Een maximale springlading

‘Een tobbe vol rotte vis’ - in Nederland werden de Maximalen acht jaar geleden verguisd. Maar de tijd lijkt nu rijp voor een ware Maximalen-revival. Alleen de zaak-Scholte bederft de pret.
EEN SIDDERING ging door Ljoedmila Chodynskaja, dichteres te Moskou, toen ze kort geleden van een vriend enkele vertalingen kreeg van een haar volkomen onbekend gezelschap poeten uit de Lage Landen, de Maximalen genaamd. Met name de gedichten van Rene Huigen - in eigen land zo vaak gehoond - troffen haar diep. Daarna ontdekte ze het werk van Koos Dalstra, Pieter Boskma, Frank Starik, Arthur Lava, Bart Brey en de andere ‘Maximili’. Voor Ljoedmila was het een groot feest der herkenning. Haar eigen dichtersgroep DO-OS (een afkorting van Vrijwilllige Vereniging ter Bescherming van Libellen) was pas sinds 1989 verlost van de censuur, en in de ogen van Ljoedmila waren de Maximalen een zielsverwante onderneming.

‘Klank is belangrijker dan betekenis’, aldus Ljoedmila, en dat hebben naar haar smaak de DO-OS-dichters en de Maximalen met elkaar gemeen. Opper-Maximaal Koos Dalstra (artiestennaam Dalstar) toog in september 1993 in het kader van het Moskou Exchange-programma naar de Russische hoofdstad voor een serie performances en onmoette daar dichter Dimitri Prigov, in Nederland al bekend van een optreden op Poetry International. Inmiddels zijn de DO-OS-dichters (naast Chodynskaja zijn dat Jelena Katsjoeba en Konstantin Kedrov) ook in het Nederlands vertaald. Ljoedmila achtte het de hoogste tijd voor een bezoek aan het stamland der Maximalen.
De Maximalen reageerden stomverbaasd toen ze eerder deze maand opeens werden geconfronteerd met een artistieke liefdesverklaring van de op poeticale bedevaart naar Amsterdam getogen dichteres. Besloten werd tot een gezamenlijk optreden. En zo kwam het afgelopen maandag in het Amsterdamse hotel Winston aan de Warmoesstraat toch nog tot een reunie der Maximalen, tot voor kort de meest verguisde Nederlandse dichtersgroep aller tijden en nog steeds zuchtend onder de loodzware last van de affaire-Scholte.
'ALS ER EEN kunstuiting bestaat die ons tegenwoordig als een geeuwend nijlpaard doet vastkoeken aan de oevers der verveling, dan is het wel de poezie’, zo luidde de eerste regel in het voorwoord van Maximaal!, de in 1988 verschenen poeziebundel van de 'Maximalistische dichters’ Dalstar, Joost Zwagerman, Rene Stoute, Arthur Lava, Frank Starik, Rene Huigen, Tom Lanoye, Pieter Boskma, Johan Joos, K. Michel en Bart Brey. Het maximalisme stond voor een revolutie in het land der letteren. Met name 'hermetische’ dichters als Gerrit Kouwenaar, Wiel Kusters, Peter Nijmeijer en Bernlef moesten het ontgelden in de overdonderende mediacampagne waarmee de Maximalen ten strijde trokken ten bate van hun 'poezie met de klauwhamer’.
In zijn retrospectieve essay 'Maximale jaren’, opgenomen in de bundel Collega’s van God (1993), riep Joost Zwagerman nog eens in herinnering hoe saai de poezie was waartegen de Maximalen zich afzetten. 'Een soort poezie die slechts in schijn modern was maar die in werkelijkheid bestond uit voortsukkelende, zouteloze neo- biedermeierpoezie, waarin uitentreuren werd gerept van stilte, steen, wit en sneeuw, zonder enig afleesbare noodzaak en met een minimum aan harteklop en eigenheid. Lyriek, provocatie en muzikaliteit was weer iets geworden voor de zonderling, de perifere eenling wiens poezie nog maar nauwelijks aan bod kwam door de onstuitbare aanwas van het epigonengilde dat met zijn hyperbekwame maar gortdroge hermetische of autonomistische poezie de vaderlandse dichtkunst het aanzicht had gegeven van een in potsierlijke mummelarij verzonken levend lijk.’
De term 'Maximaal’ stamde uit de koker van Dalstar, een gewezen criminoloog uit Sneek die in de jaren tachtig veel bekijks trok met uiterst theatraal vormgegeven poezie-performances. 'Te veel is niet genoeg’, zo luidde het motto dat Dalstar aan het maximalisme meegaf. De maximalistische dichters moesten de voorhoede zijn van een tot dan toe nagenoeg onzichtbaar gebleven generatie. De hermetische dichters, terend op hun 'uitgesleten natuursymboliek en steriele rollenspel’, dienden als uitgerangeerde monarchen te worden afgezet. 'De hermetici zijn geen goede vaders geweest’, aldus Dalstar, de aartshertog van het maximalisme. 'Ze hebben altijd maar gezellig naar hun tuintje zitten staren, niets gedaan voor het nageslacht, geen geld op de bank gezet voor hun zonen. Dus ik zou zeggen: naar de guillotine ermee, kop eraf.’
Arthur Lava (pseudoniem van Howard Krol) lanceerde het maximale offensief in het literaire blad De Held: 'De poezie heeft te kampen met een chronisch gebrek aan bravoure en flamboyantie. Spontaan schedelklievende absurditeit is uit den boze. Men durft geen mestkevers omhoog te laten kruipen langs de behaarde benen van het publiek. Men is liever ingetogen dan roekeloos. Men speelt liever domino dan Russische roulette.’
Het maximalisme werd een lofzang op het fin-de-sie`cle-gevoel. De hallucinerende werking van nieuwe drugs als XTC werd nadrukkelijk in verband gebracht met het hernieuwde poetische elan. De Maximalen bedienden zich van 'de taal van de junkies en de yuppies, van de pomo’s en de romantici’ en paarden de snelheid van de pop aan de brutaliteit van de krakers. Tal van jonge beeldend kunstenaars, fotografen en filmers verklaarden zich solidair met de nieuwe beweging. Fotografen als Paul Blanca en Gerard van der Kaap waren nadrukkelijk maximalistisch in hun jacht op hevige, aan het warholiaanse levensgevoel appellerende beelden.
In de schilderkunst waren het de Nieuwe Wilden van Peter Klashorst en de gebroeders Domburg die een strategische liaison met de Maximalen aangingen. Ook Rob Scholte werd beschouwd als een voorstander van de nieuwe wind. Een anoniem gebleven gezelschap kunstenaars wierp dat jaar bij wijze van symbolisch protest een klauwhamer - het maximale instrument bij uitstek - door de ruit van Wim Beerens Stedelijk Museum en pleegde even later onder hetzelfde artistieke motto nog een inbraak in de kunsttempel.
De Maximalen - geheel bevolkt door dichters van mannelijke kunne - kregen ook al snel een vrouwelijke tegenhanger, 'De Nieuwe Wilden’, een gezelschap dichteressen onder leiding van gewezen rock- persdiva Elly de Waard.
MAAR WEERSTANDEN waren er ook. En hoe. Zelfs Simon Vinkenoog, ooit frontman van de Vijftigers, aan wier nagedachtenis de Maximalen zich regelmatig schurkten, bleek geen goed woord voor de nieuwe rebellen over te hebben. Hij stelde dat de Maximalen eerst maar een tijdje in de haven moesten gaan werken en naar de hoeren moesten gaan eer ze hun grenzeloze ambities van 'groots en meeslepend leven’ echt konden vervullen. De Maximalen werden in de kritiek afgeslacht als halve analfabeten, schreeuwers, blagen, seksisten en padvinders. In Het Parool omschreef Theodor Holman de verzen in Maximaal! als 'een kuil met dikke plakken woordpoep’. Trouw sprak misprijzend over de 'geschifte beeldspraak’ en in de Leeuwarder Courant was het coming man Michael Zeeman die de maximale poezie omschreef als 'een tob be vol rotte vis’. Bij wijze van vergelding kreeg de recensent tijdens het bijwonen van een Maximalen-optreden een emmer met die inhoud over zich uitgestort. Dat statement haalde alle kranten. Toen Remco Campert zich in smalende bewoordingen uitliet over de club, greep Arthur Lava gelijk naar de pen: 'Er komen nieuwe dichters/ En deze dichters Remco/ komen glaszetten/ in de dichtgemetselde onderonsjes/ op de ambassades van de poezie Remco/ en wie weet/ laten ze een springlading achter/ op de stoep.’
HET 'FEEST DER Maximalen’ was geen lang leven beschoren. Reeds jaar daarop kwam de klad in de beweging. Interne ruzies zorgden voor de totale desintegratie van het nieuwe politbureau der poezie. De normaal zo serene Joost Zwagerman deelde tijdens een gezamenlijke maaltijd volkomen tegen zijn gewoonte een klap uit aan Rene Huigen, volgens ingewijden omdat Huigen het had gewaagd het maximalisme een soort fascistische energie toe te dichten. Met het uitkomen van Zwagermans roman Gimmick!, datzelfde jaar, explodeerde de beweging definitief.
Zwagerman was de eerste Maximaal die een geslaagde gooi deed naar het grote publiek. Het in maximalistisch tempo geschreven verslag van het Amsterdamse kunstenaarsklimaat van de jaren tachtig, rijkelijk gestoffeerd met coke-feesten in het decadente discowezen, werd een onverbiddelijke bestseller, maar de mensen die zich in de personages van deze sleutelroman herkenden - Koos Dalstra en Rob Scholte voorop - beschouwden het uiteindelijk toch als verraad, een parasitair inkijkje in hun prive- universum. Het 'mangrovebos van het maximalisme’ bleek uiteindelijk toch een te krap reservaat van allengs gegroeide ego’s. De Maximalen gingen ieder hun weg.
Postuum kwam er nog eerherstel voor de beweging. In literair opzicht komt die rehabilitatie op het conto van Gerrit Komrij, die tot veler verbazing de maximale poezie een fors aandeel gaf in zijn superbloemlezing De Nederlandse poezie van de twaalfde tot de twintigste eeuw in drieduizend en enige gedichten. De veelgeplaagde Rene Huigen, door Michael Zeeman schriftelijk gemolesteerd als een 'dichtende puistekop’, kreeg in Komrijs poetische canon zelfs een plaats op de eretribune. Ook Dalstar kreeg alsnog de verschuldigde eer.
Maar ook langs niet-poetische weg zijn de Maximalen weer volop in de belangstelling gekomen. De bomaanslag op Rob Scholte en zijn vrouw Micky, op 24 november 1994 in de Amsterdamse Jordaan, heeft gezorgd voor een apocalyptisch vervolg op de tijd die Zwagerman in Gimmick! had beschreven. Scholte, nog altijd verwoed op zoek naar de dader, koestert ernstige verdenkingen tegen zijn vrienden uit de jaren tachtig. Zowel Paul Blanca als Koos Dalstra worden door hem genoemd als eventuele medeplichtigen in wat Scholte zelf omschrijft als een aanslag die voortkomt uit het streven naar een performance van 'taboeloze kunst’. Scholte is begonnen aan een campagne tegen 'de totale pervertering van de Amsterdamse kunstscene’, en schuwt geen middel in zijn langs publicitaire weg uitgevochten strijd.
Dalstra, die direct na de aanslag samen met Scholte een onderzoeksrapport over de motieven van de terreurdaad schreef, toonde zich zeer verbitterd over de beschuldigingen van zijn jarenlange boezemvriend. In het Haarlems Dagblad liet hij zich afgelopen zaterdag in scherpe bewoordingen uit over Scholte, die zich volgens hem zou gedragen als 'een oorlogsinvalide die in een mijnenveld terecht is gekomen en nu moet ophouden met het beschuldigen van zijn omgeving’. Volgens Dalstra is Scholte in het kader van zijn onderzoekingen uit op een totale doorlichting van de Amsterdamse scene: 'Wat Scholte wil is een systematisch onderzoek van de subcultuur en dat veronderstelt een totalitaire staat die iedereen in een strafkamp stopt. Maar zo werkt de Nederlandse politie niet.’
Zo is het avontuur der Maximalen ontaardt in een obscure whodunnit, vol mogelijke komplotten en geheime listen. De zaak-Scholte schreeuwt als het ware om een vervolg op Gimmick! Natasha Gerson gebruikte de zaak al in haar debuutroman Plaatstaal, maar dat is toch vooral een blik van buitenaf. Naar verluidt zijn Joost Zwagerman en ook Scholtes vriend Martin Bril bezig aan een boek waarin de aanslag een belangrijke plaats zal krijgen. In de roman van Bril, het binnenkort bij Prometheus te verschijnen Het eeuwige licht, wordt de aanslag op Scholte volgens de aanbiedingsfolder zelfs als een keerpunt gepresenteerd in het denken van de verteller. Ook Scholte zelf overweegt een boek te schrijven, zo laat hij vanuit Tenerife weten. Het maximale credo 'te veel = niet genoeg’ wordt zo in ieder geval nageleefd.
DE ZAAK-SCHOLTE heeft een schaduw over de Maximalen geworpen. Het is dan ook maar zeer de vraag of het gezelschap ooit nog bij elkaar zou zijn gekomen als hun Russische superfan Ljoedmila Chodynskaja niet de tocht naar Amsterdam had aanvaard. En dan nog hebben heel wat Maximalen het laten afweten. Uiteindelijk staan alleen Bart Brey, Dalstar, Arthur Lava en Frank Starik op de planken, devoot aangestaard door hun Russische bewonderaarster.
Dalstar wekt geen moment de indruk dat hij lijdt onder de beschuldigingen van zijn vriend. Zijn optreden is energiek en overtuigend en na afloop praat hij vrijuit over Scholtes beschuldigingen, die hij als een afleidingsmanoeuvre beschouwt. Collega- Maximaal Arthur Lava, een tijd lang vrijwillig in poeticale ballingschap verwijld en tegenwoordig werkzaam als tekstschrijver, wil er ook wel iets over kwijt: 'Koos en Rob zijn allebei meesters in het bedenken van komplottheorieen, ik ben bang dat dit spel nog wel een tijdje doorgaat.’
Aan het einde van de drukbezochte avond zint Bart Brey samen met zijn band Da Melomanen een lied dat zo als soundtrack voor Gimmick II zou kunnen fungeren. Even triest als zijn harmonium klinkt het refrein: 'Ik ben mijn vleugels moe.’ Ljoedmila Chodynskaja kan het niets schelen. Verrukt poseert ze aan het slot van de bijeenkomst met haar Maximalen voor een foto om thuis te laten zien. Moskou goes Maximaal, Amsterdam heeft het wel gehad.