Een man alleen

‘De ene schrijver is de andere niet.’ Een nietszeggend zinnetje dat maar in mijn hoofd bleef drenzen tijdens het lezen van de grote roman van Robert Anker, Vrouwenzand. Robert Anker is geen A.F.Th. van der Heijden bijvoorbeeld, en ook geen Simon Vestdijk. Aan beide schrijvers moest ik desondanks veel denken bij het lezen van Anker. Met heimwee, deels.

De gedachte aan Van der Heijden ligt voor de hand. Ankers ‘generatieroman’ schampt tegen het meest sociologische deel van Van der Heijdens romancyclus De tandeloze tijd: Advocaat van de hanen (1990). Beide romans beschrijven op bijna documentaire wijze Amsterdam in de jaren tachtig, het Amsterdam van 'geen woning, geen kroning’. Beide romans gaan over verloedering en verval, zowel op persoonlijk als op ideologisch vlak. Vestdijks gestalte doemt in de tweede helft van het boek op. Vrouwenzand blijkt dan de geschiedenis van een man alleen, zoals de Anton Wachter-cyclus van Vestdijk dat ook is. De man alleen die zijn contouren krijgt tegen de sjabloonachtige gestalten van zijn vrienden, familie en liefdes. Slechts één krijgt kleur. De kleur van het jongetje dat hij ooit was, met zijn oerervaringen van geborgenheid, angst en verlangen. Voor wie het Zeeuwse dorp Vrouwenzand de thuishaven is, zoals voor Anton Wachter het anker voor altijd in Lahringen ligt. We hebben het hier over Paul Masereeuw. Advocaat van beroep, aanvankelijk ideëel bevlogen en dienstbaar aan de minder bedeelden, maar tegenwoordig in goeden doen door louche zaakjes en foute cliënten. Om het beeld even compleet te maken: hij rijdt in een BMW, woont in Amsterdam-Zuid en snuift nog net geen coke. Bij het begin van de roman bevindt hij zich in Venetië, op de vlucht voor de zware jongens met wie het eerst zo prettig zakendoen leek. Hoe heeft het zover met Paul kunnen komen? Schoksgewijs neemt de auteur ons mee in het verleden van zijn held. Advocatencollectief, studie rechten, activist en kraker, studie Nederlands, diensttijd, middelbare school, lagere school, moeders rokken… de hele rataplan. Niet dat daarmee een antwoord wordt gegeven op de vraag hoe het zo gekomen is, want dat antwoord is er natuurlijk niet. Waarmee het allemaal over en uit zou kunnen zijn: dit is een man en dit is zijn geschiedenis. Maar Anker heeft geen genoegen genomen met de barre feiten des levens. Hij gunde zijn romanheld een drama, met drugshandel, ontruimingen en bedreigingen. Hij gunde hem een tijdgeest, met lepe Marokkanen, computerkunst en crack. Dit, laat ik maar zeggen Van der Heijden-achtige aspect van Vrouwenzand is mij slecht bevallen. Vanaf de eerste bladzijde wordt de lezer geacht meegezogen te worden in het opgewonden gebral van Paul Masereeuw, maar na zo'n honderd bladzijden begonnen de resterende vijfhonderd steeds zwaarder te wegen op mijn schoot. Zoals de hoofdpersoon zichzelf op een bepaald moment moed inpraat ('Blijven kijken, Paul. Blijven kijken tot het opklaart’), moest ik me voornemen vol te houden. Het klaart inderdaad op, maar daarover straks. Zolang Masereeuw een karikaturaal bedenksel is, met dito observaties, irriteren de stijl en ritmiek van vertellen mateloos. De bladzijden rijgen zich aaneen met kleurloze typeringen ('een vlotte, gezellige domoor’), clichématige mannenpathetiek ('ik deed waar mijn geheven lid om smeekte’) en uitgekauwde uiterlijkheden ('binken in glimmende trainingspakken die hun zaken per zaktelefoon afhandelen’). De botte algemeenheden waarmee Masereeuw zich staande houdt, beklijven op geen enkele manier. De verhaallijn van de drugsaffaire brengt nogal wat actie met zich mee, die echter alleen maar verwarrend is, niet in de laatste plaats door de 'doceerderige filosofeerbuien’ waarmee crimineel Jerome behept is. Om een mentaliteit te kunnen verbeelden, zijn fantasie en compassie vereist. Het is misschien flauw om dit met het niet te evenaren Advocaat van de hanen in de hand te roepen, maar die vergelijking roept Anker, door alle uiterlijke overeenkomsten, over zichzelf af. Waar Van der Heijden straatrumoer en persoonlijke tragiek samenbrengt via de zintuiglijke waarnemingen van zijn held Ernst Quispel, ontvankelijk voor drank en als de dood voor een 'blasé bestaan’, blijft Ankers Paul Masereeuw een 'uitgegumd’ figuur, een windvaan, die eigenlijk alleen voor de weersgesteldheid steeds een scherp oog heeft. Nu de opklaring. Terwijl zijn maten in de slaapzaal het in stille verbijstering aanhoren en -zien, slaat dienstplichtig soldaat Tulkens eens duchtig de hand aan zichzelf bij het schijnsel van zijn zaklantaarn. Als het sperma tegen de muren zit, knipt hij het licht uit. ’“Ah,” zegt Tulkens, “da was lakker.”’ Voor het eerst moest ik lachen bij het lezen van Vrouwenzand, en achteraf gezien blijkt het hoofdstuk over de diensttijd van Masereeuw een keerpunt in het boek te zijn. De schrijver in Robert Anker wordt pas wakker naarmate hij het verloren paradijs van de jeugd dichter nadert. De eerste treffende zin staat op bladzijde 410: 'Ik stond middenin de enorme hal en had ineens het gevoel of ik een korte broek aanhad.’ Het drama wordt kleinschaliger en Paul Masereeuw komt tot leven. Opeens blijkt Anker een schrijfstijl in huis te hebben: de logeerpartij bij jeugdvriend John die uit een geheel andere klasse komt ('Een borrel? Ik dronk nog niet eens koffie’), de gymlessen ('het onmetelijke, onoverzienbare sportveld’), de eerste schooldag ('Mijn tas, huil ik’), de liefde voor Hannah Beek ('Die naam bevat in microkosmos alle raadsels van haar Verschijning’), het is allemaal bekend en toch als nieuw. Zijn jeugd in Vrouwenzand is niet inwisselbaar, legt Masereeuw aan een vriend uit, 'het is een volkomen uniek weefsel van licht, geuren, stemmingen, kleine gebeurtenissen…’. Hetgeen de schrijver weergaloos weet duidelijk te maken. Maar wat in de tweede helft wel lukt, gaat in de eerste helft mis. 'Het gaat mij om de achterkant van de anekdotes, de smaak van een vers kadetje, de geur van oud vet in een schuur’, verklaart Masereeuw zijn verbond met zijn verleden. Van het jongere verleden is die achterkant echter in de verste verte niet te zien. De drugswereld, de kunstscene en de kraakbeweging belanden in Vrouwenzand tussen de schuifdeuren, met stemmetjes en aangeplakte snorren. Terwijl dat toch je ware is: ook van de grotere bewegingen het unieke weefsel tonen, van licht, geuren, stemmingen en kleine gebeurtenissen.