Een man is geen woonboot

Erik Bindervoet, Robbert-Jan Henkes, Frans Bakker, Rene Windig en Eddie de Jong, Wijdlopige, brede en waarachtige beschrijving van de ongelukkige reizen van het schip de Visstick en haar gezagvoerder Kapitein Iglo. Uitgeverij De Harmonie, 195 blz., f32,50
HET KOMT, zijn onmogelijke titel getrouw, als een zooitje ongeregeld op je af, dit stripboek-met- heel-veel-tekst, of dit literaire- boek-met-heel-veel-illustraties. In Wijdlopige, brede en waarachtige beschrijving van de ongelukkige reizen van het schip de Visstick en haar gezagvoerder Kapitein Iglo wisselen meteen vanaf het begin de grappen en wisecracks elkaar in hoog tempo af om bijna ademloos van gedrevenheid de geschiedenis te vertellen van de man die aan het roer staat van de trotse Visstick.

Wat een puinhoop, denk je in het begin.
‘Iglo - dat is het eerste en het laatste woord. Het begin en het einde. Het alfa en het omega. De schroef en het anker. Wie is Iglo? Onbegonnen werk, dat allemaal op te noemen. Hij heeft een kaartje waarop staat: Iglo, captain, natuuronderzoeker, ontdekker, lexicoloog, uitvinder, meteoroloog, sterrenkundige, pedagoog, ornitholoog, aquatisch-geograaf, zeeheld etc. Maar dat is hij dus allemaal niet, of in ieder geval niet allemaal tegelijk.’
Kapitein Iglo’s wil is wet. Zonder hem zou de Visstick ten onder gaan. Gelukkig is hij een geboren leider, een krachtige persoonlijkheid. Het is niet onplezierig met hem mee te varen en allerlei avonturen te beleven.
'We zitten op zee. Waar precies weten we niet. (Het is aan het misten.) Er is al veel gebeurd voor we begonnen zijn en er moet waarschijnlijk ook nog veel gebeuren wil dit avontuur ooit goed aflopen, wil het ooit aflopen.’
Net een jongensboek, denk je. Maar wel raar. Vlak na zijn geboorte weet Iglo al wat hij zal gaan doen: zijn roeping is te gaan varen. Na in IJmuiden ter wereld te zijn gekomen en zijn eerste singeltje te hebben gekocht, voelt Iglo de roep van het water. Een geboren zeeman. 'Ik moet varen! Een man is geen woonboot.’
OOK DE Visstick is een beetje raar. Het enige wat hetzelfde blijft, is de captain. En vooral zijn baard. Het interieur van het vaartuig verandert voortdurend: 'Waar net nog een lekkere luie stoel en een staande schemerlamp stonden staat nu plotseling een enorm aquarium met zeeanemonen, dodemansvingers, zeelelies, zanddollars, een paar inktvissen, wat scharrelende heremietkreeften en riffen van koraal en mosselen. Als we dat allemaal, al die veranderingen zouden moeten beschrijven waren we allang aan de beschrijfkanker ten onder gegaan. Laten we het erop houden. Dat niets van alles wat los en vast zit daar ooit hetzelfde blijft.’
Ook de bemanning verandert telkens, maar niet wezenlijk. Belangrijke opvarenden, behalve de vaste crew, zijn de zesentwintig matroosjes wier voornaam met steeds een andere letter begint. Samen, met zijn zesentwintigen, maken zij het logboek van de reis.
Waarheen die reis voert, is zelfs voor Kapitein Iglo een vraag. Hij doet nogal ontwijkend. 'Ik moet varen’, is het enige wat hij weet. 'Waarheen - wat kan mij het nou verdommen waar we heen gaan.’ Niet het aankomen is het doel van de reis, maar de tocht zelf. Dat de bemanning zich daar misschien onbehaaglijk bij voelt, kan daar niets aan veranderen. Na lang aandringen wil Iglo nog wel iets kwijt: 'Waarheen waartoe waarvoor waarom zong Mieke Telkamp reeds. Veelgestelde vraag. Niet de belangrijkste echter aan boord. Dient desalniettemin beantwoord en soms zelfs gesteld te worden. Er zijn vele manieren om het “waarheen” te bepalen.’
Wat een puinhoop, denk je halverwege. Maar wel een steeds leukere puinhoop. Stukje bij beetje beginnen de wederwaardigheden van Kapitein Iglo en zijn kameraden interessanter te worden. En en passant wordt de allegorie meeslepender. Want dat is wat Wijdlopige, brede en waarachtige enzovoort. is, een allegorie. Alsof het niks is, wordt hier aan de hand van een soort anti-zeeheld niets minder dan de geschiedenis van de wereld en de mensheid verteld. Het schip is natuurlijk niet zomaar een schip, het is zoiets als de Samenleving, of de Beschaving. Kapitein Iglo op zijn beurt is de Mens, de zee het Leven en ga zo maar verder. Vanaf het allerprilste begin, het 'tijd-ruimtevacuum, ook wel baarmoeder geheten, waarin Iglo verzeild was geraakt tijdens een vliegende storm’ zien we hoe de Mens op de aarde wordt gezet, die vervolgens aan zich onderwerpt en zichzelf opwerkt tot Baas der Levende Wezens.
Hoe het de mens verder verging, hoe hij er bijvoorbeeld een hobby van maakte andere diersoorten uit te roeien, wordt met veel humor en snelheid beschreven in de rest van Wijdlopige, brede en waarachtige enzovoort. (Iglo vermaakt zich met het uit de lucht schieten van vogels, zo is het gekomen.) De mens evolueert, vergeet het onderscheid tussen goed en kwaad, sticht beschavingen, die opkomen en weer ondergaan, voert oorlog, doet uitvindingen, verkent de ruimte, bestrijdt andere mensen, bedrijft wetenschap, plant zich voort, stoot de zwakkeren uit, stampt cultuur uit de grond, worstelt met taal en betekenis, komt telkens weer de Dood tegen, maar ontwikkelt zich toch steeds verder. De vraag waarheen de reis van de Visstick voert, blijft onbeantwoord. Naar de zin van het leven kan immers alleen maar gevraagd worden; ieder antwoord zou het leven zelf onmogelijk maken.
HET EERSTE singeltje dat Iglo kocht was de Zuiderzeeballade. Niet voor niets. De mens is een wezen dat moet varen, onderweg zijn, om het avontuur te zoeken en de wereldzeeen te bevaren. Om ten slotte noodzakelijkerwijs dood te gaan: 'Het is geen doelloos ronddobberen, maar veeleer een gericht opstomen naar een werelddeel, dat zich bevindt op een nader aan te duiden locatie. Een kwestie van navenante navigatie. Niet van streek raken. Een stukje euvele moed. (Dat spreekt vanzelf.) Derhalve: een reis maakt de Visstick, luide zingend: Naar de Oost! Naar de West! Naar de haaien! Naar de kelder! En weer terug. Slechts om ten slotte uit te komen in de Noord, het barre barre noorden, waar de Visstick zich helemaal klemvaart in een kopje ijsthee dat bevriest en de gedaante aanneemt van de onafzienbare IJszee.’
En daar zit het schip vast. De bemanning gaat ervandoor, laat Iglo moederziel alleen achter op het eindpunt van de onbegrijpelijke maar onvermijdelijke tocht. >z<
Maar daar, in het barre, barre Noorden, eindigt het mysterie niet, maar begint het eigenlijk pas goed. 'Maar juist dan ligt daar het legendarische Ergens, waar Iglo al de hele tijd naar op zoek is, het onbekende immers onbeminde werelddeel, zijn onbestemde overige bestemming aan de andere kant van de aardbol, aan de andere kant van het verhaal, de zevende hemel, het paradijs op aarde, waar het zesde zintuig de rode draad is die steeds van kleur verschiet en als een sleeptouw op de gebeurtenissen vooruitloopt door ze achter zich aan te trekken, de omgekeerde wereld, zoals je die in je ergste dromen nog niet kunt dromen. Waar iedereen van de kaart raakt. Gevonden zonder ooit vermist te zijn geweest. - Kwijt is iets alleen als je ernaar moet zoeken. Wij hoeven naar dat verloren werelddeel niet te zoeken, want we komen er zo wel. Dat geef ik jullie op een briefje.’
WAT EEN PUINHOOP, denk je als je Kapitein Iglo uit hebt, maar wel een heel leuke. Amusant (hoewel soms irritant). Grappig (hoewel soms flauw). Intelligent (hoewel soms kinderachtig). Meeslepend (hoewel soms saai).
Om met zijn vijven - Erik Bindervoet, Robbert-Jan Henkes en Frans Bakker op typemachine; Rene Windig en Eddie de Jong op tekenpen - een boek te schrijven waarin je met veel gevoel voor humor, in een prettig tempo en met acceptabele illustraties achteloos even het wezen van de mens en de zin van het leven uitlegt, is iets waar ik wel sympathie voor heb. Ik bedoel, wie maakt er nou een boek met zo'n onmogelijke titel, zulke half tot heel gestoorde personages, zo'n overdosis stompzinnige-maar-passende tekeningetjes, en zo'n onbeschaamde arrogantie ('Dit boek is het, in zijn onvolkomenheden geniale, epos over een kapitein die kan doorgaan voor de belichaming van de evolutie (…) een boeddhistische trap in het aangezicht’)? Die vijf heren, dus. Ik mag dat wel.
En hoe zal het de mens aan het einde van de twintigste eeuw vergaan? Hij die 'moet varen’ heeft zichzelf in een positie gemanoeuvreerd waar nauwelijks nog bewegingsvrijheid is: 'De wereld is een stuk kleiner geworden sinds we weten hoe groot hij is, en van alle plekken op de wereld weten wat er gebeurt. Geen lol meer aan voor de echte avonturier en wereldverzaker. Overal zijn er mensen, en overal laten ze wat achter, zodat anderen weten dat ze er geweest zijn. En in de Alpen sturen ze al expedities de bergen in om de rommel van andere expedities op te ruimen.’
Conclusie: 'Het gaat maar door, houdt het dan nooit op met die beschaving, komt er dan nooit een einde aan? Wat een pestherrie maken die dingen!’
Tof boek, toch.