Thomas Frank

Een markt onder God

Nieuwe rijken zien in de vrije markt de ultieme democratie. Het tegendeel is waar, zegt Thomas Frank in «One Market under God». We betalen voor Windows
wat Bill Gates goeddunkt.
Thomas Frank, One Market under God: Extreme Capitalism, Market Populism, and the End of Economic Democracy. Uitg. Doubleday, $26.-

Volgens sommige Amerikaanse critici maakt Thomas Frank (35) met One Market Under God zijn reputatie waar als meest prominente linkse sociale criticus van zijn generatie. Eerder scoorde hij met The Conquest of Cool: Business Culture, Counterculture, and the Rise of Hip Consumerism, waarin hij beweerde dat de reputatie van de jaren zestig als hoogtepunt van tegencultuur vooral te danken was aan slimme marketing.
Nu neemt hij het «marktpopulisme» van de jaren negentig onder de loep: het in kranten, bladen, boeken en managementcursussen agressief verspreide geloof dat markten een meer democratische structuur kennen dan overheden, dat ze de wil van het volk beter tot uitdrukking brengen dan verkiezingen. De markt als vriend van de kleine man — waren miljonairs vroeger toch wat verdacht, schrijft Frank, de nieuwe exemplaren zijn gewone jongens en harde werkers. Ze maken de universiteit niet af, beginnen op een studentenkamer, verhuizen naar een kantoor vol tweedehands meubilair in een alternatieve buurt, schrijven poëzie bij Starbucks, dragen uitsluitend makkelijke kleren, luisteren naar Steppenwolf tijdens het zakendoen, eten pizza en hamburgers, drinken bier op het werk, blijven fris dankzij trampolinespringen en zijn virtuozen op de sneeuwplank.
Ooit meenden Amerikanen dat economische democratie ging over een redelijke levensstandaard voor iedereen, dat vrijheid alleen zinvol was als armoede en onmacht waren uitgeroeid. Maar nu waren opinieleiders het erover eens dat democratie en vrije markt hetzelfde zijn. In het boek komt een stoet langs van managementgoeroes, journalisten, «verlichte» ondernemers, denktankers en economen die de wereld ervan trachtten te overtuigen dat de vrije markt de oplossing is voor elk probleem en dat iedereen die er anders over denkt behoort tot een welhaast Kremlin-achtige elite.
«Elite» was destijds een bij links populair scheldwoord waarmee leden van de gevestigde orde werden beschimpt, zeg maar de sigarenrokende grootindustrieel, maar in de jaren negentig zag je het omgekeerde, constateert Frank. Voorstanders van de vrije markt en globalisering bestempelden hun tegenstanders als de elite: de ambtenaren met hun kleinzielige regeltjes, de arrogante vakbondsbestuurders, de kritische media en de universitaire, snobistische intellectuelen in hun Volvo’s en ivoren torens. Een medewerker van Time schreef dat het hem in 1992 ineens was opgevallen dat «elitist» was uitgegroeid tot het altijd-goed-scheldwoord du jour, de plaats innemend van «racist». Volgens Frank past ook «cynicus» in het nieuwe scheldwoordenboek, een term die werd losgelaten op iedereen die kanttekeningen durfde te plaatsen bij de zegeningen van de «nieuwe economie», de markt, de globalisering.
De stroming werd onder conservatieven goed zichtbaar na de Republikeinse verkiezingsoverwinning in 1994, schrijft Frank. De nieuwe lichting sprak niet meer over klassieke thema’s als het gezin, defensie en sociale orde. Nu werd duidelijk gemaakt dat democratie alles te maken had «met de heilige daden kopen en verkopen» en dat zij die de markt wilden reguleren, handelden «tegen de almachtige wil van het volk». Robert Bartley, hoofdredacteur van de Wall Street Journal, schreef in een essaybundel: «De wereld wordt niet geregeerd door politici maar door de markten.» Wie waarachtig gelooft in democratie, moet leren nooit de markt te bestrijden maar te «luisteren naar wat de markt ons te vertellen heeft».
Het marktpopulisme heerste niet alleen onder klassiek rechts, maar ook in de columns van een New York Times-journalist als Thomas Friedman. Frank: «Wat zijn schrijven zo typerend maakt voor deze tijd, is hoe hij een enthousiasme voor de markten en loonverlaging combineert met juichkreten voor democratie en diep bezorgde uitspraken over het welzijn van werknemers in de rest van de wereld.» In de kolommen van een voortuitgangsblad als Wired nam mediacriticus John Katz het op tegen «de arrogantie en het elitisme» van de oude media. Opinie makers verachtten het publiek, iets wat op het net onmogelijk was, want die plek wordt bewoond door de «digitale burger» die «de vrije markt aanbidt» en de pest heeft aan de overheid. Marktcritici deden hem denken aan «de behaarde oude mannen in het Kremlin» in de nadagen van de Sovjet-Unie. Interessant is, meent Frank, dat Wired niet bepaald de sfeer van een zakenblad uitstraalt. Tussen de aanvallen op de «elites» staan hevig windende cartoonkarakters, een fotoreportage van het alternatieve Burning Man-festival en een verhaal waarin radicale hippies in Rusland worden toegejuicht.
Maar ja, de vrije markt was dan ook modern en hip en zelfs spiritueel. Een vrolijke reclame voor een online-effectenkantoor die het afgelopen jaar veelvuldig op de Amerikaanse televisie was te zien, toonde een groepje deelnemers aan een New Age-cursus. Hun werd gevraagd zich voor te stellen dat ze op een prachtige plek verbleven, en nadat een van de cursisten zei dat die plek achter zijn computer was waar hij voor slechts acht dollar transacties uitvoerde, verkeerde de hele groep in vervoering over zoveel moois.
Een serieuzere vorm van kruisbestuiving kwam langs bij ondernemer Anita Roddick van de Body Shop, die haar diepe banden met natuurvolken en hun omgeving etaleerde. Ze verafschuwde alles wat vakbond was want bij de Body Shop was er geen onderscheid tussen leiding en werkvolk. Sterker nog, haar bedrijf was «te radicaal» voor zoiets conservatiefs als bonden. In die atmosfeer is het niet erg om ontslagen te worden; ontslag kan juist goed zijn omdat het leidt tot verandering en nieuwe uitdagingen. Een blad als Fast Company, een van de hippe en fanatieke pleitbezorgers van de nieuwe economie, vatte de doctrine fraai samen: «Bedrijven zijn de overheersende instituten van onze tijd. Ze nemen de plaats in die de kerk had in de Middeleeuwen en de natie in de afgelopen tweehonderd jaar.»
Natuurlijk is de vrije markt niet democratisch, stelt Frank, die nieuwe economie is fraude. Ze doet niets aan de obsceniteit van de welvaartskloof en het helpt weinig dat de rijksten zeggen dat ze «luisteren» of dat hun fortuin «interactief» is of dat ze heel hard werken. Niemand heeft op Bill Gates gestemd en nooit is besloten dat we alleen Windows zouden gebruiken en dat we daarvoor zouden betalen wat Gates goeddunkt. De gemiddelde werknemer staat niet elke dag vroeg op omdat hij dat zo leuk vindt, maar omdat hij zich anders geen eten en onderdak kan veroorloven.
De afgelopen jaren bestond de indruk dat heel Amerika actief was op de aandelenmarkt — zelfs Reader’s Digest rapporteerde over het investeringssucces van de man in de straat — maar nog steeds bezit de meerderheid geen aandelen. De beurs was in opgaande lijn, maar 86 procent van de winst kwam terecht bij de rijkste tien procent van de bevolking. De markt droeg niet bij aan een democratisering van de welvaart maar zorgde juist voor een verdere concentratie ervan.
Toen Frank het boek afrondde, leken de beursbomen nog tot in de hemel te groeien en was er amper werkloosheid; een klimaat waarin het makkelijk was om te beweren dat vakbonden en overheid zich nergens mee moeten bemoeien. Inmiddels hebben duizenden van die mondige werknemers in de anti-elitaire hightechsector gemerkt dat ze nachten hebben doorgewerkt voor aandelenopties die er nooit zijn gekomen of die niks meer waard zijn. De warme familie blijkt ineens een gewoon bedrijf waar — hoe ouderwets — de baas bepaalt wie verdwijnt. En er zijn geen vakbonden die kunnen onderhandelen over een afvloeiingsregeling.
Sinds de effectieve anti-vakbondspolitiek van Reagan is het ledenpercentage in de particuliere sector teruggelopen tot minder dan tien procent, maar misschien dat de beurs paniek van het afgelopen jaar voor verandering zorgt. Onlangs waren er nota bene berichten over vakbondsactiviteiten bij Amazon.com, dat zich hevig verzet tegen inmenging van buitenaf. Een vakbondsman: «Het bedrijf accepteert wel werknemers met neusringen en tatoeages maar geen zelfstandige denkers. Dit heet een nieuwe economie te zijn, maar als het gaat om rechten van het personeel, handelen de managers volgens een stijl uit de jaren dertig. Ze reageren vanuit angst.»