Een macho te groet

Uit Jaap Goedegebuure’s biografie van Marsman blijkt dat het machismo en het vitalisme van de dichter eerder wens dan werkelijkheid waren. ‘Groots en meeslepend’ wilde hij leven. Maar ja…

TEGENWOORDIG IS ‘Herinnering aan Holland’ waarschijnlijk het meest bekende gedicht van de honderd jaar geleden geboren Marsman. Wie kent niet die openingsregels: 'Denkend aan Holland/ zie ik brede rivieren/ traag door oneindig/ laagland gaan’? Hoewel Marsman in dit gedicht schrijft dat in Holland de zon langzaam wordt gesmoord in 'grijze veelkleurige dampen’, is de algehele teneur er een van vertedering en zelfs bewondering. De boerderijen, dorpen, geknotte torens, kerken en olmen vormden immers 'een groots verband’, en ook de strijd tegen het water ontbreekt niet. Het is evenwel een gedicht van de 'late’ Marsman, al klinkt dat wat vreemd bij iemand die op zijn veertigste is verdronken. De jonge Marsman had zich echter niet zelden laatdunkend over zijn vaderland uitgelaten. Als kunstenaar die groots en meeslepend wilde leven voelde hij zich immers gekneveld door het Hollandse burgermansfatsoen, de zelfgenoegzaamheid van de in zijn geboortedorp Zeist zeer aanwezige maatschappelijke bovenklasse, het calvinistische keurslijf van zonde en verdoemenis, en door het zompige landschap.
'Wie hier op den grond stampt, zakt in de modder’, schreef Marsman in 1925 aan zijn jeugdvriend Arthur Lehning. Hij beklaagde zich erover dat zowel hij als Erich Wichmann 'verneukt’ waren, en dat beiden in dit lamlendige land niet in staat waren geweest iets groots te verrichten. De Utrechtse namaakkunstenaar en alcoholist Wichmann had geen fascistische beweging uit de grond kunnen stampen, en Marsmans streven naar een revolutie van de poëzie was gesmoord in de kleiige gezapigheid van het literaire poldermodel van die dagen. De poëzieredacteur van De Gids, A. Roland Holst, had geprobeerd Marsman en andere jongeren te betrekken bij het meest eerbiedwaardige literaire tijdschrift van Nederland. Binnen de redactie brak hierover een enorm conflict uit. In de zojuist verschenen, en door H.T.M. van Vliet voorbeeldig bezorgde correspondentie tussen Roland Holst en Marsman zijn tevens alle documenten over deze kwestie opgenomen. Hieruit blijkt dat de bezadigde Gids-redacteuren het werk van Marsman en anderen niet alleen te modern vonden, maar vooral ook te Duits.
Volgens de historicus Colenbrander had men hier te doen met 'ondergangsmaniakken’. Johan Huizinga zag wel dat Marsman, in tegenstelling tot de meeste van zijn generatiegenoten, fraai kon schrijven, maar er zat toch een bedenkelijke kant aan. 'Geven wij ons rekenschap, dat het inhalen van deze sterk verduitschte jongeren ons bedenkelijk zal doen overhellen, als daar niet besprekingen van Fransch en Engelsch tegenover komen? Ik heb een ongegrond vermoeden, dat het daar frisscher is dan in die moderne Duitsche litteratuur.’ Hoewel hij toegaf niet op de hoogte te zijn van de letterkundige avantgarde in Engeland en Frankrijk, kon hij zich niet voorstellen dat het daar zo erg zou zijn als in het sterk door het expressionisme gedomineerde Duitsland. Ook de andere Gids-redacteuren stond het niet aan dat de jongeren zo eenzijdig naar 'Moffrika’ keken, en volgens Johan de Meester moesten deze 'zwaarwichtig-doende extremisten’ buiten de deur gehouden worden.
Marsmans werk droeg in deze jaren inderdaad sterk het stempel van het Duitse expressionisme. Een groot deel van de gedichten uit zijn debuutbundel Verzen was geschreven tijdens of onder invloed van een verblijf in Duitsland. In dat land leek na de nederlaag van 1918 alles op z'n kop te staan. Niet alleen de militaire, bestuurlijke en economische zekerheden van voor de oorlog waren verdwenen, ook in de kunst leken chaos en verwarring de norm. Dit gistende, volop in beweging zijnde culturele klimaat was voor de onhandige, uit het gezapige Nederland afkomstige, door zijn uiterlijk vaak onzekere jonge dichter een bevrijding. Niet alleen maakte hij kennis met zich aan generlei conventie storende kunstenaars, ook in erotisch opzicht betekende het een openbaring. Het leven in al zijn facetten leek zich voor hem te ontvouwen, en deze levensdrang, dit 'vitalisme’, werd een poëtisch credo. Nog altijd wordt Marsman in de eerste plaats geassocieerd met het vitalisme, ook al nam hij er later afstand van en heeft het gedicht 'Herinnering aan Holland’ er niets mee te maken. Hij is in de herinnering vooral blijven voortleven als typische 'jonge hond’, een dichter die op jeugdige leeftijd op stormachtige wijze zijn entree maakte en die hard tegen het literaire establishment aantrapte. Ook zijn latere flirt met zowel het katholicisme als het fascisme past in dit beeld. Hij had wel iets van de allure van een popartiest uit de jaren zestig, zo eentje die na een kort en vlammend hoogtepunt verdween in overdosis of clubcircuit. Zelf koketteerde Marsman ook met een heftig en riskant leven. Zo verkondigde hij eens in een interview dat hij vermoedelijk voor zijn dertigste zou sneuvelen 'in een fascistisch front’.
Meestal staat een dergelijk imago op gespannen voet met de werkelijkheid. Zo ook bij Marsman. Hij bewonderde niet alleen de typische macho Hemingway, maar tevens de aristocratische, katholieke en fascistische auteur Henri de Montherlant, wiens 'koele laatdunkendheid’ en 'dédaigneuze superioriteit’ hem zeer aanspraken. Bovendien leek hij jaloers op Montherlants 'Romeinse’ uiterlijk. Tegelijkertijd vond Marsman hem een ijdele poseur en een 'verlitteratuurd literator’. Je zou dus mogen veronderstellen dat hij zichzelf beschouwde als een veel authentieker en krachtiger figuur, een nog ongenaakbaarder auteur, een echte man. Wie echter leven en werk van Marsman en Montherlant met elkaar vergelijkt, zal zonder veel moeite kunnen aanwijzen wie het meest 'mannelijk’ was. Montherlant was, in tegenstelling tot Hemingway, een echte oorlogsheld en bovendien deed hij aan stierenvechten. Zijn romans zijn niet alleen veel beter dan die van Marsman, maar vormen de neerslag van een echt avontuurlijk leven.
UIT DE FRAAIE biografie die Jaap Goedegebuure over Marsman heeft geschreven, wordt duidelijk dat het met het machismo en vitalisme van onze dichter niet zo'n vaart liep. Terwijl Verdun-veteraan Montherlant met stieren vocht en Hemingway op groot wild jaagde en later rondtoerde in het door een burgeroorlog verscheurde Spanje - het verhaal dat hij daar echt gevochten heeft is een onuitroeibaar misverstand - beperkte Marsmans avontuurlijkheid zich tot een bezoek aan de kermis van Groet. Roland Holst schreef daar later over: 'Ik zie hem nog met een volkomen verpieterd gezicht in dat draaimolentje zitten, vreselijk overgevend.’ Marsmans wankele gezondheid stond een leven vol ontberingen in de weg en ook van zijn jeugddroom over een zeemansleven kwam niets terecht. In tegenstelling tot Slauerhoff bleef Marsman aan wal en leidde hij een betrekkelijk gezapig leven als jurist en criticus.
Niet alleen was er bij Marsman sprake van een zekere spanning tussen leven en werk, ook in zijn literaire werk werd hij aangetrokken door twee polen. Zo was er, vooral in zijn beginjaren, de verheerlijking van het vitalisme, de drang tot vernietiging en vernieuwing, een anti-intellectualistische grondhouding en extreem individualisme. Bij de latere Marsman zien we echter dikwijls een uitgesproken conservatisme, de angst voor het teloorgaan van alles wat waarde heeft, de behoefte aan gemeenschap en de zekerheid van het geloof. Hij ontwikkelde zich tot een echte intellectueel en verdiepte zich in filosofische en ideologische stromingen. Gestage arbeid nam steeds meer de plaats in van de blinde roes. Toch wisselden deze beide houdingen elkaar niet volledig af. Lange tijd bleef Marsman gevangen in het spanningsveld tussen het anti-historische vitalisme en het besef deel te zijn van een oude, complexe en waardevolle cultuur.
Als zoveel schrijvers en intellectuelen in het interbellum zocht Marsman gedurende enige tijd rust en zekerheid in het geloof. Het tijdens de Renaissance ontstane individualisme was de oorzaak van alle ellende. Tegelijkertijd was Marsman als de dood voor de 'horde’, waarvan hij in het gedicht 'Dies irae’ schreef dat het 'schijnbaar in twee kampen’ verdeeld was. Van het socialisme en communisme bleef hij zijn leven lang een afkeer houden, maar ook het fascisme ging hem in de jaren dertig steeds meer tegenstaan. Het was hem niet alleen te plebeïsch maar ook te democratisch, het deed tezeer een beroep op de angsten, verlangens en instincten van de massa. Evenals elitaire types als Thomas Mann, Menno ter Braak en Jacques de Kadt kwam hij erachter dat de lange tijd verfoeide liberale democratie de enige mogelijkheid bood om als intellectueel en kunstenaar te kunnen leven en werken. In zijn gedichten is de ontwikkelingsgang van Marsman goed zichtbaar. Na het vitalisme van Verzen en Paradise regained (1927) en de doodsangst van Porta nigra (1934) bood Tempel en kruis (1940) een pessimistische maar hartstochtelijke kijk op de cultuur van het avondland.
MARSMANS LEVEN mocht dan van de buitenkant niet zo groots en meeslepend lijken als hij misschien gewild heeft, hij was wel een dichter die bijzonder intens leefde en schreef. Heel sterk reageerde hij op zijn tijd. En hij leefde in een zeer turbulente en chaotische tijd. Volgens velen is zijn werk dan ook sterk gedateerd en heeft het ons niets meer te zeggen. Van de biograaf van een schrijver wordt meestal verwacht dat die een groot bewonderaar van zijn onderwerp is. Het doorgronden van iemands leven en werk vergt vele jaren. Dat is eigenlijk alleen op te brengen als je zo'n schrijver echt bewondert. Hoe zit dat nu met de biograaf van Marsman?
Jaap Goedegebuure 'leeft’ al zeer lang met Marsman. In 1981 promoveerde hij op de tweedelige dissertatie Op zoek naar een bezield verband: De literaire en maatschappelijke opvattingen van H. Marsman in de context van zijn tijd. Een mooie literair-historische studie naar de poëtica van Marsman, die bovendien extra waardevol is omdat het tweede deel bestaat uit ongepubliceerde of ongebundelde gedichten, essays, kritieken, verhalen en interviews. Uit dit boek wordt duidelijk dat Marsman in zijn tijd een zeer belangrijk dichter was, die grote invloed heeft uitgeoefend op het nogal vlakke literaire landschap van Nederland. In het laatste hoofdstuk ging Goedegebuure echter in op het 'na-leven’ van Marsman, en daaruit blijkt dat de bewondering en waardering na de oorlog geleidelijk verdwenen. Hoewel Goedegebuure van mening was dat Marsman een flink aantal goede gedichten en enkele passabele autobiografische verhalen had geschreven, was de balans die hij opmaakte redelijk ontluisterend. Als dichter stelde Marsman minder voor dan Slauerhoff, zijn drakerige romans konden niet in de schaduw staan van het meest routineuze werk van Vestdijk, als essayist was hij weinig origineel en als criticus kon hij alleen op het terrein van de poëzie concurreren met Ter Braak en Du Perron, omdat die daar nu eenmaal weinig kaas van hadden gegeten. Marsman, die van geschiedschrijving nooit veel had willen weten, leek niet meer te zijn dan een stukje vaderlandse literatuurgeschiedenis. Wat Marsman boven een plaatsje op het tweede plan uit tilde, was volgens Goedegebuure datgene wat Marsman eerst gecreëerd en vervolgens bestreden had: de mythe van de eeuwig jonge dichter.
DE RESERVES EN bedenkingen uit het proefschrift klinken veel minder door in de biografie die Goedegebuure nu van Marsman heeft geschreven. Op de postume kritiek gaat hij niet in, maar hij laat het bij de constatering dat de gedichten van Marsman nog altijd herdrukt worden. Een blinde bewonderaar is hij nog altijd niet, en ook de dichter zelf wordt allerminst voorgesteld als een heilige. Als zestienjarige was Goedegebuure zeer ontvankelijk voor de dichter met de 'vuren lach’, maar daarna is hij hem in meer realistische proporties gaan zien. In de biografie komen vooral de menselijke - en daardoor ook minder aangename - kanten van Marsman sterk naar voren, maar dierbaar is hij de biograaf nog altijd.
De titel van deze biografie, en de uitleg die daaraan in het voorwoord wordt gegeven, deed eerlijk gezegd het ergste vermoeden. De 'driehoeksverhouding’ van zee, berg en rivier speelt volgens Goedegebuure een grote rol in het werk van de schrijver. Dat mag dan zo zijn, het ophangen van een complete levensbeschrijving aan een enkel thema leidt niet zelden tot gewrongen en eenzijdige biografieën, die vaak meer verhullen dan blootleggen. Gelukkig viel het allemaal reuze mee. Goedegebuure heeft een mooi, evenwichtig en beknopt boek geschreven. Waar nodig behoudt hij enige afstand tot de dikwijls irritante en dweperige Marsman, maar ook neemt hij hem geregeld in bescherming tegenover arrogante of achterbakse collega-literatoren. Wat het boek onder meer sympathiek maakt is de omvang. Nu is Marsman nog geen 41 geworden, dus valt er minder te vertellen dan bij een schrijver die een aartsvaderlijke leeftijd bereikt, maar Harry G.M. Prick wist alleen al over de eerste 26 levensjaren van de volkomen overschatte Lodewijk van Deyssel meer dan duizend bladzijden vol te leuteren. Ook Wim Hazeu’s biografie van Slauerhoff, die ruim twee jaar korter leefde dan Marsman, is tweemaal zo dik als het boek van Goedegebuure. Bovendien produceert Hazeu zulk abominabel dorretakkenproza dat de lezer zelfs boven het allesbehalve saaie leven van Slauerhoff in slaap sukkelt. Goedegebuure schrijft doorgaans elegant en helder. Af en toe neigt hij tot psychologiseren, bijvoorbeeld als hij suggereert dat Marsmans behoefte aan 'mannelijke’ vrouwen en zijn homofobie voortkomen uit een latente homoseksualiteit. Dat is best mogelijk, maar zou het niet gewoon zo kunnen zijn dat Marsman zocht naar dominante vrouwen omdat hij niet zo'n zelfstandig type was? En kan zijn afkeer van homo’s niet eenvoudig voortkomen uit het feit dat zelfs een rebelse dichter nooit alle maatschappelijke conventies kan afschudden?