Een man van grote woorden

De roman De welwillenden van Jonathan Littell is een poging om de individuele waan van een onbeduidende SS-officier te verbinden met de collectieve waan van de nationaal-socialistische staat.

JONATHAN LITTELL
DE WELWILLENDEN
Uit het Frans (Les bienveillantes, 2006) vertaald door Jeanne Holierhoek en Janneke van der Meulen
De Arbeiderspers, 978 blz., € 39,95

Twaalf jaar geleden wekte Daniel Jonah Goldhagen enige beroering met zijn grofmazige traktaat Hitlers gewillige beulen. Niet lang daarna moet de acht jaar jongere Jonathan Littell (1967) begonnen zijn met de voorbereiding van De welwillenden, dat twee jaar geleden in het Frans is verschenen. Tot ongeveer op de helft kan de lezer denken dat Littell gehoor heeft willen geven aan de oproep van Goldhagen ‘de klinische benadering te mijden en een beschrijving te geven van de verschrikkingen die de gebeurtenissen hadden voor de daders’ – een raar zinnetje, maar de bedoeling is duidelijk: laat de daders eens aan het woord, die piepen anders dan de slachtoffers.
Littell laat zijn verteller, een dader, de SS-officier Max Aue beginnen met een uitnodigende zin: ‘Mensenbroeders, laat me u vertellen hoe het is gegaan’, een echo van de beginzin van Moby-Dick. Met de tweede zin doet Aue de deur meteen al dicht: ‘Wij zijn uw broeders niet, zult u antwoorden, en we willen het niet eens weten.’ Dat is koketterie, die past bij de verteller van het boek, die pedant, nog steeds in het bezit van het grootste gelijk van de wereld, zijn belijdenis neerpent, geen biecht maar een pleidooi, waarvoor hij ook nog eens alle ruimte neemt. ‘Ik heb nergens spijt van’, zegt hij meteen, ‘ik deed mijn werk, meer niet.’ Hij schrijft dit uit tijdverdrijf; mooi meegenomen als hij ook nog wat puntjes weet te verhelderen.
Aue schrijft zijn herinneringen dertig jaar nadien, geen ooggetuigenverslag heet van de naald. Meermalen zegt hij dat hij moe is van het navertellen en dat de lezer dit of dat maar zelf in de boeken moet nalezen. De lezer zij gewaarschuwd: hoeveel historische werkelijkheid er ook wordt verhaald – bewonderenswaardig is alleen al wat Littell bij elkaar gelezen heeft, en zelfs Claude Lanzmann zegt dat de feiten kloppen –, er wordt niet in romanvorm naverteld wat in geschiedenisboeken staat. Er valt veel over het boek te zeggen, er is het nodige op aan te merken, maar Littell weet heel goed wat hij doet.
Wanneer hij Max Aue, in 1913 geboren uit een Franse moeder en een Duitse vader, ‘ik’ laat zeggen, is natuurlijk niet de schrijver aan het woord, niet eens een schrijver die, zoals dat heet, in de huid kruipt van zijn hoofdpersoon, maar een hypothetische figuur, een passe-partout; geen slager, geen doorsnee proleet maar een gecultiveerde jurist die zelfs Oudgrieks spreekt als het zo uitkomt. Als hij op een theekransje bij de Eichmannetjes de gastheer met de Categorische Imperatief van Kant om de oren slaat, zodat die kan denken dat het een duurder woord is voor Plicht, dan zegt Aue erbij dat hij ook maar blufte.
Max Aue, de nazistische alleman, is overal geweest, van 1939 tot mei 1945: op het slagveld achter het in Rusland oprukkende Duitse Zesde Leger; in Stalingrad, waar hij dankzij een schot door zijn hoofd wegkomt; op de burelen van Himmler, Eichmann, Speer; in de kampen waarlangs hij een inspectieronde maakt; zelfs in Hitlers bunker in Berlijn vlak voor de grote kladderadatsj (als hij daar van de grote beverd een hoge onderscheiding gaat krijgen, bijt hij hem in zijn knolneus, tot bloedens toe – Aue legt uit waarom historici dit voorval niet vermelden).
Hij is overal geweest, was getuige, maar geeft toe dat hij niets gezien heeft.
De hoofdpersoon is een hypothetische figuur, allerminst realistisch, niettemin heel reëel. Je kunt ook zeggen dat het hele boek om een hypothese draait: als.
‘Als ik dit kon begrijpen’, schrijft Aue wanneer hij de massamoord van Babi-Yar bij Kiev in september 1941 beschrijft, ‘zou ik alles kunnen begrijpen en eindelijk kunnen uitrusten…’ Jazeker, hij wilde alles weten, hij wist alleen niet wát hij wilde weten – het lijkt de taalvirtuoos Rumsfeld wel.
Er is een belangrijke passage die om een tweevoudig ‘als’ draait. Niet toevallig gebeurt dat in een doldraaiende zin zonder punt, terwijl de roman verder vooral uit notulenproza bestaat. Het is een van de weinige plaatsen waar Littell zijn zegsman persoonlijk lijkt te souffleren. Het gaat om twee redevoeringen van Reichsführer Himmler, oktober 1942, waarin hij de Endlösung onverhuld formuleert en oproept alle ethische schroom te laten varen. Het is allemaal in het protocol van het grote Neurenbergproces terug te vinden, zegt Aue.
‘Als Duitsland de Roden had verpletterd en de Sovjet-Unie had vernietigd, dan zou er nooit meer over misdaden zijn gesproken’, is het ene ‘als’. Hier komt het hoofdthema van Littell expliciet ter sprake: de misdaad van de staat, de politieke massamoord van een totalitair systeem, hoe dat werkt: in het groot én in het klein. Er is namelijk nog een ‘als’: wat als u net als ik, Aue, in 1913 geboren zou zijn en een radertje was geworden in die grote machinerie? Op beide niveaus hoort er een vraag op te volgen: hoe heeft deze totalitaire staat kunnen ontstaan? Uit de pogingen een schandelijk verleden tot zwijgen te brengen, zegt Aue, als revanche te vergelijken met de compensatie die hij zelf voor een vroeger trauma zocht. Maar dat is, zoals bijna alles wat Aue zegt, tautologie: waarom, daarom; hij spreekt de taal van het systeem, met als sluitrede dat uiteindelijk de woorden van de Führer wet zijn. De oorsprong van het totalitarisme blijft (zelfs in een gesprek van Aue met een sovjetofficier over de parallellie van het socialisme-in-een-land en het nationaal-socialisme) even troebel als Aue’s eigen beweegredenen: hoe is Max Aue een actieve medewerker en uitvoerder van dit systeem kunnen worden? Dat was hij en dat bleef hij, hoe vaak hij achteraf ook verzucht dat hij liever alleen maar observator was gebleven.
Aue relativeert die veilige afstand. Nieuwsgierig naar het effect op zijn gemoed woont hij vrijwillig executies bij; maar de grote sensatie is zijn beleving wanneer hij zelf in de moordkuil van Babi-Yar staat. Hij voelt niets; als toekijker had hij er meer moeite mee – de toeschouwer doet niet voor de dader onder. Over kilte gaat het, bij het moordend handwerk evenzeer als bij de schrijftafelmoorden. Geen verstandig mens ter plaatse die geen minachting had voor de sadisten, de slagers die genoten van het doden – het ideaal is technische perfectie, orde. In de werkelijkheid heerste er chaos.
De hele eerste helft van het boek kan Aue er niet over uit hoe primitief, amateuristisch en chaotisch de eerste stadia waren van het proces dat eind 1942 tot de systematische Endlösung zou leiden. Zijn kritiek werd door velen gedeeld, en Aue deed van harte mee aan de technische oplossing van het probleem, het joodse probleem en de uitvoering van het bredere plan voor vernietiging van alle vijanden. Ook dat wordt in extenso verteld; het duizelt de lezer van de namen, de rangen, de rapporten en herhalingen van militaire, organisatorische en oratorische zetten, overgoten door sloten cognac en borrelpraat. Maar voor liefhebbers van Het bureau of Oorlog en vrede moet dat een peulenschil zijn.
Wie verwacht had dat een SS-officier, zeker een met zo’n dramatische achtergrond – hij haat zijn moeder en vermoordt haar en haar minnaar, mede namens zijn tweelingzuster, van wie hij zoveel houdt dat geen andere vrouw meer in aanmerking komt, dus (?) is hij maar homoseksueel geworden – een rijk innerlijk leven heeft, komt bedrogen uit.
Alles wat Aue zegt moet woordelijk worden genomen, maar neem vooral niets serieus. Al ziet het er anders uit, het boek is voor een deel satire. Aue is tot in de komma’s his master’s voice, maar weet wel wie de baas is: niet de blaaskaak Hitler maar de totalitaire staat. Dit is het geschrift van een gelovige, ik zei het al, de belijdenis van een hogere geestelijke die zich lidmaat waant van het mystieke lichaam van de staat van het uitverkoren volk. Hij beheerst de taal en het denken van het nazidom tot in de perfectie, natuurlijk, want hij vereenzelvigt zich finaal met het Systeem. En dat doet hij nog steeds als hij het schrijft, in de jaren zeventig, in z’n vrije tijd als directeur van een kantfabriek in Noord-Frankrijk, met een gezin en alle sociale camouflage van dien.
Aue formuleert zelf hoe een individu de grote waan deelachtig wordt. Mensen geloven (nog) in ideeën, schrijft hij, hoewel die misschien helemaal niet bestaan: ‘Misschien zijn het woorden, en het gewicht dat ze hebben, het enig werkelijk bestaande.’ En in die woorden, vooral de grote woorden, in de schijngestalte van Idealen, vooral Dienstbaarheid, gelooft Aue onvoorwaardelijk. Het kan vijftig pagina’s lang over linguïstiek gaan, wanneer racisten op wetenschappelijke basis het ras willen vaststellen van de Bergjuden bij de Zwarte en Kaspische Zee. Satire of niet, Aue’s geloof in de rassentheorie blijft overeind.
Littells meesterzet is dat hij zijn zogenaamde ooggetuige Aue uit dezelfde bron laat putten als hij zelf deed: alles wat er al, door anderen, over de oorlog en de Endlösung geschreven is. Als roman mag het boek aan alle kanten rammelen, maar had het anders gekund? Het is wel een belangrijk boek, misschien zelfs een mijlpaal in de oorlogsliteratuur. Het bevestigt de theorie dat de directe herinnering aan grote gebeurtenissen één generatie duurt, zestig jaar, totdat de laatste overlevenden verdwenen zijn. Dan maakt ze plaats voor een cultureel, collectief geheugen en moet iedereen het voortaan doen met verhalen van horen zeggen, zoals Littell en zijn door hemzelf geleide gids Max Aue.
Maarten van Buuren heeft in deze krant indertijd (De Groene Amsterdammer, 19 januari 2007) de Franse uitgave besproken, Les bienveillantes, ook hij was vol bewondering en vestigde vooral de aandacht op de levensgeschiedenis van Aue, die de allure van een Griekse tragedie zou hebben. De klassiek angehauchte Aue verwijst zelf al naar de Oresteia van Aischylos. Een van de drie stukken heet Eumenides, waarvan ‘de welwillenden’ een vertaling is, ook wel ‘Erinyen’, wraakgodinnen.
Volgens mij is het een mislukte poging van Jonathan Littell om de individuele waan van Max Aue te verbinden met de collectieve waan van de nationaal-socialistische staat. Aue is een functionaris die denkt en spreekt in functie van het systeem en zelf niets te vertellen heeft. Dan is het een loze kunstgreep om van een functionaris, een verwisselbaar radertje in het geheel, toch nog een tragische held te maken. Ook Lot is maar een woord. De moedermoord en tweelingliefde passen toch weer wel in het grote verhaal, als staaltje mythomanie van een belezen SS-officier, die ook in dezen niet terugschrikt voor grote woorden.