Een man met vele eigenschappen

Gyorgy Konrad, De stenen klok. Vertaald door Henry Kammer, uitgeverij Van Gennep, 464 blz., f49,90
IS GYORGY KONRAD een homo universalis, een alleslezer, een globetrotter, een stilzitter, een amateurpoliticus, of een schrijver die grenzen van landen, steden en romans verlegt? Hij is het allemaal, en nog meer, want hij sleurt de lezer - die hij o zo verleidelijk kan toespreken en aanspreken - mee in zijn grensverleggende handelingen. ‘De handeling is een opwekking van alinea’s’, zegt het schrijverspersonage David Kobra in Tuinfeest (1985), een roman die nu, na verschijning van Melinda en Dragoman (1991) en De stenen klok (1994) het eerste deel van een weergaloze trilogie blijkt te zijn.

De veelal stilzittende Kobra in Tuinfeest, die de levenden en de doden uit zijn leven langs zich laat defileren en hun een stem geeft in hotel De Kroon, grenzend aan het met geschiedenis doordrenkte Wederopstandingsplein, is de papier geworden herinnering, het opnieuw verzamelde verleden van volk, stad en individu. Hij vormt het knooppunt van menselijke conflicten, vaak gemaskeerd door ideologisch wapengekletter of daarwerkelijke moord en doodslag.
TUINFEEST is een roman, jawel, maar het boek is ook een essay over wat de stad de mens aandoet, en andersom. Bovendien laat Konrad zijn alter ego Kobra (bijna een anagram) over het genre van de roman filosoferen. Als Kobra schrijft, leert hij herademen en wordt hij gestimuleerd tot ongebondenheid, observatie en medeplichtigheid. Literatuur is voor hem de discipline van het scherp zien, een onophoudelijke oogoefening, waarbij het opnieuw beleven van het verleden een raadselachtig avontuur wordt en de schrijver nooit kiest tussen goed en kwaad maar wel tussen het mogelijke en het onmogelijke. Als er twee soorten schrijvers zijn, namelijk kunstenaars en dominees, is het duidelijk hoe Kobra zichzelf wenst te afficheren. Hij zet alles op de literatuur, want het schrijven is niets minder dan opstandigheid tegen de exclusiviteit van God. Als het oorlog is in de literatuur, woedt die onophoudelijk, altijd en eeuwig tegen de heersende meningen, tegen de gevestigde orde. In die zin is Kobra - en zijn schepper - wel een dominee, maar dan een zonder gemeente of kudde. Hij wenst zich voor geen enkel karretje te laten spannen, zelfs niet voor zijn eigen karretje, want ‘Literatuur is pas literatuur als de auteur de tekst ook niet helemaal begrijpt’. (Tuinfeest)
Aan waarheden heeft schrijver Kobra geen behoefte. Hij is geinteresseerd in het verband tussen de woorden en de alinea’s, in het verhaal tussen de zinnen en in de stiltes. De taal zoals politici die hanteren wordt aangewend om de waakzaamheid af te zwakken. De schrijver scherpt de taal aan tot een wapen voor de eenling. Niet een wapen om macht mee uit te oefenen, want 'macht behoort de middelmatigen’ (Tuinfeest).
Het voordeel van het schrijven van een roman, die kan uitdijen tot een trilogie met een open einde, is dat het de schrijver dwingt met zijn hele hebben en houden te denken. 'De roman is een volledige vorm, het gehele bewustzijn past erin; wat wij epiek noemen, is slechts een deel ervan. Mij interesseert de vraag hoe de grenzen van het ik kunnen worden verlegd.’
De roman als volledige vorm, de grenzen van het ik verleggen? Is Gyorgy Konrad te rade gegaan bij zulke grenzeloze schrijvers als A. F. Th van der Heijden of Bert Schierbeek? Natuurlijk niet. Het is wel zo dat Konrad een zelfde mentaliteit bezit, zodat hij zijn schrijvende alter ego en anticommunistische slangenbezweerder Kobra in Tuinfeest zinnen in de mond kan leggen die achteraf kunnen gelden voor de hele trilogie (die over enkele jaren tot een kwartet zal zijn uitgedijd): 'Het eindresultaat is een stadsroman. Een open systeem, dat functioneert tot het einde van mijn leven. Het zal duizenden pagina’s beslaan en je hoeft niet alles te lezen. Een boek, een hoofdstuk of een bladzijde ervan is een op zichzelf staand geheel. Alleen wat grondig is, kan vermaak geven, zegt een meester. De romans zijn vertakkingen van elkaar; de romanpersonages zijn met elkaar verweven, ze worden van de ene zin op de andere veertig jaar ouder, maar even later zijn ze weer zo jong dat ze het liefst op de schommel zitten.’
En zo zit Konrads trilogie in derdaad in elkaar. Een netwerk van particuliere, erotische en historische betrekkingen tussen mensen die niet van hun verleden kunnen afkomen. De drie romans van Konrad zijn een eindeloze familieroman, een kroniek, een gedenkboek, reisboek en droomdagboek, een inventarisatie van details, geuren, kleuren en onbenulligheden. Maar ook een permanente woordenvloed tegen opportunisme, etnisch gezever of nationalistische heimweegevoelens naar een 'Middeneuropees rijk’ dat lijkt op de Habsburgse monarchie.
Laat ik de trilogie maar een autobiografische essayroman noemen, alleen maar om aan te geven dat Konrad met een overvolle schrijfagenda toch een ogenschijnlijk lichtvoetig, zeer beweeglijk verhaal kan presenteren waarin genres en verleden en heden moeiteloos over elkaar heen buitelen en waarin de schrijver zich gemakkelijk splitst in diverse alter ego’s. Zijn hoofd wordt de stad waarin hij woont, en die stad heet in De stenen klok niet voor niets Kandor, een anagram van Konrad.
HET MIN OF MEER met elkaar bevriende driemanschap dat De stenen klok domineert, bestaat uit oude bekenden van de Konrad-lezers. Een club van 'metropolische magiers’. Antal Tombor was filmregisseur en is nu burgemeester van Kandor. De utopische monarchist Kuno Aba was docent geschiedenis (van Janos Dragoman), rector van de universiteit waarvan Dragoman in 1953 verwijderd werd, en is nu loco-burgemeester. Dragoman zelf is een heer op leeftijd (zestig; de roman speelt in 1993), die een jaar of vijf daarvoor Kandor is ontvlucht om zijn relatie met Tombors vrouw Melinda Kadron - lees Melinda en Dragoman - af te kunnen breken. Hij is al eerder Amerikaans staatsburger geworden, wereldberoemd als filosoof, schrijver en professor, en een geliefde voorzitter van internationale conferenties waarop gewichtige cultureelpolitieke problemen worden besproken.
Om zo'n conferentie voor te zitten is hij weer teruggekeerd naar Kandor. Maar het verleden springt hem op de nek, of hij dat wil of niet. Bovendien bestaat er nog steeds dat web van mensen die iets van hem willen. De burgemeester wenst hem als zijn anarcho-liberale, reizende ambassadeur; Kuno Aba’s vrouw, de carrieremaakster en gemeentesecretaris Szandra, ziet hem graag als stadsschrijver en chroniqueur. Bovendien is daar het alomtegenwoordige Danok (een bedrijf dat in hotels, elektronica en militaire zaken doet, maar ook een firma met een alziend oog, gefixeerd op het mediawereldje), die Dragoman in en rond hotel De Kroon laat bespioneren en van hem een media-idool wil maken.
Op de achtergrond spelen de vrouwen een cruciale rol. Misschien is het daarom verkeerd om van 'achtergrond’ te spreken. De vrouwen in Konrads roman scherpen het bewustzijn van de mannen, halen hen onderuit, ontmaskeren hen als tekortschietende kwajongens of laten hen vluchten. Bovendien komt Dragoman zijn eigen verleden tegen in Olga en Habakuk, respectievelijk dochter en kleinzoon wier bestaan hij niet kon bevroeden.
De grote spannningsoplader in De stenen klok is het belaste en beladen jaar 1956, om precies te zijn de periode tussen 23 oktober en 4 november. Dragoman, die in die periode de Russische stadscommandant doodschoot, en Kuno Aba delen een geheim dat uiteindelijk voor een van hen noodlottig blijkt te zijn. De manier waarop Konrad dit geheim verweeft met de geschiedenis van de stad Kandor en de in elkaar opgaande levens van zijn hoofdfiguren is adembenemend spannend, ingewikkeld en tegelijkertijd ontwapenend eenvoudig.
WAT DOET Konrad in dit boek over heldendom en lafheid, deze roman die de avonturen van een dolgedraaide dialectiek beschrijft? 'Ik delf herinneringen op en kleur witte vlekken in op de kaart van het verleden’, laat hij Dragoman zeggen. Vanzelfsprekend staat het vulkanische Kandor niet op de kaart, dat wil zeggen: 'De stad Kandor is namelijk alleen op heel bijzondere landkaarten te vinden, waarvan het bijzondere is dat ze alleen in de stad Kandor te verkrijgen zijn.’ En bij Konrad, vermoed ik.
De enige werkelijkheid in De stenen klok, waarin de tijd moeiteloos van het ene naar het andere jaar springt en zich niets van chronologie aantrekt, is het verleden. 'Het verleden schijnt met een plastic zeil overdekt, als een op straat gevonden lijk.’ En de personages scheppen hun eigen verleden, hun eigen gevangenis, tot het hun te heet onder de voeten wordt. Het is Dragoman die zijn particuliere geschiedenis lijkt te herhalen als hij op de valreep, nadat zijn imago beschadigd is en hij zelfs beschuldigd wordt van moord of doodslag, voor de derde keer in zijn leven wegvlucht, eerst in zwijgzaamheid in een gekkenhuis, een half jaar later daadwerkelijk met lichaam en ziel. De lezer heeft dan de geregisseerde maar tegelijkertijd toevallige avonturen meegemaakt van een man met vele eigenschappen in een grenzeloze roman die in de toekomst kan uitdijen tot Musil-achtige proporties.
Dragoman is een opgejaagde, een internationale sjamaan, een zwervende jood, een romanticus, een oeverloze ouwehoer, een mystieke zwerver, een bourgeoiszoontje, een gewapende student, een erotische jager, een passant, voorbijganger en verstokte stadswandelaar, urbanoloog, anglist, kroniekschrijver, openbare schim. En de stad is zijn muizeval, toevluchtsoord en werkplek. En Konrad trekt lachend en vrolijk aan alle touwtjes tegelijk.