoals Goldhagen beweert, het antisemitisme een rol?
'Ach ja, Goldhagen. Ik denk dat ik zijn boek in het tweede deel in een voetnootje zal noemen, maar veel woorden wil ik er niet aan vuil maken. Dat is het boek echt niet waard. Goldhagen zwengelde in Duitsland een noodzakelijk moreel debat over de rol van Duitsers in deze perioden aan. Als iemand naar jouw land komt om iedereen ervan te beschuldigen dat hij een potentiële jodenmoordenaar is, moet je natuurlijk wel reageren. En dat hebben de Duitsers dan ook gedaan. Dat wil echter nog niet zeggen dat het een goed boek is. Als je de Duitse geschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw ziet als een eenrichtingsweg naar de gaskamers, dan heb je er niets van begrepen en ben je bezig het publiek te misleiden.’
Uit een aantal recente studies over leidende figuren in de SD en Gestapo wordt duidelijk dat onder hen zeer fanatieke antisemieten waren, die hun uiterste best hebben gedaan om het anti-joodse beleid aan te scherpen. Uiteindelijk kwamen deze 'Vordenker der Vernichtung’ eerder dan Hitler tot de conclusie dat fysieke eliminatie de enige 'oplossing’ van het 'joodse probleem’ was. Je zou kunnen stellen dat dit soort nazi’s Hitler helemaal niet nodig hadden.
'Toch wel. Het was immers Hitler die hen de legitimatie verschafte. Dat is een cruciaal gegeven. Het hele SS-apparaat ontwikkelde zich omdat het type regime deze krachten de ruimte gaf, en Hitler legitimeerde deze krachten. Een “gewoon” autoritair systeem had wel anti-joodse discriminatie kunnen hebben, zonder dat er deze in wezen ongecontroleerde SS-machinerie, die steeds door Hitler gesteund werd, zou zijn ontstaan. Dit apparaat creëerde zijn eigen momentum, zijn eigen stuwkracht. In tegenstelling tot Mommsen sta ik veel meer op de lijn van Ulrich Herbert, die een grandioos boek schreef over de organisator van het Reichssicherheitshauptamt, Werner Best. Volgens hem was de ideologie van doorslaggevend belang. Het waren niet alleen technocraten, ze geloofden er in. Door Hitlers legitimatie kon het SS-apparaat zich ontplooien als een ideologische stoottroep. Kijk maar naar Eichmann, dat was zowel een gelovige als een manager, en ik zie niet welke contradictie er tussen die twee is. En als je de rol van dat soort typen analyseert, dan zie je dat zij in staat waren deze dynamiek in het proces te brengen en hun visie door te drijven. Er is dus geen tegenstelling tussen de rol van de bureaucratie en het belang van de nationaal-socialistische ideologie.’
U ONDERSCHRIJFT weliswaar Mommsens theorie van de 'zwakke dictator’ niet, maar uit uw boek komt Hitler wel naar voren als een 'luie dictator’. Hitler was niet geïnteresseerd in het alledaagse politieke bedrijf, schoof belangrijke beslissingen schier eindeloos voor zich uit, aarzelde wat hij zou doen, en greep vaak niet of pas heel laat in. Volgens Saul Friedländer, in 'Nazi Germany and the Jews’, hield Hitler zich, in ieder geval als het om de joden ging, wel bezig met allerlei details en intervenieerde hij voortdurend.
'Ik ontken helemaal niet dat Hitler zich af en toe met de kleinste details bemoeide en dat hij intervenieerde. Maar hij deed dat vrij weinig, bij vlagen, en dan nogal krampachtig. Hij was in zijn interventies niet erg consistent. Er is volgens mij geen echte tegenstelling met Friedländer. Hitler intervenieerde inderdaad af en toe, en soms ging het om heel belangrijke zaken, maar als je hem vergelijkt met Stalin zie je een groot verschil. Stalin trok alles naar zich toe, hij bemoeide zich overal mee en regeerde met behulp van een stortvloed van oekazen. Hij was het centrum van de macht, van waaruit het hele systeem werd aangestuurd. Hitler daarentegen liet de zaken meestal op hun beloop, in de hoop dat problemen zichzelf oplosten, totdat een punt bereikt was waarop hij wel móest ingrijpen. Dat zie je heel sterk in 1935, toen allerlei partijradicalen aandrongen op scherpe anti-joodse maatregelen en er tal van “Einzelaktionen” plaatsvonden, terwijl er door de financieel-economische topfiguren werd gepleit voor een stopzetten van deze acties, omdat ze schadelijk waren voor de export. Hitler kon niet beide kampen te vriend houden, tenzij hij wat deed. Zo ontstonden de rassenwetten.’
IN HOEVERRE is Hitler nu voltooid verleden tijd?
'De situatie in Duitsland aan het begin van de jaren dertig is enigszins te vergelijken met die van het huidige Rusland. Emoties worden opgezweept en kunnen gericht worden op bepaalde zondebokken. Het is allemaal niet echt rationeel, maar het bestaat wel en het kan worden uitgebuit door een bepaald individu of een kleine groep. Hopelijk gebeurt het niet, maar er kan daar een soort Hitler opstaan. Die zal er natuurlijk wel weer heel anders uitzien, maar het is mogelijk dat iemand zich gaat opwerpen als de “verlosser” en dat die gaat proberen het hele systeem op te blazen.
In het Westen kan het zich niet herhalen, tenminste als we uitgaan van de stabiele economische en politieke verhoudingen die er nu zijn. Uiteraard is er een soort apocalyptische ramp mogelijk, waarna die stabiele verhoudingen weggevaagd zijn en een politicus van het type-Hitler zijn slag kan slaan. Maar in de voormalige Sovjetunie hebben we te maken met een uiterst instabiele toestand. De etnische en nationalistische spanningen, plus de verloren Koude Oorlog, de nationale vernedering, de teloorgang van het Sovjet-rijk, een economische ramp, gigantische sociale spanningen, een mislukte democratie, antisemitisme, en de aanwezigheid van een enorm arsenaal nucleaire wapens vormen tezamen een enorm kruitvat.
De meest voor de hand liggende uitkomst van dit proces is een soort militaire dictatuur, net zoals dat in Duitsland begin jaren dertig in de lijn der verwachting lag. Maar deze situatie kan ook de gelegenheid bieden aan een politieke avonturier à la Hitler.’