Tema con variazioni

Een man met meningen

Voor de «culinarische specialiteiten» van restaurant De Silveren Spiegel werd ƒ14,50 in rekening gebracht en een fles sherry bij slijterij Jan Jonker kostte ƒ3,95. Het stond op 25 januari 1964 in De Groene Amsterdammer, die op zijn beurt voor een jaarabonnement een bedrag van twee tientjes vroeg. Voor het losse nummer dat ikzelf incidenteel kocht, betaalde ik 42 centen.

De krant oogde, de tekenaar Opland niet te na gesproken, even grijs als de samenleving van die dagen. Het dragende artikel op pagina 3 was de weerslag van een vakantie in «Tunesië, Land van Contrast» met als voornaamste conclusie dat de Tunesiërs «zulke bijzondere aardige mensen zijn». Was getekend Raoul Chapkis, een der eerste pseudoniemen van de man die zich zou ontwikkelen tot de reputatieverwoestende Hugo Brandt Corstius. Wat had De Groene van 25 januari 1964 nog meer te bieden? Een artikel van Charles Boost over Ingmar Bergmans De grote stilte, een artikel van E. Jaffé over Simone de Beauvoir, een artikel van J.J. Vriend waarin twee proefschriften over eigentijdse architectuur werden gerecenseerd en een recensie van C.J. Kelk over Jan Wolkers’ roman Een roos van vlees.

De Groene was, om de kritische lezer Willem Frederik Hermans te citeren, een weekblad met «slapaangedraaide artikelen over muziek, schilderijen, de huishoudafdeling van het warenhuis De Bijenkorf, het toneel en de buitenlandse en binnenlandse succesboeken, samengesteld door een groepje versleten vlinderdassen en oude korsetten onder leiding van C.J. Kelk, die het waarschijnlijk bij het rechte eind heeft, want hij schrijft ook wel eens in de Waarheid. Hindert niets, hoor!»

Ik was in die tijd een jonge twintiger die de allerbescheidenste journalistieke functie op een provinciale deelredactie vervulde. De jonge dertiger Han Lammers was toen al een man van gewicht. In zijn functie van Groene-redacteur schreef hij de gezichtsbepalende commentaren. Daarnaast nam hij de binnenlandkroniek van De Gids voor zijn rekening, waarin eveneens menig proces-verbaal werd uitgedeeld. En wie zagen wij daar met zijn fijnbesnaarde hoofd op het televisiescherm? Het was Han Lammers, die breed gebarend het wereldgebeuren uitlegde.

Hij was in de eerste plaats een man met meningen die altijd deugden. Het Amsterdamse stadhuis stond zijns inziens op de Dam, een standpunt waarop tot op heden niets valt af te dingen.

In die tijd beschikte de Nederlandse pers nog over echte opinieleiders, aan wier mening belang werd gehecht. Opinieleiders als Han Lammers. Ik was vanzelfsprekend aanwezig bij zijn uitvaartdienst in de Westerkerk, waar veel over de politicus Lammers, héél veel over de organist Lammers, maar nauwelijks over de journalist Lammers werd gesproken. Ik wil Lammers’ betekenis voor de journalistiek overdrijven noch romantiseren, maar hij was, wekelijks zijn «inktspat» noterend aan een tafeltje in café Scheltema, wel degelijk een man van gewicht.

Zoals moge blijken uit de eerdergenoemde editie van De Groene Amsterdammer van 25 januari 1964. Daarin stond, te midden van al die versleten vlinderdassen en oude korsetten, een artikel dat er niet om loog. Het ging over de essaybundel Visioen en werkelijkheid, de visioenen van de illegale pers van een beter naoorlogs Nederland, waarvan in werkelijkheid weinig of niets was terechtgekomen. Dit naar Lammers’ mening waardevolle boek bevatte één bijdrage waarvan op deskundige wijze gehakt werd gemaakt. Het was de bijdrage van de gereputeerde communicatiedeskundige prof. Maarten Rooij. Dat was, zei Lammers, «een smet», «een dolkstoot in de rug van de onberispelijken» en het geschrevene diende onverwijld uit een volgende druk te worden verwijderd.

Wat had Rooij misdreven? Hij had de oorlogshouding van het reformatorische Friesch Dagblad gerelativeerd, de krant die de moed heeft gehad zich in het begin van de Duitse bezetting, anders dan kranten als Het Volk, de Standaard en Rooijs eigen Nieuwe Rotterdamsche Courant, vrijwillig op te heffen. Eerst maakte Rooij de plichtmatige buiging in de richting van het hoge Noorden. Daarna begon hij te zeuren. Was die stap van het Friesch Dagblad eigenlijk wel zo wijs geweest? Het betrof immers een kleine krant «met een weinig omvangrijk personeel, zodat de staking van haar uitgave geen wijd om zich grijpende maatschappelijke consequenties had». Dat klonk inderdaad nogal giftig, niet alleen tegenover de dappere Friezen, maar ook tegenover dat handjevol journalisten dat in die eerste oorlogsdagen had laten weten liever beschimmelde broodkorsten te eten dan zich naar de directieven van de nazi’s te voegen.

Ik las het betreffende Groene-nummer in de trein die mij op zaterdag naar het Amsterdamse Instituut voor Perswetenschappen bracht, waarvan Rooij directeur was. Op dit Persinstituut, had mijn hoofdredacteur besloten, diende ik mij intellectueel bij te laten scholen. Ammehoela! Er was beslist een leerzamere manier om de zaterdagmiddag door te brengen. Dus tekenden wij, een handjevol medestudenten en ik, normaal gesproken de presentielijst en begaven ons in de richting van café Hans en Grietje om ons onbetamelijk vol te laten lopen. Want die colleges waren verschrikkelijk, die van Rooij niet in de laatste plaats. Het was een en al duisternis en pedanterie, gebaseerd op zijn al even ondoordringbare leerboek waarvoor ik in mijn armoe twee socialistische weeksalarissen had moeten neertellen.

Maar nu, in de week van Lammers’ virulente aanval, zat ik bij Rooij op de eerste rij. Het was immers onmogelijk dat hij de kritiek zou negeren. Een verklaring, misschien wel een openbare spijtbetuiging, dat was het minste waar wij, zijn studenten, recht op hadden.

Het liep anders. Rooij sloeg onaangedaan zijn cahier met aantekeningen open en begon ons, als gebruikelijk, een vol uur hemeltergend te vervelen.

Het staat mij voor de geest dat ik ooit een pakje bij Rooij heb moeten bezorgen, op de eerste etage van zijn Persinstituut. Hij stond pontificaal in de deuropening van zijn werkkamer. «Dit is een pakje voor meneer Rooij», stamelde ik. «Voor u ben ik professor Rooij, jongeman», sprak Rooij corrigerend. Heeft hij dat echt gezegd of zou ik die hele scène, in mijn spontane afkeer, misschien hebben gedroomd?