Een matennaaier?

Moet George Orwell nu ook al op de zwarte lijst worden gezet, vergelijkbaar met de lijst die hij in 1949, via de geheimzinnige Celia Kirwan, in handen van het Information Research Department zou hebben gespeeld?

De lijst bevatte zesentachtig namen van collega- schrijvers/journalisten die in de ogen van Orwell als ‘crypto-communisten’ of 'fellow-travellers’ moesten worden beschouwd. Orwell als matennaaier. Wie het waren is ook heden nog een staatsgeheim. Men mag er zonder risico van uitgaan dat een man als Bernhard Shaw een der zesentachtig was, een man die met het stijgen der jaren steeds meer een politieke idioot werd, en bijvoorbeeld, terugkomend uit de hongerende Sovjetunie, beweerde dat hij daar 'voortreffelijk gegeten’ had. Orwell was alleen al daarom geen matennaaier, omdat Shaw c.s. zijn maten niet waren. Shaw was in Groot-Brittannie de salonbolsjevistische zetbaas van Josef Stalin. Orwell was daarentegen, als echte socialist, voor vrijheid en gerechtigheid. 'Dat zijn de woorden die als een klaroenstoot over de wereld moeten klinken.’
Hij stond op de linkse, radicale, humane en intellectuele vleugel van de Labourparty. Dus was hij tegen de, niet zelden te Oxford of Cambridge geschoolde nepsocialisten, die trouwens - zo is inmiddels gebleken - niet zelden op de loonlijst van de Russen stonden. Orwell haatte de soort. In zijn Road to Wigan Pier (1937) schreef hij: 'Wij hebben het stadium bereikt waarin het woord “socialisme” een beeld oproept van vegetariers met verlepte baarden, van bolsjevistische commissarissen (half gangster, half papegaai), van ernstige dames op sandalen, van harige marxisten die ingewikkelde woorden herkauwen, van fanatieke seksuele hervormers en van Labour-intriganten. Het woord “socialisme” smaakt, althans op dit eiland, niet langer naar revolutie en de omverwerping van tirannen; het smaakt naar excentriciteit en Rusland-verering.’
Bernard Crick, Orwells biograaf, weet wel wie er op die lijst met zesentachtig namen zijn vermeld. 'Sommigen waren plausibel, een paar waren er met de haren bijgesleept.’ Hij vond de zaak in 1980, het jaar waarin zijn boek verscheen, blijkbaar nog niet de moeite van het vermelden waard. Wie was trouwens die Celia Kirwan die de schrijver op zijn ziekbed de betreffende namen schijnt te hebben ontfutseld? Haar optreden (beeldschoon en intelligent) ademt de conspiratieve sfeer van het oeuvre van John le Carre. In werkelijkheid was zij al sinds december 1945, blijkt uit Cricks biografie, een huisvriendin, editorial assistant bij Polemics, het blad waar Orwell vier van zijn beste essays publiceerde. George Orwell en Celia Kirwan gingen vertrouwelijk en hartelijk met elkaar om (hij was graag met haar getrouwd, als hij niet zo ziek, oud en onvruchtbaar was geweest) en zij waren bovenal geestverwanten, met gemeenschappelijke vrienden en vijanden. Dit gegeven relativeert sterk het scandaleuze karakter van het gebeurde, waarbij het trouwens nog de vraag is of de stervenszieke Orwell heeft beseft wat het karakter van dat Information Research Department is geweest.
Hij was de grootste, veelzijdigste schrijver die de linkse beweging deze eeuw heeft voortgebracht, hij was een waarachtig visionair, en op zijn politieke standpunten is, deze kulonthullingen ten spijt, tot op heden geen syllabe af te dingen.