De emancipatie van de leraar

Een mager reddingsplan

Met het Deltaplan pleit Beter Onderwijs Nederland voor de herwaardering van het vak docent. Maar er is meer nodig om de crisis in het onderwijs op te lossen.

‘De macht weer terug aan de leerkracht en de ouders’, was de kreet waarmee Beter Onderwijs Nederland (bon) zich in 2006 een alomtegenwoordige plaats op het onderwijspodium verschafte. bon richtte zijn pijlen op de bazen in het onderwijs en kwam op voor de onderbetaalde en geknechte leerkracht die zich volgens bon in allerlei rare bochten moest wringen om aan het nieuwe leren te doen. Die bede leek even verhoord: de commissie-Rinnooy Kan adviseerde in 2007 meer geld en bijbehorende posities voor de leerkrachten.

Vier jaar later ligt er een Deltaplan Onderwijs van dertig kantjes van bon. De hand van bon-voorman en filosoof Ad Verbrugge is duidelijk herkenbaar. Het epistel is een combinatie van cultuurkritiek op opvoeding, moraal en het neoliberalisme dat het zogenaamde marktdenken in het onderwijs heeft gebracht. bon wil betere leerkrachten, betere scholen voor de achterblijvers, strengere inspectie, en noodmaatregelen voor het lerarentekort. Maar de grote pijn voor bon zit hem toch nog steeds in de machtsvraag: grote logge bureaucratische lagen van besturen en management halen geld weg bij het uiteindelijke leerproces en de professional, de leerkracht.

Verbrugge noemt deze bestuurslagen niet democratisch omdat ze via schimmige benoemingsprocedures totstandkomen en niet of nauwelijks verantwoording afleggen. Iedere poging om die crisis in het onderwijs aan te pakken is de afgelopen vier jaar afgeketst op deze rubberen muur van macht. De uiteindelijke resultaten van het advies van Rinnooy Kan stelden teleur. bon roept daarom op tot ingrijpen van de overheid in het voordeel van zogenaamde lerarenraden die beslissen over onderwijsinhoud, het aanstellen van directie én besturen.

Per jaar verdeelt de overheid bijna 28 miljard euro over het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs, het speciaal onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs, het hoger beroepsonderwijs en de universiteiten. In het basisonderwijs werken 100.000 leerkrachten, in het voortgezet onderwijs 62.000, in het mbo 44.000, het hbo 30.000 en aan de universiteiten bijna 23.000. Je zou met deze bedragen en aantallen werknemers beter kunnen spreken van een agglomeraat met uiteenlopende economische belangen en culturen. Wie vertegenwoordigt bon in dat agglomeraat? bon heeft krap vijfduizend leden. In 2008 kwamen er 140 leden bij. Er is geen informatie over de samenstelling van het bestand, maar het aanbevelingscomité geeft een aardig beeld: veel hoogleraren en classici van bovengemiddelde leeftijd. Op de website gaat de discussie vooral over voortgezet onderwijs, mbo en hbo, en lijkt het overgrote deel voorstander van het klassikale leren. Ter vergelijking: de onderwijsvakbond aob heeft meer dan tachtigduizend leden en groeit met duizend leden per jaar, vooral door de aanmelding van jonge leerkrachten in het basis- en voortgezet onderwijs. CNV Onderwijs heeft 52.000 leden die voornamelijk in het basisonderwijs werken.

In 1997 fuseerde de toenmalige Algemene Bond van Onderwijzend Personeel (Abop) en het Nederlands Genootschap van Leraren (ngl) tot de Algemene Onderwijsbond (aob). De ngl vertegenwoordigde de eerstegraders in driedelig grijs en de Abop de lagere rangen in spijkerbroek en slobbertrui. De fusie ontstond omdat sinds begin jaren negentig de leerlingenaantallen drastisch afnamen. De lerarenopleidingen leidden een kwijnend bestaan met teruglopende aanmeldingen. Wie met het toenmalige beginsalaris leraar wilde worden, was gek of idealistisch.

Maar om te begrijpen waarom we nu in een zogenaamde onderwijscrisis zijn beland, moeten we wel terug naar die jaren negentig. Samen met de nutsbedrijven, woningbouwverenigingen, ziekenhuizen en thuiszorg maakte het onderwijs mee wat zoveel voormalige overheidssectoren meemaakten: ze vermarkten. De logge overheid zat deze sectoren in de weg en de markt zou een louterende werking en meer keus voor de consument tot gevolg hebben. Die verandering werd zoals veel grote veranderingen in het onderwijs breed gedragen door de overlegorganen in het onderwijsveld. Met als wapperend bewijs de gele circulairevloed van het ministerie dat toen nog in Zoetermeer stond. Waar artikel 23 er vanaf 1917 voor zorgde dat de macht aan de ouders toekwam en het onderwijs de zorg van de overheid was, heeft het onderwijs door deze ontwikkeling de invloed van ouders en overheid verloren.

Sinds een aantal jaren hebben alle sectoren hun eigen brancheorganisatie in de vorm van de po-, vo-, mbo-, of hbo-raad. Er is, zoals in vele voormalige overheidssectoren, een onduidelijk apparaat van zeggenschap en inspraak opgetuigd waarin door vertegenwoordigers van vakbonden, brancheorganisaties en voor de gelegenheid aangeschoven belanghebbenden wordt overlegd. Een tandeloze onderwijsinspectie moet toezien op de onderwijskwaliteit, met een opdracht die ook nog uit de vorige eeuw stamt: de vrijheid van onderwijs gebiedt een terughoudende inspectie die geen invloed mag uitoefenen en slechts op een minimumniveau toetst. Daarnaast is om het onderwijs een schil ontstaan van allerlei advies-, trainings-, en consultancybureaus die een flinke boterham verdienen aan alle verwarring in het onderwijsagglomeraat.

Ondertussen veranderde Nederland in diezelfde tijd in rap tempo. Naast de toestroom van groepen vaak laag opgeleide immigranten steeg het opleidingsniveau van de middenklasse snel. Het opleidingsniveau van het onderwijzend personeel steeg echter niet in hetzelfde tempo mee. De eisen voor de vooropleiding werden zelfs minder streng om toch nog studenten te trekken voor het steeds minder populair wordende onderwijzersvak.

Onderwijskundige Gerda Geerdink concludeert in haar onderzoek naar de pabo’s dat de huidige pabo-student meestal een blank middenklasse havo-meisje zonder ambities is, dat graag 'iets met kinderen’ wil doen. Waar vroeger de kweekschool de weg van de arbeidersklasse was om hogerop te komen, noemen de huidige studenten de pabo spottend de plak- en knipacademie. Op de tweedegraads lerarenopleidingen bespiegelen de studenten zich een slag in de rondte zonder veel voor de klas te staan en de eerstegraads leerkrachten hebben slechts een jaar om zich klaar te stomen.

Met de daling naar slechts 1,7 kind per gezin steeg het belang van dat kind. Een goede opleiding is in deze snel veranderende samenleving een belangrijke investering. Maar anno 2010 staan er leerkrachten voor de klas die steeds vaker lager zijn opgeleid dan de ouders. (De scholen waar de leerkrachten veelal hoger zijn opgeleid dan de ouders hebben zo hun eigen problemen.) Een van de populairste cursussen voor beginnende leerkrachten van de aob is hoe om te gaan met deze hoogopgeleide ouders. In deze cursus leren leerkrachten om te gaan met de vader die een zelfgeschreven handelingsplan op tafel legt voor de leesachterstand van zijn zoontje.

En het houdt niet op bij die basisschool: ouders laten zich ook horen en zien op de hbo’s en universiteiten waar hun kinderen studeren. Ze gaan massaal mee naar de open dagen en bellen de docenten voor uitleg over de prestaties van hun kroost. De kinderen van die hoogopgeleide ouders zijn ook niet op hun mondje gevallen; ze zijn met hun ouders mee geëmancipeerd. Lesgeven aan een groep van dertig pubers is tegenwoordig een stevige opgave.

Boven op deze mix van maatschappelijke veranderingen kwamen nog een paar mislukte onderwijshervormingen en de malaise was aan het begin van het nieuwe millennium compleet. Ouders krijgen niet het onderwijs voor hun kinderen dat ze eisen, leerkrachten hebben geen zeggenschap meer over hun werk, en de overheid, waar iedereen verwachtingsvol naar kijkt, heeft weinig meer te zeggen over onderwijs. Dat heet een machtsvacuüm.

Wat heeft dit alles met het Deltaplan van bon te maken? In feite is bon niets meer en niets minder dan de emancipatie van de elite onder de leerkrachten die pleit voor de herwaardering van het vak docent. Dat is een goede ontwikkeling, want onderwijs staat of valt inderdaad met de leerkracht. Het Deltaplan is een reddingsplan van de leerkracht en geen herstructurering van het onderwijs, zoals de ondertitel luidt.

Sinds de zogenaamde onderwijshervormingen is een alomvattende visie op onderwijs taboe. Niemand durft daar nog zijn vingers aan te branden. Maar onze sterk veranderde samenleving en het onderwijs hebben zo'n visie meer nodig dan ooit. We hebben grote problemen met schooluitval, oplopend functioneel analfabetisme, segregatie, zwakke onderwijsinstellingen in alle sectoren. Nu het marktdenken naar de mestvaalt is verwezen klinkt weer de roep om een sterk optredende overheid. Zo ook bij bon. Maar een landelijke overheid zal het hele onderwijsagglomeraat wederom niet aankunnen. Sterker: het onderwijs in Staphorst verschilt in hoge mate van dat in Rotterdam.

Waar bon ooit begon als belangenvereniging van ouders én leerkrachten, is de rol van ouders, zoals in het hele onderwijs, ondergesneeuwd. En dat is jammer. Want naast de stem van de leerkracht zal ook die van de ouder meer gehoord moeten worden. Uit internationaal onderzoek blijkt klip en klaar dat de kritische rol van middenklassenouders de kwaliteit van het onderwijs in een school verhoogt. Hoe doorslaggevend hun stem is, bleek al bij het afschaffen van de basisvorming en het bijstellen van het studiehuis en de 1040-urennorm, toen de mondige middenklassenouders en hun kinderen ook van zich lieten horen. De publieke opinie bleek krachtig. Het doorgaan van het competentiegerichte leren in het mbo heeft alles te maken met ouders en leerlingen die geen soortgelijke vuist kunnen maken tegen de machthebbende klasse in het onderwijs.

Onderwijs staat niet voor niets zeer hoog op de agenda tijdens de verkiezingsstrijd. Middenklassenouders uiten hun zorg over het onderwijs in hun stemgedrag. De Amsterdamse pvda-wethouder Lodewijk Asscher profileerde zich daarom stevig op onderwijs. Tegelijkertijd met bon kwam hij ook met een Deltaplan: alle leerkrachten in het Amsterdamse basisonderwijs moeten een universitaire opleiding hebben. Maar Asscher belooft iets wat hij niet kan waarmaken, want bizar genoeg heeft hij er niets over te zeggen. En ouders al helemaal niet.

Daarom moet de invloed van ouders, leerkrachten en de lokale overheid in de onderwijsbesturen sterker worden en wettelijk worden vastgelegd. Gezamenlijk moeten ze streven naar een transparant lokaal onderwijssysteem. Transparant over toelating van leerlingen, transparant in prestaties en transparant in de verantwoording naar de ouders, bedrijven en overheid, zowel op onderwijskundig als financieel gebied.

Daarnaast moeten we ook onderkennen dat het onderwijs is veranderd. De leerlingen en studenten die tegenwoordig het onderwijs van basisschool tot universiteit bevolken zijn meer divers qua milieu, sekse en etniciteit dan ooit tevoren. Het onderwijs moet daarom meer individuele trajecten en maatwerk aanbieden. Dat laatste punt is tegen het zere been van bon, dat klassikaal onderwijs als de panacee van alle kwalen in het onderwijs ziet. Inderdaad: lesgeven aan groepen met verschillende niveaus is moeilijk. Het vergt alles van het vakmanschap dat een leerkracht in huis heeft. Daarom moet iedere leraar een universitaire opleiding krijgen met veel aandacht voor de praktijk, kleinere klassen, meer assistenten voor de administratieve rompslomp, meer bijscholing en zeker een betere betaling. Als samenleving moeten we ons scharen om de scholen en hun leerkrachten. We moeten ze het beste geven, maar ook het beste van ze eisen.

Anja Vink is freelance onderwijsjournalist en publiceerde onlangs het boek Witte zwanen, zwarte zwanen: De mythe van de zwarte school