Een massieve aartsreformist

Jos Perry, De voorman: Een biografie van Willem Hubert Vliegen. Arbeiderspers, 471 blz., f59,90
Een van de eerste boeken over de Nederlandse arbeidersbeweging die ik las, waren de aan Joop van Tijn vertelde herinneringen van Dirk Schilp, het uit 1967 daterende Dromen van de revolutie. De radicale vakbondsleider beschreef hierin hoe hij in 1920 als aanvoerder van een demonstratie een onderhoud had met de Amsterdamse wethouder W. H. Vliegen, die op dat moment de burgemeester verving. Terwijl Schilp het woord voerde namens de hongerige menigte buiten werd er door een keurig dienstertje koffie met pannekoekjes gebracht voor de rechtse sociaal-democraat. Een tafereel dat Kurt Tucholsky uitstekend had kunnen gebruiken voor zijn gedicht ‘An einem Bonzen’. Voor velen was Vliegen het prototype van de gederadicaliseerde sociaal-democraat die volop profiteerde van zijn enorme stijging op de maatschappelijke ladder.

Dat Vliegen in zijn jeugd een fel type was geweest, wordt ons duidelijk uit de memoires van de anarchist Alexander Cohen. Deze vertelt hoe hij samen met Vliegen in 1887 een troep Oranje-klanten te lijf ging, waarbij zij twee vaandels buit maakten. ‘Vliegen was lang niet mis in die dagen’, aldus de latere Action Francaise-aanhanger. Het feit dat de later zo 'rechtse’ Vliegen in zijn jonge jaren revolutionaire denkbeelden had verkondigd, maakte hem in de ogen van linkse tegenstanders tot een ordinaire verrader, een renegaat. Zijn loopbaan lang werd Vliegen achtervolgd door die ene advertentie uit 1893, waarin hij jonge vrouwen opriep om hun verloofde een revolver cadeau te doen. Ook Schilp wreef hem dit fijntjes onder de neus.
Nee, toen vanaf het einde van de jaren zestig de belangstelling voor de geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging begon toe te nemen was Vliegen niet bepaald een figuur waar de jonge generatie warm voor liep. Met afgrijzen werd altijd gewezen op het beruchte 'advies’ uit de zomer van 1940, waarin Vliegen een pleidooi had gehouden om de zo moeizaam opgebouwde instellingen van de moderne arbeidersbeweging te behouden. Voor zover de bezetter het toeliet en zonder dat de beginselen werden verloochend, moest het werk gewoon doorgaan. Hoewel hij beslist niet had opgeroepen tot collaboratie heeft dit advies een fikse smet op zijn blazoen geworpen. Het was dat Vliegen in vijf magistrale delen de geschiedenis van het Nederlandse socialisme tussen 1878 en 1919 had beschreven, zodat je hem wel moest lezen, want anders had men hem nauwelijks nog een blik waardig gekeurd.
Ondertussen is er heel wat veranderd, en nu is er dan een monumentale biografie van deze sociaal-democraat, die meer dan zestig jaar een rol van betekenis speelde in de Nederlandse arbeidersbeweging. In dit kloeke, veelomvattende boek beschrijft Jos Perry het leven van Vliegen tegen de achtergrond van de in razend tempo veranderende maatschappij en het zich niet minder stormachtig ontwikkelende socialisme. In zijn voorwoord wijst hij er op dat Vliegen aan het begin van zijn loopbaan voor zijn politieke activiteiten in de cel belandde, terwijl hij er eind jaren dertig een lintje voor kreeg. Nu zou men kunnen zeggen: kunst, die Vliegen heeft gewoon zijn idealen overboord gezet en zich geconformeerd aan de burgerlijke samenleving. Perry laat op overtuigende wijze zien dat het niet zo eenvoudig lag. Vliegens levensloop en de ontwikkeling van zijn karakter zijn van een zeldzame consistentie. De man bleef altijd zichzelf, ieder opportunisme was hem vreemd.
WILLEM VLIEGEN werd in 1862 geboren in het diepe, katholieke Zuiden. Zijn vader was schrijnwerker te Gulpen en ook voor de jonge Willem lag een toekomst als ambachtsman in het verschiet. Perry drijft op zeer geestige wijze de spot met de diverse biografische schetsen van Vliegen, waarin de auteurs met deernis beschrijven hoe de arme arbeidersjongen al op elfjarige leeftijd de schoolbanken moest inruilen voor een baantje in een drukkerij. Vliegen vond het echter helemaal niet erg en heeft later met liefde zijn typografentijd beschreven.
Het Limburg van die jaren was meer op Belgie georienteerd dan op het noorden, zodat het heel normaal was dat Vliegen als geschoold typograaf in Luik ging werken. Daar kwam hij voor het eerst in aanraking met het socialisme. Opvallend in de biografie is de levenslange band die Vliegen met Belgie heeft gevoeld. Hij werd, te Amsterdam, lid van de Sociaal-Democratische Bond na een redevoering van de Belgische socialist Eduard Anseele, zoals de latere voorman van de Belgische Werklieden Partij Camiel Huysmans op zijn beurt socialist werd door de geschriften van Vliegen, die in de jaren negentig in de mijnstreek circuleerden. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vond Vliegen dat Nederland aan de zijde van de geallieerden Belgie te hulp moest komen.
HET KOSTTE VLIEGEN veel moeite om in 1894 definitief met Domela Nieuwenhuis te breken, en samen met elf andere 'apostelen’ de SDAP op te richten. Eenmaal over de dam, ontpopte hij zich als een der belangrijkste leiders. In tegenstelling tot intellectuelen als Troelstra en Van der Goes was hij een echte arbeider, althans wat betreft afkomst. Als autodidact ontwikkelde hij zich in feite tot een eersterangs intellectueel, al heeft hij zichzelf nooit zo gepresenteerd. Hij was in de eerste plaats organisator en bestuurder, maar zijn artikelen werden door 'echte’ intellectuelen als Karl Kautsky, Herman Gorter en Henriette Roland Holst zeer gewaardeerd en van harte gepubliceerd in prestigieuze marxistische bladen als Die Neue Zeit en De Nieuwe Tijd. Het waren later heetgebakerde jongeren als Wijnkoop en Van Ravesteijn die Vliegen volkomen ten onrechte afschilderden als een onbeholpen dilettant die van het marxisme tittel noch jota had begrepen.
Oorzaak van deze rancune was uiteraard het feit dat de massieve gestalte van Vliegen hen vreselijk in de weg zat bij hun pogingen de SDAP een linkse koers te laten varen. Waar Troelstra nogal eens aarzelde en zwalkte lag voor Vliegen de koers vast. De partij diende elke mogelijkheid om verbeteringen voor de arbeidersklasse te realiseren met beide handen aan te grijpen. Dit zou haar uiteindelijk de electorale zege brengen, waarna het socialisme kon worden ingevoerd. Samen met Schaper werd Vliegen beschouwd als aartsreformist, als vertegenwoordiger van de uiterste rechtervleugel, als iemand die eigenlijk geen socialist meer was. Dit was ook een van de redenen waarom hij in 1925, bij het afscheid van Troelstra, werd gepasseerd als diens opvolger.
Hoewel hij de absolute top dus net niet bereikte, was zijn carriere binnen de SDAP in een woord schitterend. Even leek het mis te gaan. Namelijk toen hij in 1899 hals over kop naar Parijs moest vertrekken wegens een buitenechtelijke verhouding. De zo vooruitstrevende, zich moreel superieur achtende sociaal-democraten waren als de dood dat de partij erdoor in opspraak zou raken. Na enige tijd kon hij echter weer terugkeren en de draad weer opnemen. Tientallen jaren was hij partijvoorzitter, zat hij in talloze commissies en besturen, werkte hij als journalist, was hij lid van Tweede en Eerste Kamer, gemeenteraadslid en wethouder, en schreef hij tussen de bedrijven door boeken over de partijgeschiedenis die tot op heden absoluut onmisbaar zijn. 'Geluk’ betekende voor hem: iets tot stand brengen, iets maken dat gezien mocht worden.
ALS JOS PERRY in dit opzicht op Vliegen lijkt, dan heeft hij alle reden om zich met dit boek gelukkig te prijzen. Het lag niet in zijn bedoeling om de geschiedenis van de SDAP te schrijven. Hij wilde geen naslagwerk publiceren, maar een levendig, kleurrijk portret. Daarin is Perry volledig geslaagd. Vliegen komt uit dit boek naar voren als een mens van vlees en bloed, een man met ambities en overtuigingen. De ontwikkeling van zijn persoonlijkheid is in detail te volgen. Als je het boek uit hebt, denk je onwillekeurig: zo is ’t, zo moet Vliegen zijn geweest. Een hagiografie is het boek beslist niet, maar waar hij het met zijn 'held’ niet eens is, laat Perry hem wel in zijn waarde. Het opgeheven vingertje ontbreekt.
Wat dit levensechte portret zo boeiend maakt, is dat Perry er tevens in is geslaagd een perfecte achtergrond te schilderen. Een schilder kan zijn model nog zo nauwgezet portretteren, als de achtergrond vaal of troebel is wordt het schilderij nietszeggend, vlak en saai. De wijze waarop Perry het decor van Vliegens leven heeft weergegeven, geeft deze biografie een bijzondere kleur. Het katholieke, ingedommelde Zuid-Limburg van Vliegens jeugd, de nietsontziende kapitalistische expansie rond Luik, het roerige Amsterdam van de jaren tachtig, het clericale en antisocialistische Maastricht, het Parijs van rond de eeuwwisseling, de binnenwereld van de SDAP - dat alles is door Perry met trefzekere penseelstreken neergezet.
Ger Harmsen schrijft in zijn memoires, waar hij het heeft over de kring rond het in de late jaren zeventig verschijnende Jaarboek voor de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging in Nederland: 'Tegen het Nederlands dat Jos Perry schreef, konden wij geen van allen op.’ Als men weet dat er door deze historici, met uitzondering van Harmsen, vrij belazerd werd geschreven is dat geen al te groot compliment. Met deze biografie heeft Perry bewezen dat men die kring zeer ruim mag zien. Historische studies die in een zogenaamde 'literaire stijl’ zijn geschreven, zijn meestal zeer pretentieus en buitengewoon vervelend. De voorman is gewoon literatuur, en toevallig nog waar gebeurd ook.