Een man wordt verpletterd

Chantal Maillard
Plato doden
Uit het Spaans vertaald door Bart Vonck (tweetalige uitgave). P, 104 blz., € 18,-

Een man wordt verpletterd. Zo begint de bundel Plato doden. De taal van dichteres en filosofe Chantal Maillard (in 1951 geboren in Brussel, opgegroeid in Malaga) is onomwonden. Ze presenteert verslagen van een gebeurtenis die zo exact mogelijk zijn. Waar de verschillende versies net niet stroken, ontvouwt zich een gelaagde werkelijkheid die verdacht veel op de verbeelding lijkt.
Maillard schetst in 28 gedichten een verkeersongeluk en de gevolgen ervan. De gebeurtenis wordt vanuit allerlei hoeken belicht. Het ongeluk is als een steen in de hand van de dichteres die ze steeds opnieuw bekijkt en waardoor ze het ongeluk steeds opnieuw laat plaatsvinden.

Het ongeluk is hetzelfde ongeluk waarmee de roman De man zonder eigenschappen van Robert Musil begint. Dat het natuurlijk ook een ander ongeluk is, omdat het door iemand anders wordt beschreven, is misschien wel de kern die Maillard wil raken: elke blik maakt een nieuwe werkelijkheid mogelijk. Bij Musil heeft het ongeluk al plaatsgevonden wanneer ‘de dame en haar metgezel’ de plek des onheils naderen. In Plato doden gebeurt het voor de ogen van de dichteres en van de lezer:

Een man wordt verpletterd.

Op dit ogenblik.

Nu.

Een man wordt verpletterd.

De herhaling van het ‘nu’ maakt het onmogelijk de mededeling niet goed tot je door te laten dringen. Daarbij vestigt de dichteres de aandacht op wat het ‘nu’ in een geschreven tekst betekent: het duurt zolang je het leest en je kunt er steeds opnieuw aan beginnen. De steen wentelt zich in de hand.

Maillard laat de lezer getuige zijn van een gruwelijk nu waar je het liefst de ogen voor zou sluiten. Maar het gebeurt nu! Maillard dwingt je te kijken:

Opengebarsten vlees, darmen,

lichaamsvocht dat van vrachtwagen en lichaam druipt,

machines die hun essenties vermengen

op het asfalt: vreemde samenvoeging

van metaal en stof, het harde vormt

een ideogram met zijn tegendeel.

Het ideogram zou een teken moeten voorstellen dat de betekenis heeft van wat het zelf uitbeeldt. Het is een onduidelijk, maar onheilspellend teken dat zowel de afdruk, de indruk als het lichaam van het slachtoffer oproept. Daarentegen wordt de houding van de getroffene glashelder verbeeld:

De man brak doormidden en het is

alsof hij een buiging maakt na de voorstelling.

De vergelijking met een voorstelling is van belang. Maillard stelt zich ten doel de lezer de werkelijkheid tot zich door te laten dringen. In een interview aan het slot van de bundel met vertaler Bart Vonck zegt ze: ‘In een tijd zonder media was het gemakkelijker om te “sympathiseren” met wat gebeurt met mensen uit ons dorp, of met wat een reiziger ons komt vertellen. Maar als we een stortvloed van beelden ondergaan en dat als spektakel en fictie ontvangen, is ons medelijden van een andere orde. Het is een esthetisch (want in beelden vertaald) medelijden, geen onmiddellijke emotie.’

Ze vraagt zich daarbij af wat het ‘werkelijke’ is: ‘Bestaat zoiets als “zo is het (gebeurd)”, buiten mijn interpretatie of standpunt om? Nee: een gebeurtenis bestaat altijd voor iemand, past zich altijd aan aan wie er deel van uitmaakt. In mijn bundel wil ik aangeven hoe moeilijk de communicatie met de werkelijkheid verloopt.’

Het kijken, het oog en de verschillende manieren om de werkelijkheid te bekijken zijn steeds aan de orde in deze bundel. Het slachtoffer kijkt met één oog naar buiten en met het andere naar binnen:

Zijn aangezicht is heel fijn en draait de haast obscene

blik van een groot blauw oog naar de hemel

en een ander oog is verblind

door de poep die een duif afdrukte

als een lakzegel op een brief.

Wat er in de brief staat komt de lezer niet te weten. Die blijft gesloten als het dode oog.

Onder aan de gedichten loopt als ondertiteling een tweede gedachtelijn, eveneens in versvorm. Hier worden de bovenstaande gedichten becommentarieerd, en van nieuwe gezichtspunten voorzien. Zo staat er onder het eerste gedicht waarin de man wordt verpletterd de nuchtere mededeling: ‘Ik sla de hoek om. Ik versnel mijn pas. Het wordt/ laat en ik heb nog niet geluncht.’

Als ondertitel bij het fijne aangezicht met het grote blauwe oog wordt de ‘ik’ door een vriend gevraagd raad te geven over een bundel die hij Plato doden noemt. De ‘ik’ zegt niet te begrijpen waarom hij die titel koos: ‘Hij antwoordde mij dat het boek/ een gebeurtenis beschrijft,/ dat een gebeurtenis,/ in tegenstelling tot een idee,/ nooit gedefinieerd kan worden.’

Door Plato te doden, pleit Maillard voor de directe ervaring: ‘In Plato’s filosofie moeten we altijd weer via het Concept (de vader) passeren om de concrete dingen te kennen. (…) We komen dus alleen via die omweg met het concrete in aanraking.’

Maar als adviseur van haar vriend vindt ze Plato doden een vreemde titel. De dichteres bekijkt zichzelf hier door de ogen van de lezer. Ze laat de lezer meedenken over wat de werkelijkheid is, binnen en buiten de gedichten, en uit hoeveel stenen de steen in je hand bestaat.