Een machteloze eenling

Romans kunnen kapot worden gemaakt door ze op toneel te zetten. Zoniet Kellendonks ‘Mystiek lichaam’. De meerstemmigheid van die roman profiteert van de meerstemmigheid van het toneel. En horen we daar een van die stemmen ‘Weg met het homo-huwelijk!’ zeggen?
KELLENDONKS Mystiek lichaam verscheen tien jaar geleden, in 1986; een roman, bedoeld om te lezen en te overpeinzen, maar in potentie ook een tekst die kon worden verwoord door acteurs met dragende stemmen en echt speeksel. Maar het woord werd niet meteen vlees, het wachtte daarmee tot het juiste ogenblik was aangebroken - of misschien moet ik zeggen, het meest ongemakkelijke ogenblik waarop Kellendonks werk weer de verwarring kon stichten die het ook bij publikatie veroorzaakte.

Dat moment brak aan in het zeer vroege voorjaar van 1996, toen de lente officieel haar intrede deed en een kakelvers onderwerp de Nederlanse politiek beheerste.
Vlak voordat ik me op weg begaf naar het Haagse theater om de toneelbewerking van Johan Doesburg en Ariane Schluter te zien, ving ik met een half oog nog wat tv- beelden op. Het was een dartel allegaartje dat de actualiteit ons voorschotelde, van gekke koeien tot narco-staten, en ergens in dat rijtje kwam ook het homo-huwelijk aan bod.
Een kind met slabber in beeld, terzijde gestaan door twee vrouwen, die tussen het hapjes geven door een hartstochtelijk pleidooi hielden voor deze mogelijkheid.
Omdat wij in Nederland nog banger zijn voor de verdenking van discriminatie dan voor discriminatie zelf, mochten even later twee mannen hetzelfde verhaal vertellen. Zij hadden als mascotte een kruipende peuter in stelling gebracht.
Mij vertederen die gezinsplaatjes niet per se, maar voor de rest houd ik er in deze kwestie een saai, voorspelbaar standpunt op na. Laat ze - daar komt mijn mening op neer. Zelf hoef ik niet zo nodig, maar als er homo’s zijn die willen trouwen omwille van elkaar en meer nog omwille van de kinderen, dan moet dat toch geregeld worden? Het is een vorm van liberale vrijgevigheid die niets kost en mij bovendien ontslaat van de plicht om het achterste van mijn tong te laten zien.
Ik spreek hier niet namens mijzelf, maar namens anonieme anderen, die ik van harte het leven gun dat ik zelf niet zou willen leiden. Het is een comfortabel, politiek oordeel, dat heel goed op partijcongressen kan worden verdedigd, juist omdat het zo algemeen is en gespeend van eigenbelang; er zou een lauw, tot niets verplichtend applausje op volgen.
Ik schat dat Kellendonk het schandalig algemeenzou vinden.
EEN UUR LATER luister ik naar de snijdende monoloog van broer Leendert, Kellendonks homoseksuele protagonist in Mystiek lichaam, en hoewel ik de tekst bijna letterlijk uit mijn hoofd ken, moet ik gaan verzitten bij het aanhoren van zoveel zelfkritiek.
Over homoseks: ‘Seks zonder voortplanting, al is het maar de angst ervoor, wordt een dwangneurose. Om van de fysica der lustbevrediging iets duurzaam opwindends te maken moet er een beetje metafysica bij. Mannen en vrouwen hebben samen het verbond van God met zijn volk. Daarvan kon ik geen deelgenoot zijn. Ik verzon zelf maar wat, een krakkemikkige doe-het-zelf-metafusica.’
En over homoseksuelen: 'Nergens ontmoet je zoveel Don Juans en nymfomane hotemetoten als juist daar. Hofmakerijen, echtverbintenissen compleet met trouw totterdood, jaloezie, gooi- en smijtwerk, alle vormen die zijn voortgekomen uit de zorg om het kroost worden er zonder enige noodzaak en daarom lachwekkend geimiteerd. De homoseksualiteit, die buiten de geschiedenis staat en geen eigen vormen heeft, is tot imiteren en overdrijven gedoemd.’
Homo’s kunnen niet trouwen, zegt Kellendonk met zoveel woorden; hooguit kunnen ze de huwelijkse rituelen naapen, en ze daarmee ridiculiseren. Een inzicht dat hem precies nul aanhangers zou opleveren, omdat het zelfs in religieus-rechtse hoek slecht zou vallen. Ze houden daar niet van homo’s, laat staan van homo’s die zo brutaal zijn evenmin van homo’s te houden.
In een van zijn essays stelt Kellendonk het probleem van het zogeheten bathos aan de orde: 'Het gedrukte woord heeft een logheid die de stijl omlaagtrekt. Ik heb er zelf genoeg mee te stellen, met dat bathos. Een geploeter dat het me kost om mijn stem te laten spreken namens mij en namens niemand anders.’
Het zijn opmerkingen die Kellendonk maakt tegenover een bevriende journalist met wie hij regelmatig het leven doorneemt, in een cafe, onder vier ogen. Maar zodra hij de weerslag van die gesprekken terugleest in de krant, ontdekt hij dat de woorden van zijn vriend een vreemd, dreunend ritme hebben gekregen. 'Je stem leek wel het Urker mannenkoor. De mening die je me hier verkondigd had was plotseling een publieke opinie geworden. De hele krant, alle lezers galmden mee.’
Mystiek lichaam ontbreekt het aan bathos, aan dat meervoudsspreken waarin gebruik wordt gemaakt van onzichtbare derden om het eigen standpunt te verstevigen. Politici hebben er een dagtaak aan.
Namens mijn fractie. En velen met mij.
Maar zodra acteur Jeroen Willems het podium oploopt (broer Leendert in het stuk) en aan zijn tirade begint, met een timbre dat al net zo onwaarschijnlijk klinkt als zijn boodschap, is er slechts dat enkelvoudige geluid, dat niet op ondersteuning kan rekenen.
Dat is bijzonder, want de mores van het Engelse parlement zijn allang niet meer het alleenrecht van de politiek: ze hebben ook in de literatuur hun intrede gedaan. Ik bedoel het soort schrijven dat wordt gedragen door het instemmende gesis van de lezers. 'Hear, hear’, roepen die pagina na pagina, want zij kunnen zich geheel vinden in de hoofdpersoon van het boek, ook al omdat die de vage trekken heeft aangenomen van een astrologische rubriek: hij of zij is een zeer algemeen gehouden belofte, waarin iedereen zich zo'n beetje kan herkennen.
Er zijn dus schrijvers die politieke methoden gebruiken om zich van een achterban te verzekeren. Ze verlagen de leesdrempel en democratiseren hun personages. Het zijn volksvertegenwoordigers, in de ware zin van het woord, vermomd als literatoren.
Kellendonk doet precies het omgekeerde: hij hanteert strikt literaire middelen, maar houdt zich tegelijkertijd het recht voor om kwesties aan te roeren die een duidelijke politieke lading hebben. Mystiek lichaam noemde hij provocerend 'een moraliteit’.
Daarmee plaatste hij de lezer - en nu dus ook de toeschouwer - voor een lastig dilemma. Wie Kellendonks schrijfkunst bewondert, kan niet zomaar zijn ideeenwereld terzijde schuiven, want de auteur wist zijn esthetica en zijn ethica op ingenieuze wijze met elkaar te vervlechten.
In dat verband is Kellendonks essay over Ezra Pound veelzeggend, waarin hij de aantekening maakt: 'Het gaat niet aan om zijn (Pounds) poezie te prijzen en zijn politiek te verketteren - daarmee verbannen we de poezie uit de wereld.’ Het is alsof de auteur kon voorzien wat er met hemzelf zou gebeuren: dat de auteur zou worden bejubeld, en de moralist voor gek verklaard, of erger. Die vluchtroute heeft hij voortijdig willen afsluiten.
Vandaar dat de toneelbewerking van Mystiek lichaam een verbinding aangaat met het homo-huwelijk en het acht uur-journaal: de man blijft zich zoveel jaar na zijn dood uitdrukkelijk met het leven bemoeien.
BEN IK HET MET Kellendonks visie eens? Het lijkt me de verkeerde vraag, omdat ik eraan twijfel of de schrijver het met zichzelf eens was. Ik heb de indruk dat hij in Mystiek lichaam bezig is zoveel mogelijk stemmen te vergaren. Maar anders dan politici, die hun eigen standpunt vermenigvuldigd willen zien en daartoe standjes huren op de plaatselijke markt en gatis ballonnen uitdelen, wil Kellendonk niet zozeer meer aanhang, als wel meer mening. Hij pleegt vivisectie, hij deelt die ene persoonlijke opinie van hem op in te onderscheiden gedachten, bijna-gedachten, halve vermoedens en second thoughts.
Het is een verschil in werkwijze: gezagsdragers en publieke redenaars hebben belang bij een robuust standpunt dat zich ferm laat verwoorden, zonder noemenswaardige haperingen. Maar een schrijver spreekt alleen tijdens de boekenweek menigten toe; gewoonlijk zit hij achter zijn bureau en is hij met zichzelf in gesprek.
'Uit het debat met jezelf ontstaat poezie, uit het debat met anderen retoriek’: woorden die Kellendonk van de dichter Yeats leende en die hij dankbaar in praktijk bracht.
Omdat de romancier niet tot een afgerond oordeel hoeft te komen, maar integendeel elke tegenspraak of ambivalentie kan omvormen tot een apart karakter in zijn boek, kan men in de literatuur heel wat schandalige stelligheden tegenkomen, die wel door de auteur zijn bedacht maar die hij niet stuk voor stuk voor zijn rekening wil nemen. Romanschrijvers mogen straffeloos met drie- of vierdubbele tong spreken, en het resultaat noemen we niet meteen leugenachtig, maar meerstemmig.
Mystiek lichaam lijkt wat dat betreft niet op het Urker mannenkoor, maar op zo'n virtuoos, meestal Amerikaans a capella-groepje, waar zeven of acht stemmen tegen elkaar opboksen, om zich uiteindelijk te vermengen.
Er zijn in dat geheel leading vocals aan te wijzen, die de melodie voor hun rekening nemen; het lijdt bijvoorbeeld geen twijfel dat het in Kellendonks roman broer Leendert is die de toon zet, aangevuld door zijn vader Gijselhart en zuster Prul. De rest van de figuren verrichten min of meer ondersteunende werkzaamheden - quasi basso continuo.
Dit is literair materiaal dat toneelregisseurs moet doen watertanden; geen autobiografische roman, maar een drama van drie personen, die allen een vergelijkbare inbreng hebben, met ieder een eigen logica. Ze staan als het ware al klaar in de coulissen; literaire nakomelingen, met een onmiskenbaar dramaturgisch instinct.
HET VREEMDE IS NU dat het toneelstuk niet zo meerstemmig klinkt als de roman. Echte mensen op het podium, met ieder een eigen stem, een ander gezicht - en het resultaat is paradoxaal genoeg vlakker, minder driedimensionaal dan op papier. Doesburg en Schluter zijn erin geslaagd broer Leendert tot leven te wekken, met al zijn wrok en zelfhaat, maar dat ging ten koste van de andere peronages, die nu onduidelijk om hem heen zwerven en af en toe zelfs een overbodige indruk maken. Het verband is zoek.
Vooral de rol van Pechman, de jood in het verhaal die zus Prul bezwangert en die er uiteindelijk voor zorgt dat zij het ouderlijke huis verlaat, is schimmig. Het stereotype spreekt van de eeuwig dolende jood, maar in dit toneelstuk lijkt hij echt verdwaald, op zoek naar een rol die niet voor hem is weggelegd.
Dat ligt niet aan de acteurs, maar ten dele aan de regisseurs - dat is vooral een makke van toneel. Van Het Toneel. Want op het podium is meerstemmigheid al snel te letterlijk.
In Mystiek lichaam voegen de stemmen zich naar elkaar, hoe verschillend ze ook zijn: dat is te danken aan de almachtige schrijvershand, die eenheid in verscheidenheid afdwingt. De lezer begrijpt dat de personages in Kellendonks boek, met hun tics en eigenaardigheden, uiteindelijk afsplitsingen zijn van dat ene idee dat de schrijver wilde oproepen. Ze staan bij hem onder contract, hij beschijft ze inzoverre ze de samenhang versterken.
Maar het toneel vraagt om volwaardige rollen, 'round characters’, die de neiging hebben hun eigen gang te gaan en hun persoonlijkheid uit te diepen. Het worden echte mensen, en hun verhoudingen onderling zijn al even contingent en onnavolgbaar. Het individuele spel kan daarmee aan kracht winnen, de solo’s klinken des te overtuigender (Jeroen Willems overtreft de Leendert uit het boek, want maakt diens ambivalentie zichtbaar), maar er gaat ook iets mee verloren: het 'bezielend verband’, om maar een van Kellendonks favoriete uitdrukkingen te gebruiken - die broze eenheid, die zich op papier laat afdwingen maar zich niet of nauwelijks laat verplaatsen naar een podium, waar de visuele werkelijkheid de verbeelding in de weg zit.
MYSTIEK LICHAAM vertelt het verhaal van een verloren gegane eenheid: de eenheid tussen man en vrouw, tussen het individu en de gemeenschap, tussen volk en god. 'Er is maar een Geschiedenis, en dat is de Geschiedenis van iedereen’, schrijft Kellendonk. 'Of er is geschiedenis, of er is overbodigheid, het is het ene of het ander’.
De roman vertelt het verhaal van overbodige mensen die buiten de geschiedenis zijn gevallen - en daar komt, anders dan in het toneelstuk, geen overbodig detail aan te pas.
Wie onvolledigheid wil uitdrukken, zal daarin volstrekt volledig moeten zijn; wie versplintering wil verbeelden, moet zich aan een strakke compositie houden. Dat is wat op papier lukte, en wat op de buhne veranderde in het tegendeel.
Wat houdt dat mystieke eenheidsbegrip van Kellendonk in? Welk 'lichaam’ heeft zijn heelheid verloren en is in scherven en brokstukken uiteengevallen?
Zijspoor: de Franse psychoanalyticus Parin heeft onderzoek gedaan naar het Afrikaanse Dogon-volk. Hij ontdekte dat deze mensen heel goed rampspoed en tegenslagen konden opvangen, zonder dat dit leidde tot allerhande psychopathologisch gedrag. Een weerbare stam, een evenwichtig geheel. Maar zodra de individuele Dogon naar de stad trok om daar een leven voor zichzelf te beginnen, namen de dissociaties, de psychosen en de suicide-fantasieen een aanvang.
Kellendonk, die zich nooit heeft laten be trappen op een overdreven belangstelling voor Afrikaanse culturen, moet een Europees voorbeeld voor ogen hebben gehad. In interviews sprak hij vaak hartstochtelijk over de negentiende eeuw, alsof die tijd hem meer paste dan de zijne. Maar ik ben ervan overtuigd dat we nog verder terug moeten in de geschiedenis; Kellendonks fascinatie voor het vanzelfsprekende verband verwijst naar de late middeleeuwen, toen de reformatie nog moest losbarsten.
In die zin is hij reactionair, in de neutrale betekenis van het woord.
In Europa is het de tijd van het onwankelbare geloof, van die ene Moederkerk die alles en iedereen omvat en nog geen concurrentie hoeft te vrezen. Er was geschiedenis, een geschiedenis, en niet die veelheid aan denominaties, afsplitsingen en overtuigingen die het protestantisme in het leven zou roepen.
Het huidige tijdsgewricht zag Kellendonk als een schervengericht: tal van geschiedenissen, verspreide splinters van die ene 'eeuwige vaas’ (de woorden zijn van broer Leendert), toen het ding nog niet aan diggelen was gevallen.
De individuele twijfel, dat produkt van de Verlichting, moet voor hem niets anders zijn geweest dan de doodskus, die de geschiedenis de mensen op de lippen heeft gedrukt: daarna begon de fragmentatie, de verbrokkeling, het verval.
Tegelijkertijd is het moeilijk je een individueler, eigenzinniger schrijver voor de geest te halen dan Kellendonk: zijn verlangen naar eenheid en verband bracht hij onder woorden in een taal die zo particulier was dat niemand er goed raad mee wist. Hij opereerde strikt solistisch, op het eenkennige af, om zo zijn hang naar gemeenschap te beschrijven. De man hoefde met zijn ideeen niet bang te zijn voor volgelingen.
NOGMAALS: kan ik me in Kellendonks ideeen vinden?
Ik moet er eerlijk gezegd niet aan denken dat zijn woorden van betekenis zouden zijn voor de praktische politiek; dat de regering inzake het homohuwelijk Mystiek lichaam ter hand zou nemen om haar richting te bepalen.
Maar wat ik mis, is zo'n virtuoos, pijnlijk precies essay waarin hij uitlegt waarom het homo-huwelijk onzin is, en dat die nichten niet en het Verbond, en de nachtsauna kunnen hebben; dat adoptie niets met voortplanting te maken heeft, en dus buiten de geschiedenis valt. En mocht het die homo’s ernst zijn met die kinderen, dat ze dan toch eerst hun eigen infantiele gedrag onder de loep moesten nemen.
Enfin, ik kan dat niet. Maar hij wel. Want Kellendonk was als 'machteloze eenling’ het meest geslaagd.
Hij zou overigens de eerste zijn om dat tegen te spreken.