Het einde van toerisme?

Een luxe met een prijskaartje

De pandemie heeft het mondiale toerisme kapotgemaakt, en velen zullen opgelucht zijn dat het afgelopen is met overbevolkte steden en met vuilnis bezaaide natuurwonderen. Is er een manier om deze bedrijfstak opnieuw uit te vinden zonder dat hij zoveel schade toebrengt?

Ingang van het Louvre, Parijs, 13 maart © Andrea Mantovani / The New York Times / ANP

Van alle rampen die toeristen ten deel vielen toen het coronavirus om zich heen greep, waren die met cruiseschepen een geval apart. De besmettingen op zee gaven aanleiding tot bijzondere gruwelverhalen, want de plezierpaleizen veranderden in gevangenisboten. Gevangen in de nabijheid van hun medepassagiers ervoeren de vakantiegangers de angst om zowel slachtoffer als besmettingshaard te zijn, terwijl een hele reeks van havensteden hun de toegang weigerde.

Aanvankelijk werd de dodelijke situatie op zee gezien als een merkwaardige uitwas van wat velen toen nog als een Chinees probleem beschouwden. Het eerste schip dat met een grote uitbraak te maken kreeg was de Diamond Princess. Medio februari waren er 355 bevestigde besmettingen aan boord en werd het schip in quarantaine gehouden in de haven van Yokohama. Op dat moment was het schip goed voor meer dan de helft van de gemelde besmettingen buiten China. Veertien passagiers zouden aan de gevolgen van het virus overlijden.

De nachtmerrie op zee is nog steeds niet voorbij. Zelfs nadat de passagiers van ruim dertig getroffen cruiseschepen van boord mochten gaan en in ziekenhuizen, quarantainehotels of op chartervluchten naar huis belandden, bleven naar schatting honderdduizend bemannings- en personeelsleden op zee vastzitten – sommigen in quarantaine, anderen de toestemming ontzegd om van boord te gaan totdat hun werkgevers reisbescheiden voor hen hadden geregeld. Nog op 1 juni smeekte de bemanning van een twintigtal in Manilla Bay gestrande cruiseschepen naar verluidt om aan wal te mogen komen.

Cruises zijn een symbool geworden voor de verwoestingen die het coronavirus aan het toerisme heeft toegebracht. Een sector die naar eigen schatting tot januari 150 miljard dollar waard was loost banen, geeft obligaties uit en biedt hoge kortingen, simpelweg om te overleven. Maar zelfs voordat de huidige crisis toesloeg was het cruisen al symptomatisch geworden voor de schade die het toerisme aan de wereld toebrengt.

Het toerisme is een ongewone bedrijfstak, omdat het de activa die het te gelde maakt – een uitzicht, een rif, een kathedraal – niet in eigendom heeft. De toonaangevende cruisemaatschappijen in de wereld – Carnival, Royal Carribean en Norwegian – betalen weinig voor het onderhoud van de publieke goederen waar ze van leven. Door hun vestiging in buitenlandse belastingparadijzen met vriendelijke milieu- en arbeidswetten – respectievelijk Panama, Liberia en Bermuda – genieten deze grote drie, die driekwart van de sector vertegenwoordigen, lage belastingen en kunnen ze veel ergerlijke regelgeving ontwijken, terwijl ze de lucht en de zee vervuilen, de kusten eroderen en tientallen miljoenen mensen in pittoreske havenplaatsen droppen die daar vaak helemaal niet op berekend zijn.

Wat voor cruises geldt, geldt voor het grootste deel van de reissector. Decennialang heeft een klein aantal milieubewuste reformisten in de sector geprobeerd een duurzaam toerisme te ontwikkelen dat duurzame werkgelegenheid schept en tegelijkertijd de schade die het aanricht tot een minimum beperkt. Maar de meeste hotelketens, touroperators en nationale toeristische organisaties blijven prioriteit geven aan de schaalvoordelen die er onvermijdelijk toe leiden dat meer toeristen minder geld betalen en meer druk uitoefenen op dezelfde publieke goederen. Vóór de pandemie verwachtten deskundigen uit de sector dat het aantal internationale toeristen in 2020 met drie à vier procent zou toenemen. Chinese toeristen, de grootste en snelst groeiende groep in het mondiale toerisme, zouden naar verwachting 160 miljoen reizen naar het buitenland maken, een stijging van 27 procent ten opzichte van 2015.

Het virus heeft ons een beeld gegeven van een wereld zonder toerisme, dat tegelijkertijd beangstigend en mooi is. Kusten hebben even geen last van de erosie die wordt veroorzaakt door cruiseschepen ter grootte van canyons. Wandelaars die thuis blijven kunnen geen rotzooi meer achterlaten op berghellingen. Fijnmazige culinaire culturen worden niet langer bedreigd door driehoeken van ontdooide pizza’s. Er is geen betere illustratie van de gevolgen van het toerisme dan de huidige adempauze ons biedt.

Het coronavirus heeft ook het gevaar van een te grote afhankelijkheid van het toerisme aan het licht gebracht, door op brute wijze te laten zien wat er gebeurt als de bedrijfstak waarop een hele gemeenschap leunt ten koste van elke andere, meer duurzame activiteit in elkaar stort. Op 7 mei schatte de World Tourism Organisation van de VN dat de inkomsten uit het internationale toerisme dit jaar met tachtig procent zouden kunnen dalen ten opzichte van het bedrag van vorig jaar, te weten 1,7 biljoen dollar, en dat er 120 miljoen banen verloren zouden kunnen gaan. Aangezien het toerisme afhankelijk is van dezelfde menselijke mobiliteit die ziekten verspreidt, en derhalve onderworpen zal zijn aan de strengste en meest langdurige beperkingen, zal het waarschijnlijk zwaarder lijden dan bijna elke andere economische activiteit.

Naarmate de impact van het toerisme op de wereld groter werd, is de wereldeconomie er ook steeds afhankelijker van geworden. Nu, na de bevriezing van het reizen naar het buitenland – wat nog maar zes maanden geleden nog onvoorstelbaar was – hebben we een zeldzame kans om ons aan deze destructieve cyclus te onttrekken en de dingen anders aan te pakken.

Op de beschuldigingen dat de toerismesector de planeet bederft, reageert deze met een economisch argument: één op de tien banen in de wereld is ervan afhankelijk. Overheden hebben de neiging om het toerisme te steunen, omdat het banen schept in de korte tijd die ervoor nodig is om een hotel te openen en het warme water te laten lopen – en het veel buitenlandse valuta binnenbrengt.

Een voorvechter van de bedrijfstak die ik sprak citeerde Lelei Lelaulu, een ontwikkelingsondernemer die het toerisme in 2007 beschreef als ʻde grootste vrijwillige overdracht van geld van de rijken naar de armen, van de haves naar de havenots, in de geschiedenis.’ Zelfs als men rekening houdt met een aanzienlijke ʻlekkage’ – waarbij veel van de uitgaven van toeristen niet naar het land van bestemming gaan, maar naar de buitenlandse reisbureaus, luchtvaartmaatschappijen en hotelketens waar ze gebruik van maken – kan niet worden ontkend dat de Australiërs in Bali, de Amerikanen in Cancún en de Chinezen in Bangkok royaal met geld strooiden.

Tuktuk-chauffeurs op zoek naar klanten, Bangkok, 26 februari © Lauren DeCicca / The New York Times / ANP

Eind januari, toen de stroom Chinese toeristen naar Europa opdroogde, werd Melissa Biggs Bradley – de oprichter van Indagare, een high-end Amerikaanse reisorganisatie, en een bestuurslid van het Center for Responsible Travel – gebeld door Italiaanse collega’s die haar waarschuwden: ʻRome is leeg. Je hebt geen idee hoe verwoestend dit zal zijn.’ In die begindagen van de crisis zochten analisten uit de sector naar geruststellende precedenten. In 2009 daalde het aantal internationale toeristen met vier procent als gevolg van de wereldwijde financiële crisis. Het volgende jaar kwam de sector terug met een groei van 6,7 procent. Na een reeks terroristische aanslagen in Turkije in 2016 bleven de toeristen weg, maar het verlies van Turkije was de winst van Spanje.

Het werd al snel duidelijk dat dergelijke vergelijkingen weinig helpen bij het begrijpen van een mondiale ziekte waar geen genezing voor bestaat. Eind maart stuurde Bernstein, een toonaangevend onderzoeksbureau, een briefje naar beleggers dat een eerdere, louter sombere beoordeling van de vooruitzichten voor de hotelsector verving door een ronduit rampzalige. ʻNog maar twee weken geleden beschouwden we een daling van tachtig procent van de inkomsten als “hoogst onwaarschijnlijk” en nu hanteren we dat als uitgangspunt’, aldus het briefje. ʻHoe naïef kun je zijn!’

Het toerisme is goed voor ongeveer vijftien procent van het bbp van Spanje en voor ongeveer dertien procent van dat van Italië. Maar hoe pijnlijk dat verlies ook is voor de meest gediversifieerde economieën van Zuid-Europa, het is pas echt levensbedreigend voor de landen die er volledig van afhankelijk zijn, zoals de Malediven, waar het toerisme ongeveer een derde van het bbp bedraagt, of voor opkomende bestemmingen zoals Georgië, waar het aantal bezoekers het afgelopen decennium ruimschoots verviervoudigd is.

In de afgelopen tien jaar heeft de vloek van de ‘venetianisering’ de ene na de andere stad overspoeld. Ook slaperige kustplaatsjes zoals Porto waren volledig onvoorbereid op de aantallen toeristen

In april betreurde Edmund Bartlett, de minister van Toerisme van Jamaica – waar de sector meer dan de helft van de buitenlandse valuta binnenbrengt – het feit dat er ʻniemand meer is aangekomen op de luchthaven van Montego Bay of die van Kingston, en dat er geen gasten in de hotels meer zijn… boven op de driehonderdduizend mensen die geen werk meer hebben omdat alle vervoerssystemen die het toerisme ondersteunen stilstaan, [omdat] de boeren die het toerisme ondersteunen nergens meer hun gewassen kwijt kunnen, en [omdat] de attracties… gesloten zijn’.

Voor al het geld dat de sector gewoonlijk opbrengt, is de prijs die een plek betaalt als die zich laat overnemen door het toerisme de manier waarop het de lokale ontwikkeling verstoort. Boeren verkopen hun land aan de hotelketen, waarna de prijs van de gewassen die ze ooit verbouwden buiten hun bereik te komt te liggen. Het water wordt omgeleid naar de golfbaan terwijl de lokale bevolking tekort komt. De weg wordt geasfalteerd tot aan het pretpark, maar niet tot bij de school. Biggs Bradley wees op een aantal ʻkleine, kwetsbare’ plaatsen die verwoest zullen worden, zoals de eilanden in de Stille Oceaan die recentelijk populair zijn geworden bij duiktoeristen. ʻDie hebben geprofiteerd van de fenomenale opkomst van nieuwe luchtroutes van de afgelopen jaren’, zei ze, maar nu komen de vliegtuigen niet meer, waardoor de schulden en de werkloosheid zijn opgelopen.

Tsotne Japaridze, wiens reisbureau Traffic Travel avontuurlijke vakanties organiseert in Georgië, Azerbeidzjan en Armenië, beschreef de pijn die het virus heeft toegebracht aan zijn bedrijf en aan degenen die er afhankelijk van zijn. Japaridze heeft drie mensen fulltime in dienst, huurt in het zomerseizoen vijftien gidsen en chauffeurs in en stuurt reisgezelschappen naar een dertigtal wijngaarden, pensions en privéhuizen in het hele land. Zijn bedrijf kan worden gezien als een krachtige kern van inkomstenverspreiding waar honderden mensen van leven. Aan het begin van de crisis zette Japaridze zijn werknemers op onbetaald verlof (ʻHet was een moeilijke beslissing, maar ik had geen keuze’, zei hij). Een van zijn voormalige gidsen, die vroeger met reisgroepen naar de prachtige Georgische regio Svaneti ging, komt nu rond door voedsel op zijn motor te bezorgen.

Hoewel een van de gevaren van de afhankelijkheid van het toerisme de mogelijkheid is dat de toeristen plotseling niet meer komen, is een veel algemener probleem dat van het overmatige toerisme – de verzadiging van een bestemming door bezoekersaantallen die onhoudbaar zijn. Op het hoogtepunt van de pandemie sprak ik met Jane da Mosto, wier ngo We Are Here Venice dapper strijdt om van de stad waar het overmatige toerisme de meeste schade aanricht weer een plek te maken waar je ook kunt wonen.

Tijdens het hakken van de groenten voor het familiediner biecht Da Mosto een zekere ongerustheid op over het naast elkaar bestaan van de apocalyps in Italiaanse ziekenhuizen en de taferelen van sereniteit en stilte die vanuit het raam van haar huis waarneembaar zijn. De bruggen waren leeg en de zeepaardjes vermaakten zich prima in het Canal Grande, terwijl de pasta in fallus-vorm was vervangen door zelfgemaakte tortellini die door schippers aan de inwoners van de stad werd geleverd.

Zonder het toerisme zou een groot deel van de Venetiaanse gotiek jaren geleden al zijn afgebrokkeld of herontwikkeld. Maar hoewel de toeristensector een groot deel van de economische redenen voor het behoud van de architectuur van de stad was, werd de macht overgedragen aan beleggers in hotels, restaurants en boten, velen van hen buitenstaanders voor wie Venetië een zakelijk buitenkansje was. Op 15 juli 1989 eiste de wereldwijde muziekindustrie de stad op voor een gratis concert, waarvan de herinnering de Venetianen ook nu nog ergert. Maar liefst tweehonderdduizend mensen uit heel Europa kwamen die dag samen op het Piazza San Marco, de spirituele en esthetische kern van de stad, sommigen van hen op boten voor de kust, om Pink Floyd te zien tijdens de laatste etappe van hun wereldtournee.

Paniekerige gemeenteraadsleden maakten bijna tot aan de openingsnoot van ‘Shine on You Crazy Diamond’ ruzie over de vraag of het concert wel mocht doorgaan. Uiteindelijk stemde de band ermee in om het aantal decibels te verlagen en hun playlist in te korten om in de mondiale televisieschema’s te passen (de Italiaanse nationale omroep Rai verdiende er goed aan), terwijl de winkeliers rond het plein warm bier verkochten voor het drievoudige van de normale prijs aan fans die er te laat achter kwamen dat de autoriteiten geen enkel toilet hadden neergezet. De volgende ochtend waren de beroemde oude tegels bedekt met blikjes, sigarettenpeuken en plassen urine. Er is bijna geen beter voorbeeld van toerisme als aanslag op het publieke erfgoed als een invasie van een middeleeuws stadscentrum door tweehonderdduizend mensen, die geen entreegeld betalen en het aan de stad overlaten om hun rotzooi op te ruimen.

Lang vóór de invasie van de rockfans waren de inwoners al bezig de stad te verlaten. Tussen 1950 en 2019 is de bevolking van Venetië gekrompen van ongeveer 180 duizend tot bijna vijftigduizend zielen, terwijl het aantal jaarlijkse bezoekers is gestegen van één naar dertig miljoen. Volgens Jan van der Borg, een toerismespecialist die lesgeeft aan de Ca’ Foscari Universiteit van Venetië en toeristische instanties in heel Europa adviseert, overstijgt dit de ʻdraagkracht’ van de stad – het aantal mensen dat de stad kan huisvesten zonder de infrastructuur en de manier van leven permanent te beschadigen – met minstens tien miljoen.

Of het nu gaat om een gondeleigenaar die ver weg woont en iemand anders de toeristen door de overvolle kanalen laat roeien, of om de goedkope luchtvaartmaatschappijen die dagelijks duizenden toeristen afzetten in een gebied dat nauwelijks anderhalf keer zo groot is als het Central Park van New York, leeft – in de woorden van Da Mosto – ʻeen enorm aantal mensen van Venetië zonder er te wonen’.

En, zegt Van der Borg, het zijn ook nog eens toeristen van de verkeerde soort. Zo’n zeventig procent bestaat uit dagjesmensen, die na ʻuitgespuugd te zijn door hun tourbussen, cruiseschepen en vliegtuigen’ een paar uur doorbrengen met het overbelasten van het historische hart van Venetië, ʻzonder bij te dragen aan het onderhoud ervan’. Volgens het ongegeneerde elitisme dat het denken van Van der Borg en andere industriestrategen doordrenkt, zouden ʻhigh-impact, low-value’-excursiegangers minder welkom moeten zijn dan de welgestelde onafhankelijke reizigers die in een hotel verblijven, in een buurtrestaurant eten en misschien een dagje in de minder bekende kerken van de stad afronden met een bellini in Harry’s Bar - zoals Truman Capote vóór hen. Bij elke stap, aldus deze redenering, dragen ʻkwaliteits’-toeristen bij aan het welzijn van de stad via belastingen, fooien en menselijke interactie.

Zijn de pakketvakanties dus bijna verleden tijd? Volgens een Brits trendrapport van Abta uit 2019 wilden mensen die hun volgende vakantie in het buitenland overwogen vooral minder uitgeven. Als de aanbieders van budgetvakanties een lauw onthaal moeten krijgen, hebben de Britse toeristen de hint nog niet begrepen.

In de afgelopen tien jaar heeft de vloek van de ʻvenetianisering’ – het uithollen van een plek als die wordt opgevreten door toeristen-termieten – de ene na de andere stad overspoeld, omdat de budgetluchtvaartmaatschappijen en Airbnb een weekend in een middeleeuws stadje binnen het bereik van miljoenen hebben gebracht. Dat geldt niet alleen voor traditionele bestemmingen als Venetië of Parijs, maar ook voor slaperige kustplaatsjes als Porto in Portugal, die volledig onvoorbereid waren op de aantallen toeristen die op hen werden losgelaten.

De Wallen, Amsterdam, 19 maart © Ilvy Njiokiktjien / The New York Times / ANP

Maar in juli 2015 was er voor het eerst een reactie, toen het stadsbestuur van Barcelona – waarvan de beroemde promenade, La Rambla, zo goed als onbegaanbaar was geraakt door het grote aantal toeristen – een moratorium op nieuwe hotels invoerde. Het jaar daarop kreeg Airbnb een boete van zeshonderdduizend euro wegens het plaatsen van onderkomens zonder licentie – klein bier voor een bedrijf waarvan bekend is dat de inkomsten in een enkel kwartaal al ruim een miljard dollar bedragen, maar een teken van de toenemende vijandigheid jegens een sector die een stad in korte tijd onherkenbaar kan maken voor haar inwoners.

Vorig jaar sloot de burgemeester van Dubrovnik – wiens perfect bewaarde oude stad door bezoekers werd overspoeld nadat het stadsdeel in de tv-bewerking van Game of Thrones was opgenomen – tachtig procent van de souvenirkraampjes die het centrum van de stad verstopten en legde hij een quotum op aan bus- en cruisetoeristen. De Belgische grachtenstad Brugge heeft onlangs het aantal cruiseschepen dat kan aanmeren beperkt en alle reclame gericht op dagjesmensen stopgezet.

Sommige natuurtoeristen hebben niet door dat het over de hele wereld vliegen om in een hut te zitten gemaakt van illegaal gekapte bomen niet zo milieuvriendelijk is

De beperking van het toerisme heeft natuurlijk financiële gevolgen. Zoals Fermín Villar, de voorzitter van de Vrienden van La Rambla, die de residentiële en commerciële belangen van de straat vertegenwoordigt, twee jaar geleden al tegen The Guardian zei: ʻLa Rambla is bovenal een bedrijf… elk jaar lopen er meer dan honderd miljoen mensen door deze straat. Stel je voor dat ieder van hen één euro uitgeeft.’ Maar het massatoerisme verdringt andere bedrijven, terwijl de uittocht van vele creatieve en productieve bewoners, en de druk die bezoekers in dergelijke aantallen op de lokale infrastructuur leggen, hun eigen kosten met zich meebrengen. Da Mosto vertelde me dat Venetië, in puur economische termen, netto verlies lijdt door een sector die zich op zijn territorium heeft gevestigd en een groot deel van zijn inkomsten naar elders overhevelt.

Achter de recente campagnes tegen een overmaat aan toerisme gaat een groeiend besef schuil dat publieke goederen, waarvan verondersteld werd dat ze eindeloos konden worden geëxploiteerd, in feite zowel eindig zijn als een waarde hebben die in de prijs van het bezoek zou moeten worden weerspiegeld. ʻDe vervuiler betaalt’ is een economisch principe dat geleidelijk aan wordt ingevoerd in de landbouw, de industrie en de energiesector. Iets dergelijks, waarbij niet alleen de milieuschade, maar ook de bredere culturele schade aan een manier van leven wordt meegenomen, zou het leidende principe kunnen worden van een echt duurzame toerismesector. Op dit moment ligt de nadruk op toerismebelastingen, die tot doel hebben het aantal toeristen te verminderen en tegelijkertijd meer inkomsten te genereren. Hoe bescheiden ze ook blijven – Amsterdam voegt zeven procent toe aan je kamerprijs, naast een vast bedrag van drie euro per persoon per nacht – ze zijn het voorzichtige begin van een trend om het toerisme te beheersen en in het voordeel van de lokale bevolking te laten werken, in plaats van andersom.

Een zekere lichtvoetigheid is vereist van bedrijven die geld verdienen aan het toerisme, maar niet blind willen zijn voor de gevolgen ervan. Uitgeverij Fodor geeft jaarlijks een ʻno list’ uit van bestemmingen die men onbaatzuchtig moet vermijden. Op de lijst van dit jaar staan het Paaseiland en het Cambodjaanse tempelcomplex Angkor Wat. Maar ondertussen promoot Fodor ook ʻ25 plaatsen in de VS die je moet zien voordat je doodgaat’. Op die lijst staat Big Sur, een deel van de Californische kust waar onlangs spandoeken zijn opgehangen met de tekst: ʻOvertourism is killing Big Sur’.

Het Prambanan-tempelcomplex, Centraal-Java, 20 maart © Ulet Ifansasti / The New York Times / ANP

Staren naar het profiel van Mount Kenya in de verte, vanuit licht gechloreerd water in de Afrikaanse bush, lijkt misschien een draaglijke manier om de crisis uit te zitten, maar de ʻinfinity pool’ in het Loisaba-tentenkamp, een van de drie safarilodges in een 23 duizend hectare groot reservaat met dezelfde naam, heeft in maanden geen zwemmer gezien. Minder dan een maand nadat de vluchten naar het land op 25 maart werden opgeschort vertelde Loisaba’s ceo, een Keniaanse veteraan van het bushtoerisme genaamd Tom Silvester, me dat hij negentig werknemers had moeten ontslaan, ʻen omdat wel tien personen afhankelijk zijn van elke baan hier, is dat nogal wat’.

De schade die is aangericht door de ineenstorting van de Keniaanse toerismesector, die 1,6 miljard dollar waard is en 1,6 miljoen mensen werk biedt, is angstaanjagend. Na het sluiten van 24 vestigingen in heel Oost-Afrika leunt Elewana, het hotelbedrijf dat de drie lodges van Loisaba bestiert, op zijn kasreserves om zijn tweeduizend werknemers en hun gezinnen te steunen. Op de website van een ander reservaat, de Nashulai, staat een smeekbede om donaties om de hongersnood te bestrijden onder de gemeenschappen die er afhankelijk van zijn.

Terwijl op veel plaatsen het wegwerken van de toeristen de enige manier is om de gezondheid van de natuur te herstellen, kan in landen waar de toeristensector zich richt op het milieu het tegenovergestelde het geval zijn. Toen ik aan Karim Wissanji, Elewana’s ceo, voorlegde dat de beste manier om de natuur in Afrika te beschermen misschien wel is dat de mensen naar de steden migreren en de natuur met rust laten, antwoordde hij: ʻDe toekomst van onze wilde dieren en hun leefgebieden zijn intrinsiek verbonden met de toekomst van de safarisector.’

Driekwart van de twee miljoen buitenlandse toeristen die vorig jaar naar Kenia kwamen, kwamen voor de wilde dieren. Zonder het toerisme zouden veel van de 160 privéreservaten die cruciale corridors vormen voor migrerende dieren en weidecapaciteit bieden aan de nationale parken van het land, weer jachtgronden worden of een agrarische bestemming krijgen, wat een van de grootste concentraties van wilde dieren in de wereld zou bedreigen. De concurrentie om weidegronden, vooral in tijden van droogte, heeft het langlopende conflict tussen de behoeften van lokale gemeenschappen en de unieke flora en fauna van de regio geïntensiveerd. Zoals Paula Kahumbu, de ceo van natuurbeschermingsorganisatie Wildlife Direct, in The Guardian schreef: ʻDe meeste Keniaanse jongeren beschouwen de natuur als irrelevant, iets waar een paar rijke bezoekers of witte landeigenaren baat bij hebben.’ In het kielzog van gewelddadige invallen op ranches en in wildparken in de loop van de jaren hebben safari-outfits gezocht naar manieren om het toerisme rechtstreeks de lokale bevolking te laten ondersteunen.

Het inkomensverlies als gevolg van de pandemie zou weleens tot een ramp kunnen leiden. Op 21 april meldde Conservation International, een Amerikaanse liefdadigheidsinstelling die gebieden met een uitzonderlijke biodiversiteit beschermt, een ʻalarmerende toename van het stropen van bushmeat en ivoor in Kenia’. Loisaba heeft zijn patrouilles tegen stropers alleen kunnen handhaven dankzij een donatie van The Nature Conservancy, een andere liefdadigheidsinstelling die wetenschappelijke adviezen geeft voor natuurbeschermingsprojecten over de hele wereld.

Met een bezettingsgraad van minder dan veertig procent, met slechts 48 bedden voor al die hectaren, zou je Loisaba kunnen beschouwen als een hoogwaardig, positief antwoord op de dagelijkse uitstort van duizenden cruisepassagiers in het stadscentrum van Venetië. Door zevenhonderd dollar per dag te betalen om te mogen genieten van het gezelschap van olifanten, netgiraffen en een hele Ark van Noach aan andere zoogdieren en vogels, zorgen de bezoekers van Loisaba in feite voor de bescherming van de natuur tegen meer opdringerige menselijke interventies. Zoals Matthew Brown, de directeur voor Afrika van The Nature Conservancy, het stelt, is toerisme dat ʻtastbaar bijdraagt aan het natuurbehoud de beste manier om de biodiversiteit te financieren. Bij ontstentenis daarvan valt het idee dat je de dieren kunt beschermen én de lokale bevolking kunt helpen snel in duigen.’

Ondanks al het geld dat buitenlanders naar Loisaba brengen, ontbeert het reservaat de diversiteit van de clientèle die kenmerkend is voor de meest veerkrachtige toeristische bedrijven. Bushtoerisme in het algemeen trekt te weinig mensen aan uit de groeiende middenklasse van Kenia – terwijl de hoge kosten van levensonderhoud velen thuis houden, gaan degenen die wel op vakantie gaan meestal naar de kust.

Als ze een beroep zouden kunnen doen op lokale klanten zouden de wildreservaten van het land zich sneller kunnen herstellen zodra de huidige reisbeperkingen vervallen – wat voor Afrikaanse toeristen eerder zal gebeuren dan voor degenen die van verder weg komen. In april riep de Keniaanse minister van Toerisme, Najib Balala, op tot een ʻparadigmaverschuiving’ ten gunste van de binnenlandse en pan-Afrikaanse markt. ʻHet gaat niet langer om het wachten op internationale bezoekers’, zei hij. ʻAls we nu beginnen, zullen we over vijf jaar bestand zijn tegen alle schokken, zelfs als er negatieve reisadviezen door de westerse landen worden opgelegd.’

Zo’n snel herstel is onwaarschijnlijk in het geval van de traditionele sterren van het natuurbehoud-toerisme, de gorilla’s die verspreid zijn over de nationale parken van Rwanda, Oeganda en de Democratische Republiek Congo. Nadat ze in de jaren tachtig bijna waren uitgestorven, herstelde hun aantal zich dankzij een internationale reddingsoperatie die deels werd gefinancierd door het hoogwaardige toerisme. (Amerikaanse bezoekers aan Rwanda geven gemiddeld zo’n twaalfduizend dollar per reis uit.) In 2016 verdubbelde de Rwandese regering het bedrag dat toeristen moeten betalen om een uurtje met de primaten te mogen doorbrengen tot vijftienhonderd dollar. Dit had het wonderbaarlijke effect dat de inkomsten stegen van vijftien miljoen naar negentien miljoen dollar – een deel van dit geld gaat naar de rangers en de financiering van lokale welzijnsvoorzieningen – terwijl tevens het aantal bezoekers dat door hun leefgebied in het Nationale Park van de Vulkanen zwerft werd teruggebracht van 22 duizend naar vijftienduizend.

Nu de grenzen van het land gesloten zijn en de rijke buitenlandse toeristen pas over een paar maanden zullen terugkomen, is een nieuwe natuurbeschermingsstrategie nodig. Vanuit ecologisch oogpunt is het directe gevaar dat de mensapen besmet raken met het coronavirus. De uitdaging op de langere termijn is om hen te beschermen tegen een toename van de stroperij en tegen het gevangen raken in strikken die zijn uitgezet voor antilopen.

In juni vertelde Sheba Hanyurwa, die een toeristisch bedrijf runt in Oeganda en Rwanda, me dat de inkomsten uit het toerisme de afgelopen jaren een zekere economische diversificatie mogelijk hebben gemaakt. De relatief hoge salarissen van de rangers en gidsen hebben hun gemeenschappen in staat gesteld om koeien en kippen te houden voor hun eigen behoeften. Tijdens de crisis hebben de regeringen van Oeganda en Rwanda de patrouilles in hun nationale parken op peil gehouden – met meer succes dan de drc, waar onlangs nog twaalf rangers werden gedood in het bij voortduring instabiele Virunga National Park. Maar, zo zei Hanyurwa, ʻde hotelwerknemers zijn ontslagen en de mensen hebben honger. De enige bron van inkomsten hier is het toerisme en er zullen tot volgend jaar geen internationale toeristen zijn.’

Het toerisme moet niet worden gewaardeerd als een snelle bron van buitenlandse valuta, maar als een integraal onderdeel van de economie van een land

Covid-19 heeft de onvolkomenheden in het model van het elitetoerisme met een geweten blootgelegd. Er is geen plan B.

Toeristenwinkeltje op het San Marcoplein, Venetië, 1 juni © Alessandro Grassani / The New York Times / ANP

Niet al het natuurtoerisme is goed voor de natuur waar het op gebaseerd is. Naarmate het milieubewustzijn is toegenomen, hebben veel bedrijven feelgood-termen als ʻmilieuvriendelijk’ en ʻgroen’ overgenomen – ook al zijn, in de woorden van een instantie die de duurzaamheid van het toerisme beoordeelt, ʻde ervaringen die ze verkopen niets van dit alles’. Sommige toeristen hebben niet door dat het over de hele wereld vliegen om in een hut te kunnen zitten die is gemaakt van illegaal gekapte bomen niet zo milieuvriendelijk is als hun Instagram-feed hen voorhoudt. Anderen hebben moeite met de hoge kosten van het ʻgoed zijn’. Volgens een onderzoek dat reisbureau Tui in 2017 heeft uitgevoerd vindt 84 procent van de Europese vakantiegangers het belangrijk om hun ecologische voetafdruk te verkleinen, maar is slechts elf procent bereid om de extra kosten van een duurzame vakantie te overwegen.

Tot de landen die de afgelopen jaren hebben geprobeerd om het natuurtoerisme uit te bouwen behoort Indonesië, de woonplaats van ’s werelds grootste hagedis, de komodovaraan. Vorig jaar kondigde de regering een plan aan om de stad Labuan Bajo, die momenteel het toegangspunt is voor de talrijke eilanden van het Nationaal Park van Komodo, om te vormen tot een van de tien belangrijkste toeristische bestemmingen in het land. Onheilspellend genoeg heet het regeringsplan ʻtien nieuwe Bali’s’.

Het idee is niet zozeer om de druk te verlichten op het veel te toeristische eiland Bali, waar een grote nieuwe luchthaven is gepland, maar om het succes van Bali na te bootsen. Daardoor zou de combinatie van Bali’s overvolle stranden, toenemende waterschaarste en vuilnisbergen op die tien andere bestemmingen ook kunnen worden nagebootst. ʻWat ooit een klein vissersdorpje was, heeft nu te maken met de non-stop bouw van restaurants en hotels’, aldus een cnbc-correspondent die Labuan Bajo in januari bezocht.

Tussen 2008 en 2018 is het jaarlijkse aantal bezoekers van het Nationaal Park van Komodo gestegen van 44 duizend naar 176 duizend. Een grote attractie, afgezien van de natuur zelf, is de prijs. Nadat je vlucht van vijftig dollar vanuit Bali geland is op het nieuwe vliegveld van Labuan Bajo, zo hoorde ik van Glenn Wappett, een voormalig Brits militair die op een jacht rond Oost-Indonesië vaart, ʻkun je in een hostel verblijven en een dagtrip nemen om de varanen te zien, voor minder dan honderd dollar’. Dat is inclusief het entreegeld voor het park van ongeveer twaalf dollar. Lonely Planet noemde de eilandketen met Komodo zijn ʻbest value destination’ voor 2020.

De voorkeur van Indonesië voor massatoerisme boven elitetoerisme is ingegeven door het feit dat elk jaar twee miljoen jongeren de arbeidsmarkt betreden. Meer toeristen betekent meer banen. Want zelfs als de bestedingen per toerist relatief laag zijn, betekenen grotere aantallen bezoekers méér obers, méér taxichauffeurs en méér gidsen.

Maar terwijl de bezoekersaantallen op de eilanden zijn gestegen, is de varanenpopulatie gekrompen. De toeristen hebben hun paringsrituelen verstoord, terwijl door het stropen van herten hun belangrijkste voedselbron is uitgeput en door de houtkap hun leefgebied is vernietigd. In 2018 pleitte Viktor Bungtilu Laiskodat, de gouverneur van de provincie Oost-Nusa Tenggara, waarin het park ligt, voor een verhoging van de toegangsprijs tot vijfhonderd dollar, met als doel rijkere toeristen aan te trekken, het aantal bezoekers te verminderen en de varanen te beschermen. In maart 2019, nadat smokkelaars ruim veertig komodovaranen hadden gestolen, ging zijn regering een stap verder door aan te kondigen dat het eiland Komodo, waar ongeveer zeventienhonderd reuzenhagedissen leven, het hele jaar 2020 gesloten zou worden om de reptielen, de herten waar ze zich mee voeden en hun gezamenlijke leefomgeving te laten recupereren.

Maar de pogingen van de gouverneur om de belangrijkste attractie van de regio in stand te houden vielen slecht bij een groot deel van de plaatselijke bevolking, die van het toerisme leeft. ʻEr kwam een enorme tegencampagne op gang van de duikbedrijven, de hotels en de restaurants’, herinnert Wappett zich. Ze eisten dat de toeristen op Komodo zouden worden toegelaten, en in oktober passeerde de nationale regering de gouverneur en werd het plan geschrapt.

Het virus slaagt nu waar de gouverneur van Oost-Nusa Tenggara faalde. De toegang tot het Nationaal Park van Komodo is voor iedereen verboden, behalve voor de vissersgemeenschappen die er wonen. De varanen doen zich intussen tegoed aan herten en vissen, die volgens de vrienden van Wappett in het gebied in spectaculaire aantallen zijn teruggekeerd naar deze overbeviste wateren.

Toch is het niet moeilijk voor te stellen wat er zal gebeuren als het toerisme weer mogelijk wordt. Op 14 april voorspelde de Indonesische minister van Financiën dat het stilvallen van het toerisme maar liefst 5,2 miljoen Indonesiërs werkloos zou kunnen maken. Tenzij er in de toekomst een ander pad voor het scheppen van werkgelegenheid kan worden gevonden, zullen de toeristen, zodra de vluchten worden hervat, worden aangemoedigd om massaal terug te keren en zullen de varanen weer onder druk komen te staan.

Op 7 mei voorspelde de World Tourism Organisation van de VN dat de coronacrisis de sector zo hard zou treffen dat de vooruitgang in de richting van een duurzamer toerisme – voornamelijk door het terugdringen van de drukte en het aanpakken van de klimaatverandering – niet alleen tot stilstand zou komen, maar zelfs zou worden teruggedraaid. Sinds het begin van de crisis hebben luchtvaartmaatschappijen en cruisemaatschappijen hard gelobbyd voor belastingvoordelen en het opheffen van milieumaatregelen.

Van de benzinedamp en het fijnstof die de jetski’s produceren tot de pesticiden die de golfbanen doordrenken, lijkt elk ogenschijnlijk onschuldig pleziertje van de vakantieganger een nieuwe klap voor de planeet teweeg te brengen. Dan zijn er ook nog de voedselresten die achterblijven in de koelkasten en de chemicaliën die worden gebruikt om de lakens te wassen na elke nacht die wordt doorgebracht in een van Airbnb’s zeven miljoen appartementen, en de kankerverwekkende brandstoffen die worden verbrand door de cruiseschepen. En de koolstofuitstoot.

ʻHet toerisme is aanzienlijk meer koolstofintensief dan andere potentiële domeinen van de economische ontwikkeling’, aldus een recent onderzoek in het tijdschrift Nature Climate Change. Tussen 2009 en 2013 is de wereldwijde CO2-voetafdruk van de sector toegenomen tot ongeveer acht procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, voor het merendeel als gevolg van vliegreizen. ʻDe snelle toename van de vraag’, zo vervolgt het onderzoek, ʻovertreft effectief de koolstofreductie van toerisme-gerelateerde technologie.’

Hoe vernietigend het ook mag zijn, het virus heeft ons de kans geboden ons een andere wereld voor te stellen – een wereld waarin we beginnen de koolstofuitstoot terug te dringen en lokaal te blijven. De afwezigheid van het toerisme heeft ons gedwongen om na te denken over manieren waarop de sector kan diversifiëren, inheems kan worden en minder afhankelijk van de koolstoframp die de wereldwijde luchtvaart is.

Voor Komodo in Indonesië houdt dit alternatieve einde in dat minder bezoekers meer zouden betalen om het nationale park te mogen bezoeken, terwijl de omliggende gemeenschappen de visserij- en textielindustrie ontwikkelen die hen eeuwenlang op de been hebben gehouden. In de regio Svaneti in Georgië, waar de lokroep van de toeristendollars de mensen ertoe aanzette de veeteelt op te geven ten gunste van het openen van pensions en cafés, vertelde Tsotne Japaridze me dat de crisis een ʻles zou kunnen zijn om de traditionele bestaansmiddelen niet te vergeten’.

Meer in het algemeen moet het toerisme niet worden gewaardeerd als een snelle bron van buitenlandse valuta, maar als een integraal onderdeel van de economie van een land, onderworpen aan dezelfde vooruitziende planning en kosten-batenanalyse als elke andere sector. Op plaatsen waar het toerisme te dominant is, moet het krimpen. Dit alles moet gebeuren in combinatie met bredere inspanningen om de samenleving koolstofvrij te maken.

Als internationale bedrijfstak is het toerisme niets meer of minder dan een optelsom van activiteiten, die uiteenlopen van het bouwen van vliegtuigmotoren in de fabriek van Rolls-Royce in Derbyshire tot het tappen van biertjes in de Ierse pub in Montego Bay. Vanuit dit mondiale perspectief bezien is het niet makkelijk te plannen of te controleren. De natuurlijke toezichthouders zijn de gemeentelijke, provinciale en nationale overheden, en het is aan deze instellingen om de verantwoordelijkheid voor mogelijke hervormingen te dragen. Sommige zijn daar al mee begonnen. Zo heeft de gemeenteraad van Barcelona delen van de stad die verloren waren gegaan aan de vakantieverhuur teruggewonnen, en heeft de gouverneur van Oost-Nusa Tenggara getracht de komodovaraan uit de gevarenzone te halen. Dergelijke pogingen om de excessen van het toerisme tegen te gaan via belastingen en hogere prijzen moeten overal worden ingezet. Het toerisme is geen ʻrecht’ waar veel vakantiegangers, ongeacht hun budget, het voor lijken te houden. Het is een luxe waarvoor moet worden betaald.


Dit stuk verscheen eerder in The Guardian. Vertaling Menno Grootveld