Een man met een opdracht

Wie was de geheimzinnige Louis Einthoven, de bad guy uit het veelbesproken boek ‘De affaire-Sanders’ van Gerard Aalders en Coen Hilbrink? Zijn levensloop oogt als een slechte spionageroman.
LOUIS EINTHOVEN werd in 1896 geboren in Surabaja, studeerde rechten in Utrecht en ging in 1920 als jurist werken in Nederlands-Indie. Een felle nationalist, die bepaalde dat officiele documenten uitsluitend in het Nederlands of Maleis moesten worden opgesteld - de Engelse handelspartners moesten maar Nederlands leren.

In 1925 vertrok hij, getrouwd en wel, naar Nederland. Hoewel hij geen enkele ervaring met het politieapparaat had, werd hij in 1933 door zijn vriend, burgemeester Droogleever Fortuyn, benoemd tot hoofdcommissaris van de politie in Rotterdam. Hier zou hij volledig tot ontplooiing komen. Hij zag zichzelf als ‘iemand met een opdracht’: de bestrijding van het communisme. Zijn eerste daad bestond uit de verdubbeling van het aantal rechercheurs bij de politie-inlichtingendienst van de stad, met het doel extreem-links in kaart te brengen. Ook pakte hij Chinese immigranten aan. Voor de reders waren zij van oudsher goedkope arbeidskrachten, maar sinds de beurskrach van 1929 waren zij werkloos of pindakoekverkoper. Zij kostten, oud en ziek als ze vaak waren, de staat alleen maar geld, volgens Einthoven. Hij gooide het op een akkoordje met twee rederijen om de Chinezen 'zonder veel kosten naar hun vaderland te doen overbrengen’.
Het eerste grote conflict in de carriere van Einthoven ontstond in 1939. Bij de gemeenteraadsverkiezingen haalde de SDAP in Rotterdam een klinkende overwinning, en na de uitslag trokken velen, strijdliederen zingend en met een rode roos in het knoopsgat, door de straten. Einthoven stuurde meteen de politie met de lange lat op de 'onaangekondigde demonstratie’ af. Zijn vriend de burgemeester was inmiddels opgevolgd door de vrijzinnig-democratische burgemeester P. J. Oud, die zijn commissaris meteen op het matje riep. Het conflict liep zo hoog op dat Oud de minister liet weten: hij eruit of ik eruit. Binnenlandse Zaken en Justitie riepen een bemiddelingscommissie in het leven - niet voor de laatste maal in Einthovens loopbaan.
SINDS HITLER aan de macht was, opereerde de (illegale) Duitse communistische partij deels vanuit Nederland. Met name via Rotterdam werd propagandamateriaal naar Duitsland gesmokkeld. Dus nam Einthoven contact op met de Abwehr in Berlijn en de Gestapo in Hamburg. Bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie ligt een verslag van een gesprek uit december 1937 dat Einthoven had met een undercover-agent van de Gestapo die wilde kijken wat voor vlees men in de kuip had. Diens oordeel: 'Hij doet zijn werk zeer zorgvuldig, is daarbij echter nietsontziend. Hij is een streber, hij probeert bij invloedrijke mensen een goede indruk te maken, terwijl hij voor degenen die niets voor hem kunnen betekenen zeer onaangenaam is. In zijn gedrag toont hij zich een man van de wereld, zonder echter aangenaam in de omgang te zijn.’
In 1939 reisde Einthoven persoonlijk naar Berlijn, waar hij zwaar onder de indruk raakte van een rede van Goebbels in de Sporthalle. Terug in Nederland werkte Einthoven mee aan het Bureau Ontspanning en Ontwikkeling dat de Nederlandse soldaat moest motiveren. Het baantje duurde slechts enkele maanden maar in deze periode ontmoette hij wel twee mensen die voor zijn verdere leven van immens belang zouden zijn: prins Bernhard en J. E. de Quay.
Op 1 mei 1940 nam Einthoven zijn functie als hoofdcommissaris van de Maasstad weer op zich. Toen de Duitsers binnenvielen, gaf Einthoven volgens eigen zeggen het bevel om de politie-inlichtingendienst op te heffen en de dossiers te vernietigen. Maar in juni 1940 richtten de Duitsers de dienst weer op, met grotendeels dezelfde mensen. Vervolgens werd het hele communistische illegale apparaat in de stad opgerold.
Er was een andere kwestie waar Einthoven na de oorlog nog op aangesproken zou worden. In de meidagen van 1940 werden drie Duitse militairen geexecuteerd. De Duitse overheid gaf Einthoven opdracht dit uit te zoeken. Einthoven had zich erop kunnen beroepen dat het een militaire kwestie was, maar hij spoorde de twee Nederlandse militairen op en leverde ze uit.
ZIJN TWIJFELACHTIGE roem dankt Einthoven vooral aan de Nederlandse Unie, die hij in 1940 samen met De Quay en Linthorst Homan oprichtte. Dit Driemanschap riep op tot samenwerking met de bezettingsautoriteiten. De Nederlandse Unie kwam de Duitsers al spoedig steeds meer tegemoet: eerst werd de oprichting van de Winterhulp Nederland en de Arbeidsdienst toegejuicht; het weekblad De Unie riep ambtenaren op om loyaal met de Duitsers samen te werken; en vanaf april 1941 werden joden uit de Unie geweerd. Het was de Duitsers nog niet kruiperig genoeg, en hoewel honderdduizenden Nederlanders de Unie als 'protest’ tegen de NSB zagen, beschouwde de NSB de Unie als een concurrent op de landverraderlijke markt. De Unie werd in 1941 verboden.
In mei 1942 werd Einthoven als gijzelaar geinterneerd in Beekvliet, om in 1944 te worden overgebracht naar het concentratratiekamp in Vught. Einthoven wist te vluchten naar het bevrijde zuiden en meldde zich bij zijn oude vriend prins Bernhard. Spoedig daarna ging hij op uitnodiging van koningin Wilhelmina naar Londen - zij wilde meer weten van de man die in het voor jaar van 1942 dat merkwaardige memorandum had gestuurd met voorstellen voor na de oorlog. Daarin had hij een periode van 'godsvrede’ voorgesteld: koningin Wilhelmina zou minimaal een half jaar persoonlijk het bestuur in handen moeten nemen, ongestoord door 'controle van enige volksvertegenwoordiging’. Zijn bedje leek gespreid. Maar zonder slag of stoot ging dat niet.
Eind 1945 verzocht de Grote Adviescommissie van de Illegaliteit (GAC) het driemanschap van de Nederlandse Unie gerechtelijk te vervolgen. Minister-president Schermerhorn nam minister De Quay echter in bescherming en installeerde een onderzoekscommissie - die overigens voornamelijk bestond uit ex-Unieleden. Uiteindelijk sprak het driemanschap 'grote bewondering’ uit voor het eindrapport.
Einthoven heeft decennia later trouwens nog met alle macht geprobeerd te verhinderen dat ’s Rijks geschiedschrijver Loe de Jong negatief over de Unie zou oordelen. De Jong zou niet mogen oordelen omdat hij tijdens de oorlog in Londen had gezeten en 'zich in Engeland niet heeft opgegeven voor de strijdkrachten om te helpen het vaderland en zijn eigen geloofsgenoten te bevrijden’. Een weinig smaakvolle verwijzing naar De Jongs joodse afkomst.
INMIDDELS WAS Einthoven hoofd van het Bureau Nationale Veiligheid (BNV) geworden. Ook daar was zijn gedrag nogal curieus. Zo verzweeg hij de verblijfplaats van Anton van der Waals, de beruchtste verrader uit de oorlog. Ook kreeg Einthoven te maken met de kwestie-Lindemans, alias King Kong, de beruchte verrader die vanaf 1944 kind aan huis was in het stafkwartier van prins Bernhard. Hier zou hij op de hoogte zijn gekomen van operatie Market Garden, later bekend geworden als de Slag om Arnhem, en deze aan de Duitsers hebben verraden. Wat was Bernhards rol in die kwestie geweest? Veiligheidshalve hield Einthoven het dossier-King Kong in eigen beheer. Even later werd Lindemans (in gevangenschap) vermoord en verdween de kwestie uit de actualiteit.
Einthovens grote tegenspeler binnen het BNV was W. E. Sanders, hoofd opsporing. Sanders was bezig een eigen dossier aan te leggen; bovendien was hij sociaal-democraat en dus per definitie niet te vertrouwen. Einthoven begon wilde beschuldigingen in het rond te strooien: Sanders zou communist zijn, hij zou bevriend zijn met de PvdA'er Koos Vorrink, hij zou dossiers gebruiken om mensen te chanteren. Einthoven liet Sanders zelfs arresteren, maar had geen gronden om hem vast te houden. De commissie-Wijnveldt, die door de regering werd ingesteld om de BNV-crisis te onderzoeken, oordeelde vernietigend. Einthoven had niet 'de vereiste karaktereigenschappen’ en 'overschatte zichzelf’.
Terwijl de commissie nog het uiteenvallen van de BNV onderzocht, was Einthoven hoofd geworden van de nieuwe Centrale Veiligheids Dienst - en ook hier in conflict gekomen. Het CVD werd spoedig opgeheven, om in 1949 te worden vervangen door de Binnenlandse Veiligheids Dienst - met Louis Einthoven als hoofd. Deze dienst heeft hij tot zijn pensioen in 1961 bestuurd, met behulp van geheime Amerikaanse fondsen. Zijn opvolger, J. S. Sinnighe Damste, schrok van de 'zilveren koorden’ waarmee de BVD aan de CIA zat vastgeklonken en maakte daar spoedig een eind aan.
Hoe was het mogelijk dat een dubieus iemand als Einthoven toch telkens weer kwam bovendrijven? Hij was een meesterlijke intrigant die bovendien veel invloedrijke vrienden had, varierend van de minister- president tot de prins-gemaal. Cruciaal voor hem was zijn relatie met het koningshuis. Zoals blijkt uit die enkele keer dat hij kritiek op hem niet kon weerleggen. 'Mijn loyaliteit ten opzichte van de koninklijke familie verbiedt mij mijn eigen belang hoger te stellen dan hun reputatie.’