In romans zijn vaders vaak boze mannen met kwaadaardige plannen. Met zijn ‘Brief an den Vater’ parodieerde Franz Kafka al vroeg op dit literaire cliché.

Heel wat jaren geleden liep mijn vrouw door het centrum van het Friese dorp Stiens, ze gaf daar les op een wat toen nog lagere school heette. Een moeder van een van de kinderen uit haar klas fietste voorbij. Ze zwaaide. Bij haar achterop zat haar dochtertje, ook zij zwaaide vrolijk. En zij riep ineens luid en duidelijk de volgende verpletterende zin over straat: ‘Heeft juf ook een vader?’

We zeggen het nog steeds vaak tegen elkaar wanneer op sommige avonden de herfststormen over het land razen, de deuren potdicht zijn en de avond naar weemoed zwicht: ‘Heb jij ook een vader?’ En soms komen dan de verhalen over onze vaders, hoe het was, of hoe we dachten dat het was, of was het toch anders, nee, hij bedoelde toch dat, welnee, volgens mij zei hij iets anders, hij wilde je helpen. Denk je? Zo was hij toch niet, nou ik weet niet, maak je maar niet druk, het is allemaal lang geleden. Moet je horen wie het zegt! Ze zijn al jaren dood, onze vaders, en dan zijn ze er weer, kijk, daar staan ze, even waren we weer thuis, midden in de geheimen van onze jeugd, de verwachtingen, de beklemmingen, de stille glimlach en de vergetelheid van dit alles.

Zo gaat dat soms in het ‘echt’, maar hoe zit het in romans? Zelden spelen vaders daarbinnen een betoverende rol zoals in de vroegere jeugdserie Ti-Ta-Tovenaar, waarbij we allemaal luidkeels met de begintune meezongen: ‘Mijn vader is een tovenaar, ’t is echt, ’t is heus, ’t is raar maar waar, een Ti-Ta-Tovenaar…’ Vaders zijn natuurlijk lange tijd voor iedereen in het ‘echt’ rare tovenaars die alles in een oogwenk kunnen veranderen, maar in romans zijn het vaak boze mannen met kwaadaardige plannen die zich gedragen volgens tamelijk platvloerse freudiaanse schema’s. Vader is de boze buurman, moeder de goed bedoelende maar in de grond onnozele ganzenhoedster.

Kun je met dit soort schema’s nog wegkomen als schrijver? Vroeger wel natuurlijk. In Van Eedens meesterlijke Van de koele meeren des doods (1900) is de vader, zoals dat hoort, de afstandelijke, altijd bedreigende macht. Ook in Karakter (1938) van Bordewijk is het freudiaanse schema vanaf het begin overdreven goed herkenbaar, maar dit was toen nog iets tamelijk nieuws. Bovendien werkte Bordewijk het allemaal zo grotesk uit dat het toch weer aan kracht won. Gebruiken schrijvers het schema nu nog? Dat vader het gedaan heeft en de kinderen hem allemaal al of niet symbolisch moeten vermoorden waarna ze zonder dat te beseffen zelf vader worden en dus ook… et cetera? Philip Roth werkte er vrijwel altijd mee. In de veel geprezen roman Corrections (2001) past ook Jonathan Franzen zonder enige aarzeling dit veelbeproefde model toe. De vader van de drie hoofdpersonen dementeert en lijdt aan de ziekte van Parkinson, maar toch is zijn langzaam uitdovende aanwezigheid een belangrijke oorzaak van de neuroses en de wanhoop van zijn kinderen. De vader regeert nog steeds, zelfs nu hij ernstig verzwakt is. A.F.Th. van der Heijdens cyclus De tandeloze tijd staat bol van de dwingende vaders. In Bonita Avenue (2010) schetst Peter Buwalda met groot plezier de ondergang van een echte ‘pater familias’ waartegen een hele club halve of hele familieleden te hoop loopt. En wat te denken van romans van W.F. Hermans, Reve, Wolkers en Maarten ’t Hart? Om maar verder te zwijgen over de vader in Jan Siebelinks Knielen op een bed violen, die niet alleen een hele familie naar de Filistijnen helpt, maar ook nauwelijks weerstand weet te bieden aan de aandrang zijn schoondochter het bed in te krijgen.

Je kunt rustig volhouden dat het bedreigende-vader-schema in de romankunst verworden is tot een doorzichtig cliché, waar je het best als schrijver maar eens goed over na moet denken als het toevallig op je weg komt. Ga ik hier echt mee werken? Vader een lul, moeder aardig? Je kunt er natuurlijk wel iets bijzonders mee proberen te doen. Een parodie ervan maken, een gotspe, een waanzinnige overdrijving, dat kan nog wel. Franz Kafka zag dat al in 1919. Hij schreef toen, niet voor publicatie, een veel later beroemd geworden ‘Brief an den Vater’ die pas ver na de Tweede Wereldoorlog door Max Brod werd gepubliceerd. In psychoanalytische kring deed die ‘Brief’ veel stof opwaaien. Men meende in alle ernst dat Kafka met deze direct als ‘autobiografisch’ bestempelde brief een prachtig en schrijnend voorbeeld had gegeven van de verderfelijke oedipale structuren die binnen ‘het westerse gezin’ de situatie voor kinderen vrijwel onverdraaglijk maakt. Ook Franz Kafka haatte zijn vader! Heerlijk! Kwam dat even goed uit!

Grote geleerden concludeerden in plechtige bewoordingen dat Kafka hier een symbolisch te lezen aangrijpend beeld had geschetst van de verschrikkingen van het moderne gezin. Kafka als voorloper van de nieuwe pedagogie! Als wegbereider van het existentialisme! Men vergat dat je bij Kafka altijd scherp moet opletten of je niet te maken hebt met een doortrapt clownsnummer dat alle maatschappelijke en literaire clichés op de tocht zet. De parodistische kanten van Kafka’s werk, die volgens mij evident zijn, krijgen in de meer sociologische en psychologische beschouwingen altijd weinig ruimte. Terwijl je je toch echt kapot kunt lachen over het geouwehoer over schuld en boete dat Kafka bijvoorbeeld in Der Prozess en Die Verwandlung uitserveert.

Gelukkig voelt Reiner Stach in zijn recente, uitvoerige tweedelige Kafka-biografie enige nattigheid over de ‘Brief’. In het algemeen geeft ook hij de parodistische kanten van Kafka’s werk weinig ruimte, het is een en al plechtigheid en diepzinnigheid wat in zijn boek de klok slaat, maar bij deze tekst slaat hij aan het aarzelen. Je moet de ‘Brief’ volgens hem misschien toch niet helemaal serieus nemen. Kafka kende volgens Stach het werk van Freud, dat op zich geeft al te denken. Bovendien kun je een brief van ruim tachtig dichtbeschreven kantjes moeilijk opvatten als een spontane, ‘echte brief’, stelt hij. Daar komt bij dat de tekst ijzersterk is gecomponeerd, waarbij Kafka alle literair-retorische trucs, die hij als geen ander beheerste, inzette. Overdrijvingen, aanstellerij, valse bescheidenheid afgewisseld met grootspraak, rare rationalisaties, vooruitwijzingen, terugwijzingen, krompraat, gehamer op steeds hetzelfde. Allemaal literaire kunstgrepen die Kafka’s tekst een grote literaire en ook komische kracht geven. In ieder geval heb ik over de ‘Brief’ aan de lopende band geschaterd. Het is duidelijk een komische act voor twee heren: de mop van de zoon die zijn vader haat, verteld door een droogkomiek. Wat een mooie overdrijvingen staan erin. Wat een prachtig zelfmedelijden bij de ik-verteller, het loopt echt totaal de spuigaten uit. Wat een zieligheidsvertoon. En wat spreekt die ik zichzelf vaak meesterlijk tegen. Zo beweert hij in het begin dat zijn vader hem het spreken belette, ja, het hem afleerde, daarom ging hij liever zwijgen. Maar een paar pagina’s verderop beschrijft hij uitvoerig hoe hij met zijn zus aan één stuk door over zijn vader zit te praten. Dat zwijgen loopt dus wel los. ‘Niet om samen iets tegen je te bekokstoven’ (de vertaling is van Willem van Toorn), voegt hij er nog met zijn alleronschuldigste gezicht aan toe. Wat een huichelaar!

En neem de anekdote waarin de verteller de hele nacht om water zeurt, ‘waarschijnlijk deels om te pesten, deels uit verveling’ (het staat er echt!) en dan ontzettend verongelijkt is als zijn vader, die het ge-eikel zat is, hem tijdelijk op de waranda neerzet. En vervolgens klaagt hij erover dat zijn vader hem niet eens doodslaat, dan zou hij, de zoon, tenminste overal van af zijn. Nee, de vader dreigt alleen maar te slaan, het ergste wat er is, hij slaat niet echt, juist daar krijgt de zoon een enorm schuldgevoel over. En dit alles op droge, verontwaardigde toon, Theo Maassen kan er een puntje aan zuigen.

Langzamerhand wordt één ding duidelijk: de zoon is in deze ‘Brief’ een ettertje, een querulant pur sang (zoals meestal de hoofdpersonages bij Kafka), eentje die zuigt, anderen de schuld geeft, de nietsnut speelt en zelf nergens iets aan kan doen. Maar zichzelf wel als voortreffelijk, bescheiden en zielig presenteert. Zeer komisch is ook dat de vader nooit ergens over nadenkt, hij doet maar wat, omdat het nu eenmaal, volgens de zoon, in zijn natuur ligt om te kwellen, hij kan er niks aan doen. Maar de zoon denkt wel tot in het oneindige na, die reflecteert overal op, die is wel verstandig, die gaat in tegen zijn instincten, die is consequent et cetera et cetera. Dit alles is ook nog meesterlijk onder woorden gebracht, op de bekende kijk-mij-eens-onschuldig-zijn-toon die Kafka’s handelsmerk is.

In recente literatuur begint het gestoorde vader-kindmodel zijn oude status te verliezen. Schrijvers laten het langzamerhand links liggen, of ze halen hun schouders erover op. Christiaan Weijts werkt er bijvoorbeeld in zijn nieuwste roman Euforie bewust niet mee. Hij geeft een paar noodzakelijke beelden van het gezin waar zijn hoofdpersonage in opgroeit, die heeft hij nodig voor de plotontwikkeling, maar hij begeeft zich niet op het gladde ijs van een uitputtende beschrijving van een coming of age-_veldslag met de vader. Dat weten we nu wel, moet hij gedacht hebben. Anton Dautzenberg geeft in zijn nieuwste roman _Extra tijd een uiterst gevoelig en in veel opzichten teder te noemen beeld van de vader. Opvallend is dat zelfs Houellebecq in zijn laatste roman De kaart en het gebied een zachtaardig beeld schetst van een vader-zoonrelatie. Worden vaders in romans aardiger? In het echt blijven het natuurlijk vreemde, onbetrouwbare tovenaars, dat moeten we nu maar aanvaarden, ik ben er zelf ook een. ‘Ik heb het ook van hem geleerd’, gaat het Ti-Ta-Tovenaar-lied uit het begin van dit stuk treffend verder, ‘maar soms gaat het wel eens verkeerd.’ Zeg dat wel. Misschien kan in de romankunst alleen een parodie op het veelbeproefde vader-kindschema nog iets van de oude status in ere herstellen. Maar het zal niet meevallen een geslaagdere parodie te schrijven dan Kafka met zijn ‘Brief an den Vater’ in 1919 al deed.


Kafka, Verzameld werk, € 15,-