Een man van stijl

WILLEM OTTERSPEER (RED.)
DE HAND VAN HUIZINGA
Amsterdam University Press, 446 blz., € 44,95

(Volledige tekst gratis te downloaden op www.uap.nl/repository)
‘Cultuurgeschiedenis is een lastig ding. Haar objecten, de grote verschijnselen van opgang, verandering, aard en val van een beschaving, zijn zo complex en zo diffuus, dat zij eigenlijk geen naam kunnen dragen, niet als gesloten eenheid kunnen worden begrepen. Doch zolang zij geen naam hebben, kan de historie ze niet zichtbaar maken voor de geest. De geest echter wacht niet op de uitspraak der historie. Uit de wens en de verbeelding van de tijdgeest zelf, die grote mythograaf, ontspringt meestal de naam voor het nieuwe, dat de geest vervult en de tijd beweegt. Renaissance, Reformatie, Revolutie, Restauratie, Risorgimento. Ziedaar een hele sleutelbos van grote R’s, waarmee wij de deuren der historie laten draaien. In al die gevallen klonk de naam reeds, als aspiratie van de tijdgenoot, toen het verschijnsel zich voltrok. Is het toeval, dat hij telkens met re- begint? Niet geheel. Wanneer de mensheid de toekomst bedoelt, roept zij veelal “terug”.’
In deze ene alinea, waarmee de in 1933 gehouden voordracht Natuurbeeld en historiebeeld in de achttiende eeuw opent, is veel terug te vinden van wat zo kenmerkend is voor het werk van Johan Huizinga. De bijna oneerbiedige wijze waarop hij over zijn eigen vak schrijft en de thans door velen als plechtstatig en daardoor als ‘gedateerd’ ervaren stijl, die niettemin na enige gewenning welhaast verslavend werkt. De voorkeur voor metaforen en het onbekommerd gebruiken van begrippen (in dit geval ‘de tijdgeest’) die door hedendaagse historici worden verafschuwd. En een en passant geformuleerd inzicht dat uitnodigt om eens rustig over na te denken, en dat meestal de spijker aardig op de kop treft. Want de laatste opmerking, dat radicale vernieuwingsbewegingen meestal voortkomen uit een diep verlangen naar een geïdealiseerd verleden, mag dan enigszins cultuurpessimistisch overkomen, correct is zij wel.
Hoewel Huizinga (1872-1945) in de jaren dertig bekendstond als ‘the most famous man in Holland’ en tegenwoordig geldt als de grootste Nederlandse historicus aller tijden, hoefde je lange tijd niet met hem aan te komen. Hij was een conservatieve burgerman, die daar nog trots op was ook. (‘Of wij nu hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van de notaris tot de dichter en van de baron tot de proletariër’, schreef hij in Nederlands geestesmerk.) Zijn stijl zou ouderwets en gemaniëreerd zijn, en bovendien was zijn werk eerder literatuur dan wetenschap. Willem Frijhoff zei ooit dat als je een roman over de Middeleeuwen wilde lezen je beter Eco’s De naam van de roos kon pakken dan Huizinga’s Herfsttij der Middeleeuwen.
Vanaf eind jaren tachtig, toen de correspondentie van Huizinga verscheen in drie delen, voltrok zich echter een kentering. Sindsdien zijn verschillende boeken over hem verschenen en worden zijn Herfsttij, zijn Erasmus-biografie en zijn boek over de Nederlandse cultuur in de zeventiende eeuw regelmatig herdrukt. Wie dit echter vergelijkt met de negen kloeke delen van zijn Verzamelde werken (1948-1953) ziet onmiddellijk dat van zijn oeuvre maar een gering deel gemakkelijk toegankelijk is.
Vandaar dat het toe te juichen is dat Willem Otterspeer een bloemlezing heeft samengesteld uit Huizinga’s oraties, voordrachten en essays. De hand van Huizinga bevat onder meer de autobiografische schets Mijn weg tot de historie, zijn oraties over ‘historische levensidealen’ en ‘de grenzen van spel en ernst in de cultuur’, essays als Renaissance en realisme, De kunst der Van Eycks in het leven van hun tijd en Natuurbeeld en historiebeeld in de achttiende eeuw, en de brochure Nederlands geestesmerk.
Drie jaar geleden publiceerde Otterspeer zijn prachtige studie Orde en trouw, waarin hij Huizinga vóór alles benaderde als schrijver, en dan als een van de weinige echt klassieke auteurs die dit land heeft en die in zijn ogen de enige serieuze Nederlandse kandidaat voor de Nobelprijs is geweest. Otterspeer ging niet in op de eindeloze discussie over de vraag wat nu nog de wetenschappelijke waarde van Huizinga’s werk was, maar liet zien dat bij hem stijl en methode geen gescheiden grootheden waren. Huizinga was geen ‘gewone’ historicus met een ‘vlotte pen’, maar een begaafd stilist die met literaire middelen contrasten opriep die tegenstellingen en spanningen uit het verleden tot leven wekten.
Uit de in deze bundel verzamelde stukken blijkt dit ook telkens weer. Een fraai voorbeeld is het essay over de kunst van de gebroeders Van Eyck, waarin hij de weergaloze vijftiende-eeuwse schilderkunst van de zogenaamde ‘primitieven’ afzet tegen de in zijn ogen slaapverwekkende literatuur uit die tijd, ‘waarin geen figuur ooit iets nieuws of eigens vertoont, waarin de lang gebottelde en vaak verschaalde zedelijke wijsheid van eeuwen her in kleine glaasjes wordt uitgeschonken’. Tegelijkertijd laat hij zien dat ze beide aspecten zijn van één en dezelfde cultuur, die wij maar slechts ten dele kennen en begrijpen. Jan van Eyck werd toen bewonderd om andere dingen dan tegenwoordig, en hoewel wij het ons waarschijnlijk niet kunnen voorstellen, heeft hij die middelmatige, op clichés voortstrompelende literatuur van zijn tijd waarschijnlijk mooi gevonden. ‘Het is niet vreemder dan dat Bach zich behielp met de kleinburgerlijkste rijmelaars van een rheumatisch kerkgeloof.’