500 jaar Reformatie: Het merk Maarten Luther

Een man met groot praktisch talent

Behalve een religieuze opstand was de Reformatie vooral ook een mediarevolutie. Aangejaagd door een geestelijke met een uitstekende handelsgeest; Luther was ‘iemand die op het juiste moment het juiste onderwerp aansneed’.

Medium lucas cranach the elder   bildnis martin luthers bildnis katharina luthers  1526  google art project
Lucas Cranach de Oude, Maarten Luther en Katharina von Bora, 1526. 15,8 x 22,6 cm en 16 x 22,6 cm, olieverf op paneel © Wartburg Stiftung

Maarten Luther (geboren als Maarten Luder) was geen monnik. Mogelijk heeft hij net zo min op 31 oktober 1517 95 stellingen op een kerkdeur gespijkerd, om op die wijze de Reformatie te beginnen die dit jaar haar vijfde eeuwfeest viert. Luther was, strikt genomen, een frater, in de Orde der Augustijnen. Over waarom dit verschil tussen monnik en frater ter zake doet, later meer. Eerst die alles-in-beweging-zettende daad om een aanklacht tegen de handel in aflaten – staande praktijk in het christendom van de vroege Renaissance – op de deur van de kerk van Wittenberg te nagelen.

In tegenstelling tot veel andere revolutionaire startschoten is de betrouwbaarheid van het verhaal over deze boude actie omstreden. Lenin reisde écht per trein naar een roerig Petrograd, de Bastille is daadwerkelijk bestormd en in 1771 gingen er in Boston inderdaad balen thee overboord. Het probleem met Luther en die kerkdeur is dat er voorzover bekend geen ooggetuigen waren. Luther zelf heeft er destijds ook met geen woord over gerept in de brieven die hij schreef. Het verhaal is de wereld in gebracht door Luthers kompaan, de geleerde Philipp Melanchthon, maar die arriveerde pas een jaar later in Wittenberg. In zijn latere jaren mocht Luther tijdens feestelijke diners graag stilstaan bij deze belangrijke datum, maar het is onduidelijk of hij het glas hief op zijn werkelijke herinneringen of simpelweg op een goed verhaal.

Want goed is het verhaal zeker. 31 oktober is Allerzielen, en welke datum is toepasselijker voor een man die vond dat de kerk door massale aflaterij een commerciële schertsvertoning maakte van zoiets fundamenteels als de verlossing van haar gelovigen. ‘De hoop op heil door aflaatbrieven is zonder grond’, beweerde Luther in stelling 50. En dus: ‘Men moet de Christenen leren dat het kopen van aflaatbrieven vrij is, en niet voorgeschreven’ (stelling 47). Want: ‘Niemand is zeker van de oprechtheid van zijn berouw, laat staan van de volkomen vergeving die er het gevolg van is’ (nummer 30).

De katholieke historicus Erwin Iserloh zorgde begin jaren zestig voor een academische controverse door als eerste te beweren dat de mythische aftrap van de Reformatie nooit heeft plaatsgevonden, en het academisch debat daarover gaat door tot aan vandaag. Waar wetenschappers het wel over eens zijn, is dat Luther al eerder had geëxperimenteerd met stellingen als stijlvorm, en in 1517 besloot door te pakken. Aartsbisschop Albrecht, die bovenaan in de kerkelijke hiërarchie van Duitsland stond, kreeg de 95 stellingen dat jaar als bijlage van een brief waarin op hoge toon werd opgeroepen een einde te maken aan de verkoop van aflaten. Anders ‘zou er wel eens een schrijfsteller kunnen opstaan om al die priesters de mond te snoeren’ (hint, hint). ‘Een van Luthers talenten was om een opvallende gebeurtenis op poten te zetten een zichzelf daarmee in de kijker te spelen’, concludeert Lyndal Roper in haar recente Luther-biografie Martin Luther: Renegade and Prophet.

In het licht van de enorme invloed die één geestelijke in een uithoek van het huidige Duitsland op de wereld heeft gehad, lijkt het muggenzifterij om te discussiëren of Luther zijn stellingen nu wel of niet op de kerkdeur heeft gespijkerd. Luther stichtte in razend tempo een afsplitsing binnen het roomse christendom, met religieuze twisten, vervolging en oorlog tot gevolg. Luther begon de Reformatie en ‘the world took sides’, zoals kerkhistoricus Diarmaid MacCulloch het afgelopen zomer bondig verwoordde in een artikel in de London Review of Books. Het belang van Luther is af te meten aan de enorme gevolgen die zijn boodschap teweegbracht. Of het nu een brief of een plakkaat was, of Luther nu een spijker gebruikte of lijm zoals sommige historici menen, is dan niet van belang.

Tegelijkertijd is de stellingen-controverse een perfecte illustratie van de legendevorming rond Luther en hoe hij daar zelf de regie in had. Wat uiteindelijk de Reformatie werd, had nooit die enorme reikwijdte kunnen krijgen zonder een uitgekiende strategie die we nu PR, spin of propaganda zouden noemen, maar waar destijds nog geen allesomvattende term voor was. De opstand binnen de kerk werd gedreven door het ‘merk Luther’, zoals Andrew Pettegree laat zien in zijn boek dat een prijs wint voor langste ondertitel in de Luther-bibliotheek: Brand Luther: How an Unheralded Monk Turned his Small Town into a Center of Publishing, Made Himself the Most Important Man in Europe – And Started the Protestant Reformation.

Let goed op de volgorde: drukindustrie, selfmade man en pas na het streepje een succesvolle protestantse afsplitsing. Economie, individu, geschiedenis met een grote G. Pettegree beschrijft Luther als een strateeg die slim gebruik wist te maken van de drukpers als grote technologische verandering van zijn tijd. Samen met Ropers psychoanalytisch georiënteerde biografie (waarin ze Luther neerzet als man met een vaderprobleem, eerst met zijn eigen verwekker die hoopte dat zijn zoon advocaat zou worden, daarna met de Papa in Rome) vormt Brand Luther een belangrijke toevoeging aan het onuitputtelijke vakgebied van de Luther-studie, die dankzij dit protestants jubeljaar zeer oogstrijk is.

Na 1506 claimde paus Julius II de winsten op de aflaten voor de bouw van een nieuwe Sint-Pieters­basiliek in Rome

Luther, zo wordt keer op keer duidelijk in biografieën, was een man van tegenstrijdigheden. Moervast gedraaid in een eigen gelijk, maar ook bevangen door diepe twijfel. Een frik die haat spuwde over joden en Turken, maar ook een gezelligheidsdier dat gulle diners organiseerde. Een rebel, maar tegelijk zeer conservatief. Toen in 1524 in Duitsland de Boerenopstand uitbrak en de boeren verwijzend naar Luthers traktaat Over de vrijheid van een christen vrijstelling van belasting en gedwongen arbeid eisten, koos de theoloog de zijde van de Duitse adel. ‘Dolle honden’, die het werk van de duivel uitvoeren, oordeelde Luther over de opstandelingen. ‘Met die opstelling’, schrijft Lyndal Roper, ‘kwam het sociale conservatisme van Luthers Reformatie naar voren.’

Veel van de tegenstrijdigheden in Luthers leven hebben te maken met het verschil tussen de onzekere vroege Luther en de zelfverzekerde Renaissance-celebrity die hij op latere leeftijd werd. Als jonge geestelijke kampte Luther met wat hij Anfechtungen noemde: diepe geestelijke crises die betrekking hadden op het geloof en de relatie tussen God en mens. Hij worstelde met de vraag of zijn gevoelens van woede, begeerte en jaloezie hem tot een zondaar maakten en of het mogelijk was dat God hem daarom zou haten. Dit soort vragen hielden Luther letterlijk uit zijn slaap en matten hem fysiek af. Zijn biechten duurden soms uren en dreven zijn biechtvader en mentor Johann von Staupitz tot wanhoop. Hij probeerde Luther op het hart te drukken dat zondigen bij het leven hoort en dat Gods liefde aan iedereen toekomt. Later, eenmaal op zijn gemak met zijn rol als icoon van een nieuwe denominatie binnen het christendom, zou Luther terugblikken op zijn Anfechtungen als noodzakelijke obstakels op zijn pad richting theologische bevrijding.

In haar missie om zijn psyche te doorgronden ziet Lyndal Roper in Luthers geestelijk gewoel de sleutel tot zijn latere theologie die verlossing loskoppelt van wat mensen doen in hun leven op aarde. Maar zelfs als je Luthers Anfechtungen beschouwt als niets meer dan gezonde twijfels van een adolescent is het niet moeilijk om te zien hoe zijn bovenmatige interesse in Gods oordeel over Zijn eigen schepping de basis zou leggen voor verzet tegen de aflaathandel. In de christelijke leer die gold in de wereld waarin Luther werd geboren, was een centrale rol weggelegd voor de notie van het vagevuur, waar de overledene langere of kortere tijd moet doorbrengen.

Dat purgatorium was ook een strategische notie, zo merkt Diarmaid MacCulloch op. Het is een theologische oplossing voor het onbarmhartige idee dat God en God alleen beschikt over wie eeuwige verdoemenis in de hel of hemelse genade wacht. Op die manier ben je als mens machteloos. Maar door te geloven dat een plek bestaat waarin je boete doet voor je zonden om daarna alsnog de hemel te betreden, worden de vooruitzichten voor het hiernamaals in ieder geval minder onverbiddelijk. >

Rondom deze notie van boete en verlossing vormden zich binnen de kerk praktijken waarmee de tijd in het vagevuur kon worden gekort. Bidden, uiteraard, voor de eigen ziel of die van anderen. De mis bijwonen, op bedevaart gaan, relieken aanschouwen, aalmoezen geven, knielen op de trappen in de basiliek van Sint-Jan van Lateranen in Rome (zoals Luther zelf deed); zo ongeveer alles in de rooms-christelijke geloofspraktijk aan het begin van de zestiende eeuw was verbonden met het idee dat de juiste handeling tijdens het leven de uittocht uit het hellevuur zou bespoedigen.

Ook het kopen van aflaten vervulde een rol in deze ‘theologie van verdienste’ (dixit MacCulloch). Een systeem waarmee klinkende munt kon worden omgezet in een vastgestelde vermindering van straftijd bestond al langer maar had pas kort voor Luthers geboorte een hoge vlucht genomen. De uitvinding van de drukpers maakte van papieren aflaten een massaproduct dat zeer in trek bleek bij gelovigen. Het geld dat hiermee werd opgehaald was vaak bestemd voor lokale goede doelen, zoals de bouw van kerken, ziekenhuizen of bruggen, maar na 1506 claimde paus Julius II de winsten voor de bouw van een nieuwe Sint-Pietersbasiliek in Rome.

Luther aanschouwde deze veranderingen als jonge Augustijn. Hij was toegetreden tot het Augustijnenklooster in Erfurt op 17 juli 1505 en bracht zijn tijd door met bidden, vasten en studeren. Wat de jonge student Luther las in zijn kale cel paste slecht bij de grootschalige roomse aflaathandel die massaler en daarmee anoniemer werd. De patroon van Luthers orde, Augustinus van Hippo, benadrukt in zijn werken juist dat de mens hulpeloos staat tegenover Gods oordeel. Het hele idee dat een zondaar invloed kan uitoefenen op zijn eigen verlossing, bijvoorbeeld door aflaten te kopen, botste met alles wat Augustinus beweerde. De doctrine waarmee Luther zijn brein vulde, kortom, stond haaks op de praktijk waar christenen zich en masse aan overgaven.

‘Het is puur menselijk gedoe, als men beweert, dat de ziel uit het vagevuur omhoog schiet, als het geld in de kist rinkelt’

Luthers ongemak met de koers van Rome werd versterkt tijdens een bezoek aan de pauselijke zetel. In 1510 reisde Luther naar Rome om bij Julius II te pleiten voor een onafhankelijk voortbestaan van zijn orde, die dreigde te worden samengevoegd met andere Augustijnenkloosters. Deze trip naar het zuiden stond in het teken van de strenge Duitse provinciaal die zich stoort aan een lossere mediterraanse moraal. Bij aankomst in de eeuwige stad wierp Luther zich weliswaar uit ontzag ter aarde, maar een maand later had hij genoeg ervaringen verzameld om een levenslang chagrijn voor Rome te koesteren. De nachten waren te heet, de kerken te groot en het geloof was te oppervlakkig in wat Luther later ‘de zetel van de Duivel’ zou noemen. Het heeft er alle schijn van dat Luthers herinneringen naderhand negatief beïnvloed zijn door zijn breuk met Rome, in ieder geval hield hij een permanente hekel aan ‘Italianen’ over aan deze reis, die het vuur waarmee hij zeven jaar later tegen aflaterij zou preken ongetwijfeld aanwakkerde.

Medium gettyimages 588183860
Lucas Cranach, Maarten Luther, 1543-1546 © Culture Club / Getty Images

Behalve theologisch en cultureel was Luthers conflict met Rome ook nog eens economisch van aard. Om te zorgen dat het geld van de Duitse gelovigen in de pauselijke schatkist terechtkwam, had Julius II een deal gesloten met de bankiersfamilie Fugger uit Augsburg. De Fuggers vormden een financiële schaduwmacht die met de kerk verkleefd was. Ze sloegen de munten voor Rome, financierden de campagnes van ambitieuze geestelijken, en verschillende kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders – onder wie de paus en de aartsbisschop van Mainz – stonden bij hen in het krijt. Het zinde Luther niet, de invloed van het aardse slijk op het christelijke geloof, blijkens stelling nummer 27: ‘Het is puur menselijk gedoe, als men beweert, dat de ziel uit het vagevuur omhoog schiet, zodra de klank van het geld in de kist rinkelt.’

Het ontstaan van Luthers diepe overtuiging dat verlossing een kwestie is waar God en niet geld mee is gemoeid, is een van de meest bediscussieerde thema’s van de Reformatie. En ook hier heeft Luther zelf de hand gehad in het kneden van de latere herinnering. In 1532 vertelde hij tijdens een van zijn beroemde diners dat het inzicht hem had getroffen ‘als een donderslag’ en wel zittend op het toilet waar hij, gedwongen door chronische obstipatie, vele uren op doorbracht. Zoals Lyndal Roper in haar boek opmerkt wilde Luther zijn verhaal duidelijk kracht bij zetten door een contrast aan te brengen tussen zijn verheven inzicht en de nederige plek waar die zich voordeed. Nu beschreef Luther de aardse wereld wel vaker als een riool, dus het kan goed zijn dat hij die beeldspraak wat meer letterlijk probeerde te maken. Hoe dan ook gingen Luther-kenners uit hun dak van enthousiasme toen archeologen halverwege het jaar 2000 zijn toilet aantroffen tijdens een opgraving in Wittenberg.

Toilet of niet, dat Luther omstreeks 1517 naar zijn eigen maatstaven een mijlpaal in zijn geestelijke ontwikkeling bereikte, is af te lezen uit het feit dat hij plotseling zijn brieven begon te ondertekenen als Martinus ‘Eleutherius’, een Latijnse variatie op de oud-Griekse bijnaam van de god Dionysos die zowel ‘de vrije’ als ‘de bevrijder’ betekent. Hij nam daarmee afstand van zijn geboortenaam Luder (‘loeder’) en de kwalijke bijklank die dat woord heeft. Eleutherius werd later gewoon Luther, en daarmee een van de meest geslaagde naamsveranderingen in de geschiedenis.

Op 33-jarige leeftijd had de zelfbenoemde bevrijder kortom een credo dat goed wordt samengevat in stelling 37: ‘Iedere willekeurige waarachtige Christen, hetzij levend, hetzij dood, heeft deel aan alle goede gaven van Christus en kerk, die worden hem ook zonder aflaatbrieven gegeven door God.’ Hij had ook voldoende geldingsdrang om de kerkelijk-economische duomacht die aflaathandel organiseerde uit te dagen. Het enige wat nog ontbrak was een manier om anderen deelgenoot te maken van die missie.

Nu was er in 1517 weinig reden om aan te nemen dat de wereld benieuwd was naar de preoccupaties van een frater van middelbare leeftijd uit Wittenberg. Het stadje waar Luther zijn theologische opleiding vervolgde en vervolgens bleef, telde tweeduizend zielen en lag, zoals Luther zelf ooit opmerkte, ‘in termino civilitatis’, aan de rand van de beschaving. De drukpers was een halve eeuw oud toen Luther zijn stellingen schreef, maar die technologische revolutie had Wittenberg nog nauwelijks bereikt. Het stadje telde in 1517 welgeteld één drukker (die ook nog eens van niet al te beste kwaliteit was, schrijft Andrew Pettegree in Brand Luther). Maar bij het overlijden van Luther in 1546 leverde Wittenberg het meeste drukwerk af van alle steden in Duitsland. ‘Dat was Luthers persoonlijke verdienste’, concludeert Pettegree. Luther was volgens hem geen losgezongen intellectueel maar ‘een man met een groot praktisch talent’, met een neus voor hoe ‘woorden en ideeën om te zetten in een gedrukt kunstvoorwerp’. En dat talent, zo blijkt, wist Luther te gebruiken om van Wittenberg een drukkershoofdstad te maken en daarmee zijn eigen faam tot legendarische proporties op te blazen.

De drukpers was geschikt voor uitbreiding van de aflaathandel, maar ook voor het protest daartegen

Als lid van de Augustijner heremieten was Luther aanvankelijk meer van het gesproken dan het van het gedrukte woord. In tegenstelling tot veel andere ordes die in stille afzondering hun geloof belijden, zag Luthers gemeenschap het als haar taak om de christelijke boodschap te verspreiden met preken en openbare theologische verhandelingen. Luther behoorde tot het slag geestelijken dat reageerde op actuele vraagstukken en dat het publieke debat aanjoeg. Hier zit het belangrijke verschil tussen Luther een monnik noemen of een frater. Voor monniken (het woord is afgeleid van het Oud-Grieks voor ‘alleen’) was de voornaamste opdracht zich aan God te wijden door middel van contemplatie en gebed. Fraters als Luther daarentegen stonden in de wereld en gingen de interactie aan met het grote publiek. Dat werd vergemakkelijkt doordat ze in inkomsten voorzagen door geld op te halen in de gemeenschap in plaats van, zoals monniken, zelfvoorzienend te leven.

In zijn artikel over Luther in de London Review of Books benadrukt Diarmaid MacCulloch het belang van dit ogenschijnlijk academisch onderscheid: een openlijk verzet tegen de handel en wandel van Rome had van niemand anders kunnen komen dan van een Augustijner broeder voor wie een normale bezigheid was het publieke gesprek over het geloof op gang te houden. Dat Luther de aflaathandel koos als doelwit laat zich dan ook beter verklaren vanuit de toenmalige actualiteit dan vanuit eventuele persoonlijke brille. Luther richtte zich simpelweg op wat dankzij het megalomane project van een nieuwe Sint-Pieter in Rome en het massaal drukken van aflaten het onderwerp van de dag was geworden. Luther was bovendien niet de eerste om ongemak over het gebruik van aflaten te ventileren. Zijn biechtvader Johann von Staupitz bijvoorbeeld deed precies hetzelfde.

Dit maakt Luther misschien iets minder bijzonder. Hij was niet zozeer een theologisch genie dat een kwestie volledig opnieuw wist te doordenken (zijn geloofsopvattingen haalde hij bij Augustinus vandaan), als wel iemand die op het juiste moment het juiste onderwerp aansneed en vervolgens ontdekte hoe het aan de man te brengen. Luthers ware revolutie was de manier waarop hij gebruik maakte van een nieuw medium. De drukpers was geschikt voor uitbreiding van de aflaathandel, maar ook voor het protest daartegen. In de decennia voordat Luther zijn stellingen bedacht was het publiek bovendien gaan wennen aan papier in de hand te hebben, zowel in de vorm van aflaten als meer wervende teksten zoals de wijdverspreide Türkenkalender waarin werd opgeroepen tot een financiële bijdrage aan de kruistochten. Dankzij Luthers uitdaging van kerk én kapitaal werd het lezen van pamfletten plots ook iets spannends. En met de snelle verspreiding van zijn gedrukte woord kon de naam Maarten Luther bekend worden ver buiten Wittenberg.

Dat is, in een notendop, het verhaal dat Andrew Pettegree vertelt in Brand Luther. Hij wijst daarmee op het ingrediënt dat nogal eens wordt overgeslagen in de theologie of intellectuele geschiedenis. Ideeën reizen niet via de lucht van persoon tot persoon, maar hebben een medium nodig dat aansluit bij de boodschap en bij behoeften van het publiek. Eenmaal op het spoor gekomen, bleek Luther hiervoor een haarfijne neus te hebben. Van preker werd hij veelschrijver. In zowel het Latijn als het Duits schreef hij teksten, liederen en gedichten die aftrek vonden bij een gretig publiek.

Samen met Philipp Melanchthon, hoogleraar Grieks in Wittenberg en een veel systematischer denker dan zijn rebelse vriend, ontwikkelde Luther zijn doctrine tegen de omvangrijke cultus van heiligenverering en de bemoeienis van de kerk met individuele verdoemenis en verlossing. Wat Luther voorstelde was een christelijke leer waarin het woord belangrijker is dan het ritueel en de mens alleen staat tegenover God, zoals hij alleen stond tegenover de kerkelijke autoriteiten die hem in 1521 tijdens de Rijksdag van Worms vroegen zijn stellingen in te trekken en, toen Luther weigerde, hem als ketter in de ban deden.

Maar die leer zou nooit zijn revolutionaire effect hebben gehad zonder een herkenbaar gezicht. In die behoefte kon worden voorzien dankzij Luthers tweede grote mannenvriendschap, met de hofschilder Lucas Cranach. Hij schilderde de vele portretten van Luther en samen bedachten ze een succesvolle reeks gedrukte producten, die werden vervaardigd in de werkplaats van Cranach en het merk Luther in de wereld zetten: een vertaalde bijbel, prenten die Luthers strijd met de paus verbeeldden en bovenal korte pamfletten met een mooi ontworpen omslag, die zowel inhoudelijke als esthetische bevrediging boden.

‘Koopman en dominee’, zo mag protestants Holland zichzelf graag omschrijven, maar die dubbelrol werd al gespeeld door de grondlegger van het protestantisme die zijn religieuze scherpslijperij combineerde met een uitgekiend gevoel voor marketing. Dat Luther begreep hoe vraag en aanbod werken is niet vreemd. Hoewel hij graag vertelde over zijn bescheiden komaf, waren de Luders een welvarende mijnbouw-familie uit Eisleben. De geest van Luther was behalve door de theologie ook gekneed door het vroege kapitalisme.

Behalve faam, vrienden en vijanden leverde deze strategie Luther uiteindelijk ook een levensgezel op. Aangespoord door Luthers kritiek op het kloosterleven kozen groepjes nonnen ervoor hun orde te verlaten. Een aantal van hen trokken naar Wittenberg, waar Luther als belangrijkste inwoner de taak op zich nam om een huwelijk voor deze vrouwen te regelen. Hoewel Luther regelmatig had beweerd ongeschikt te zijn voor het huwelijk (in tegenstelling tot veel andere kersverse protestantse geestelijken die blij waren met de nieuwe mogelijkheden die de Reformatie bood) trouwde hij met een van de weggelopen nonnen.

Op 13 juni 1525 trad hij in het huwelijk met de adellijke Katharina von Bora. Het was de sluitsteen van zijn afwijzing van Rome. Uit deze verbintenis werden zes kinderen geboren, en Katharina werd de drijvende kracht achter het Luther-huishouden dat een soort levendig bedevaartsoord werd. Cranach had er meteen een onderwerp bij: Maarten en Katharina als iconisch christelijk echtpaar. Haar invloed op het merk Luther zien we terug in het laatste portret dat Cranach van de beroemdheid uit Wittenberg schilderde: Maarten Luther op zijn doodsbed, met een vol gezicht en de tevreden glimlach om de lippen van een man die weet dat hij een stempel op de wereld heeft gedrukt.