Hoofdcommentaar

Een mager zesje

Medium zes

Terwijl duizenden scholieren deze week de uitslag van hun eindexamen te horen krijgen, velt de publieke opinie zoals ieder jaar haar eigen oordeel over dit maatschappelijk instituut. De uitslag daarvan is natuurlijk niet zo nauwkeurig als de cijferlijsten, die deze dagen worden uitgereikt, maar het overheersende beeld is niet bemoedigend.

In de eerste plaats wordt uitgerekend de nauwkeurigheid van die eindexamencijfers steeds vaker aangevochten. Dat komt niet doordat er in ons onderwijs een nieuwe ideologische richtingenstrijd (‘Wat zegt zo’n cijfer nou helemaal’) is losgebarsten. Het komt doordat middelbare scholen in toenemende mate ‘sjoemelen’ met de cijfers van hun schoolonderzoeken. Dat verschijnsel is goed te meten. Je maakt je er niet populair mee, maar het is kennelijk wel nodig. De boeman van dienst is Jaap Dronkers, hoogleraar sociale ongelijkheid aan het Europees Onderwijs Instituut in Florence.

Dronkers is gespecialiseerd in vergelijkend onderzoek van schoolresultaten. Hij maakte vorige week de uitkomst bekend van een vergelijking van de cijfers van het schoolonderzoek en het centraal eindexamen van 2005. Daaruit blijkt dat er op een deel van de Nederlandse scholen meer dan een punt verschil tussen beide cijfers was. Dronkers deed eerder samen met zijn studente Marloes de Lange zo’n onderzoek over de jaren 1998-2004. De uitkomst was vergelijkbaar, al is er sinds 1998 duidelijk sprake van een trend.

Dronkers is geen geliefde boodschapper, omdat hij vaak pijnlijke boodschappen brengt. Zo wijst hij al jaren op het verschil in schoolresultaten tussen verschillende migrantenpopulaties. Aziatische migrantenkinderen doen het op Nederlandse scholen zoveel beter dan kinderen van Afrikaanse of Arabische origine dat de gebruikelijke verklaringen voor het achterblijven van de laatsten (taalachterstand, sociale positie) niet opgaan.

Aangezien de vaststelling van dit verschil op zichzelf al een taboe is, waagt Donkers zich naar eigen zeggen niet aan verder onderzoek naar de oorzaken.

Als het gaat om de schoolonderzoeken neemt Donkers geen blad voor de mond. Zo stelt hij vast dat vooral vrije, ‘zwarte’ en particuliere scholen de hand lichten met de schoolonderzoeken. Daar kunnen we ons allemaal iets bij voorstellen. Het zijn drie schooltypen die tegenover de rest van de samenleving iets te bewijzen hebben, omdat hun didactische aanpak, curriculum en leerlingenpopulatie beduidend afwijken van het gemiddelde. In een land waar het gemiddelde vanzelfsprekend als de norm wordt beschouwd, is dat geen gemakkelijke opgave. Hier past dan ook een waarschuwing, die Donkers helaas achterwege laat.

Er moet worden gewaakt tegen borrelpraat over ‘zwarte’ scholen die zich op een gemakkelijke manier van de exameneisen afmaken. Om te beginnen wordt op die scholen vaak harder en onder moeilijkere omstandigheden gewerkt dan in enig ander schooltype. Ten tweede geldt hier de realistische norm dat het einddiploma en het vertrouwen in de toekomst dat de kinderen en hun ouders daaraan ontlenen, belangrijker zijn dan de behaalde leerdoelen. Deze scholen beseffen maar al te goed dat ze worden opgezadeld met sociale problemen waaraan anderen hun handen niet willen vuilmaken. Terwijl de samenleving van hen verwacht dat zij namens ons de onderkaste in bedwang houden, hebben ze zelf begrijpelijkerwijs de neiging hun leerlingen te beschermen tegen diezelfde samenleving.

Voorts blijkt de discrepantie tussen schoolexamen- en centraalexamencijfers het grootst te zijn op het vwo. Die uitkomst sluit aan bij de discussie die sinds 2006 woedt over de kwaliteit van het hoger onderwijs en de algemene onvrede over het studiehuis. Een ondersteunende trend is dat vorm en inhoud van de examens steeds meer worden aangepast aan de veronderstelde ‘belevingswereld’ van de scholier in plaats van aan de volwassen wereld waarin deze wordt geacht te functioneren. Als symbool van verkleutering stond dit jaar bij het vmbo-examen wiskunde een foto van een scooter afgebeeld, alsof scholieren niet weten wat dat voor een ding is. Steeds minder docenten blijken ook het eindexamenreglement te kennen. Bij het Landelijk Aktie Komitee Scholieren is dit jaar een recordaantal klachten (85.000, tegen 79.000 vorig jaar) binnengekomen, waarbij de nadruk ligt op reglementaire kwesties.

Het laatste redmiddel in al deze gevallen zou de Onderwijsinspectie moeten zijn. Helaas blijkt die niet te inspecteren. Dat stelde de Twentse onderwijskundige Melanie Ehren vast in haar proefschrift Toezicht en schoolverbetering. Inspecties worden doorgaans aangekondigd of afgesproken en leiden zelden tot daadwerkelijke aanpassingen. Er ligt zelfs een plan om ze in de toekomst geheel te vervangen door schriftelijke rapportages van de scholen. In dat geval kunnen we de Onderwijsinspectie evengoed opheffen. ‘Het probleem is dat de politiek nooit de knoop heeft doorgehakt over wat we met de inspectie willen’, concludeert Ehren. Hopelijk kunnen minister Ronald Plasterk en zijn twee staatssecretarissen die knoop doorhakken nu hun speelkwartier (‘kennismaken met de samenleving’) voorbij is.

Het eindexamen van dit jaar verdient niet meer dan een mager zesje, dat wil zeggen een voldoende zonder uitzicht op verbetering. Bestuurders besturen niet, examinatoren examineren niet, inspecteurs inspecteren niet en leerlingen leren niet wat ze zouden moeten leren. Het Nederlandse onderwijsdebat is natuurlijk een welvaartsdiscussie, omdat ons onderwijspeil nog altijd vele malen hoger ligt dan in de meeste andere landen in de wereld. Maar met welvaart kun je niet zorgvuldig genoeg omspringen.