Mariss Jansons nieuwe chef Concertgebouworkest

Een meester zonder glamour

Deze week debuteert de 61-jarige Let Mariss Jansons als chef van het Concertgebouworkest. Wie is hij en wat wordt zijn bijdrage aan de repertoiregeschiedenis en uitvoeringspraktijk van het gelouterde symfonieorkest?

De benoeming van Mariss Jansons tot chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest roept naast oprechte blijdschap vreemde misverstanden op. Je zou verwachten dat de komst van een gelouterde 61-jarige meer rust aan het front brengt dan het orkest gewend was van de hyperambitieuze Riccardo Chailly, die na achttien jaar zijn chefschap opgaf voor een aanstelling in Leipzig. Chailly was de kosmopoliet die in alle repertoiresegmenten – van opera tot avant-garde – een vermoeiende profileringsdrang aan de dag legde en bij wie de opnameteams van zijn platenmaatschappij Decca kind aan huis waren. Jansons is meer het slag van een familieopperhoofd.

Vriendelijke, vaderlijke uitstraling. Groot vakman. Oppassend ook. Beschaafd en menselijk. En een heer, die bij zijn vertrek als chef honderdduizend dollar doneerde aan het armlastige Pittsburgh Symphony, onder de voorwaarde dat ook andere draagkrachtige orkestsympathisanten dat zouden doen. Geen ster; een meester zonder glamour.

Voor een deel is die indruk schijn. De Let Jansons is wel een man met het hoogglanzende cv van iemand die bij ons op tijd zijn ridder orde krijgt. Alleen: zijn glamour is de glamour van de daad, niet die van klatergoud en Saint-Tropez. Na zijn studententijd in Leningrad, Wenen en Salzburg wordt hij, de zoon van de bekende dirigent Arvid, bij de Filharmonie van Leningrad de sidekick van de legendarische Jevgeni Mravinski. Dan is er prachtig eerbaar opbouwwerk in Oslo, waar hij als eerste man een provinciaal orkest tot EMI-elite drilt. Daarna de oogsttijd: hoogste baas in Pittsburgh, reizen op niveau. In zijn orkestenbio’s gaat hij ferm over de tong als een van de geliefdste gastdirigenten ter wereld. Zijn prijzenkast is overvol: Boston Symphony, Wiener Philharmoniker, New York Philharmonic, Berliner Philharmoniker, Londen Symphony, The Philharmonia. En kijk eens: op papier is dit wel degelijk de hongerige jetsetcarrière die je eerder een Chailly zou toeschrijven. Waarmee het beeld van een bezadigde, honkvaste muzikantenherbergier aan duigen is.

Daar staat weer iets belangrijks tegenover: hij is geen Chailly. Bij alle glans is Jansons een orkestman van de oude stempel. In hem geen hang naar buitenissig repertoire of ambitieuze operaprojecten, naar wilde nieuwe visies op een Mahler of een Bruckner. Evenmin bezit hij, anders dan Chailly, dat aureool van voeling met de polsslag van de tijd: grote belangstelling voor hedendaagse muziek is hem vreemd. Nog een belangrijk verschil is dat Jansons, ondanks een uitgebreide discografie, sinds zijn vertrek bij EMI niet meer kan bogen op een platen contract, wat zakelijk gezien zijn actie radius beperkt en minder stoer staat dan de exclusieve verbintenis die zijn collega Rattle met dat label heeft. Bovendien heeft hij al laten weten gastdirigentschappen vanaf dit jaar te willen beperken tot de Berliner en de Wiener Philharmoniker. Sinds hij in 1996 tegen de vlakte sloeg tijdens een uitvoering van La Bohème is Jansons ook hartpatiënt, waardoor de jetlags zwaarder zijn gaan wegen.

Zo kom je snel op het bekoorlijke scenario van een strategisch genereuze veteraan die op de drempel van zijn oude dag deels door omstandigheden een stap terug doet met een nobel doel: zijn kennis en ervaring te vermaken aan de gelijkgezinden in het Amsterdamse, die hij daarmee prachtig kan belonen voor hun langdurige vertrouwen in zijn werken. Hij heeft hier vele prachtige concerten gedirigeerd: de grote slagen zijn gewonnen, en hij wil het niemand moeilijk maken. Op zijn menu, tot vreugde van de strijkers en het koper, alleen de Stroganoffs, garnalencocktails en de slagroomsorbets van het repertoire: goud van oud. Zo kan hij comfortabel oogsten wat hij heeft gezaaid, tot weer iets dertigjarigs met een aura van spektakel het Concertgebouworkest komt inzetten als taxi voor de grote vlucht naar voren, want actie is reactie.

Als die sfeerschets ook maar enigszins steekhoudend blijkt, dan is de nieuwe oudgediende én de pensionado die voor zichzelf het aangename met het nuttige verenigt, én de tussenpaus die het orkest in de gelegenheid stelt ruimhartig uit te kijken naar iets jongers met een wenkend perspectief van nieuwe tijden, nieuwe zeden. Zo zou het best eens kunnen gaan, al is goed denkbaar dat hij langer blijft dan de gemaakte afspraken nu suggereren. Aan oude meesters geen gebrek, aan hoogbegaafde jonge krachten des te meer. Echt goede waar is in de sector zeldzaam en dus duur, en wereldwijd begeerd. Dan maar op zeker spelen. Mag het eens?

Niettemin zou het een ernstige vergissing zijn te denken dat het KCO onder de eerste senior in zijn geschiedenis – want al zijn voorgangers begonnen jong – voor onbepaalde tijd in rustig vaarwater belandt. De cijfers liegen niet. Chailly stond in zijn laatste jaren bij het KCO veel vaker voor het orkest dan Jansons in zijn eerste seizoen, dat zaterdag begint met uitvoeringen van Honeggers Symphonie Liturgique en Strauss’ symfonische gedicht Ein Heldenleben. De zestien weken per seizoen waarvoor Chailly getekend had, werden er in de praktijk soms 22. Het driejarige contract voor Jansons stipuleert een aanwezigheid van twaalf weken per seizoen, inclusief tournees (en wie weet exclusief de operaprojecten waarover nog geen afspraken zijn gemaakt, maar waarop het orkest vurig hoopt). Gerekend naar de duur van zijn aanwezigheid was Chailly meer het type van de ouderwetse rentmeester dan Jansons.

In de tweede plaats heeft de komst van Jansons de internationale belangstelling voor de dirigent bepaald niet doen verflauwen, zodat het KCO het komende seizoen onder zijn leiding op zal treden in Luzern, Londen, Tokio en Nagoya. Hoe dat met die jetlags moet is uiteraard aan hem. Maar daarnaast is Jansons ook nog chef bij het befaamde radio-orkest van München, eveneens voor twaalf weken per seizoen. Al is het combineren van chefschappen in de muziek wereld niets ongewoons en klinkt zijn argument dat hij met zijn beperkte aanwezigheid routine wil voorkomen heel plausibel, het geeft wel aan dat Jansons Amsterdam niet als zijn muzikale hoofdkantoor beschouwt. Deze senior komt niet om op zijn lauweren te rusten.

Intussen is de vraag wat deze dirigent voor het Concertgebouworkest gaat betekenen. Wat wordt zijn bijdrage aan de repertoiregeschiedenis en de uitvoeringspraktijk van het KCO? Deze vragen zijn niet gemakkelijk te beantwoorden: de duur en het effect van zijn aanwezigheid staan in de sterren geschreven.

Maar dat Jansons voor Amsterdam als musicus belangrijk is staat buiten kijf. Hij is een buitengewone orkestleider met een breed repertoire. Amsterdamse hoekstenen als Mahler en Bruckner of de Weense klassieken zijn in zijn portefeuille minder sterk vertegenwoordigd dan de Russen, Strauss en Dvorák. Maar als vertolker beschikt hij over eigenschappen die overal, en misschien meer dan elders in de stad van het Concertgebouw, goed vallen. Hij is geen wildebras, geen stokebrand, geen buitenbeen. De voortvarendheid, doorzichtigheid en dynamiek van zijn vertolkingen zijn op zijn beste dagen imposant, al maken ze van hem geen Carlos Kleiber, Reiner, Celibidache, Szell of Toscanini. Maar Jansons heeft de vaardigheid het volle leven uit te spelen zonder de grenzen van het oorbare te overschrijden. Een groot dirigent is hij zonder meer; een gevaarlijke dirigent is hij niet. Zijn kwaliteiten zijn de adjectieven uit de kranten: het spel onder zijn leiding is beheerst, klaarhelder, messcherp, vitaal, stevig.

Hoe frenetiek hij Sjostakovitsj’ Zevende symfonie ook kan laten vlammen, een slachting wordt het niet. Zijn visie op de Zevende symfonie van Mahler, die hij jaren terug bij het KCO dirigeerde, werd onthaald op kwalificaties als opgelucht en zorgeloos. Wagners Tristan-voorspel klinkt onder zijn leiding onberispelijk, maar niet vervoerend. Jansons is de optimale dirigent voor Dvorák, componist bij wie verdriet begrensd wordt door de marges van het melancholische.

Hoor hoe verfijnd hij in de eerste suite uit Prokofjevs Romeo en Julia, vastgelegd door EMI, de Volksdans tot Kondrasjin-achtige geslepenheid polijst. Niets van het hectische, grofstoffelijke van een Temirkanov of een Gergiev. Merk verder op dat hier geen geboren operadirigent op het rostrum staat, dat is nog braakliggend terrein op zijn domein: de orkestbehandeling is eerder symfonisch dan karakteriserend in de dramaturgische zin des woords. Ook op andere cd’s treft zijn beredeneerde stroomlijning van het ontregelde en het zwartgallige, soms tot de angel is verwijderd uit het zieke lijf dat drama heet. Jansons’ uitvoering van Wagners Rienzi-ouverture is voortreffelijk, maar zonder de uitgebeende ritmiek van Toscanini of de bloeddoorlopen zaagkracht van Leopold Stokovski. Ook onder hoge druk ontvouwt zich een geluid van beschaafde, monumentale breedte, dat met krachtig uitgedragen levenswil de diepste dalen effent. De nieuwe chef is niet luchthartig, niet oppervlakkig, niet het spelerstype. Maar hij dirigeert ter wille van het leven, niet van de dood.

Wie zijn cd’s beluistert kan maar één conclusie trekken: het is niet vreemd dat de musici van het Concertgebouworkest in meerderheid juist hem tot hoofd van de familie promoveerden. Hij past als interpreet voortreffelijk bij een ensemble dat volgens Bernard Haitink graag van wal steekt met «de helderheid van Vermeer». Dat in de juiste handen orde schept en licht laat schijnen in het donker. Dat niet walmt als een mestvaalt, niet vergaat in de roes. Niet op gezette tijden beestachtig de boel de boel laat als de Wiener, of in de geest van de Berliner Philharmoniker het strijkerskorps laat gonzen als een wereldmacht. Op dat groepstemperament – want het is meer een kwestie van sociale inslag dan van klankcultuur – is Mariss Jansons afgekomen: een Goethe, geen Büchner. Hij is bij het Concertgebouworkest traditie; de laatste redeloze excentriek bij dit orkest was Mengelberg, en dat is niet goed afgelopen. Voor Jansons is het KCO vanuit dat perspectief bezien de ideale bruid. Minder omstreden en minder discutabel kan een benoeming moeilijk zijn.

Wat gaat hij doen? Hij heeft het in de kranten zelf gezegd: geen wilde dingen. In NRC Handelsblad: «Ik wil een zeer breed repertoire dirigeren, dat is de taak van een chef. En dus óók eigentijdse muziek, en óók Mozart en Haydn. Maar een revolutie zal ik niet ontketenen.» Die uitspraak maakt van koffiedik een open boek. Jansons zal zijn Mahler-dieet intensiveren, zich verstaan met Bruckner, die hem «heilig» is. Hij zal zich mogelijk ontfermen over Nederlandse componisten die van hun gehechtheid aan traditie geen geheim plegen te maken. Hij zal als bijna-Rus meer Russen dirigeren, en daarin beter slagen dan zijn voorganger. Hij zal voortgaan op het Sjostakovitsj-pad dat voor hem Haitink met succes was ingeslagen, waardoor ook die traditie een vervolg kan krijgen. Hij zal willen bewijzen dat hij substantiële dingen heeft te zeggen over Haydn, Beethoven en Mozart. Kortom, hij zal de museale component van dit orkest versterken. En misschien is dat goed. Voor ander repertoire zijn er immers ook de anderen, al zou het spijtig zijn wanneer de repertoirecanon volledig door de baas wordt opgeëist. Maar de kans dat dat gebeurt is met die twaalf weken per seizoen niet buitensporig groot, en Jansons lijkt er met zijn minzame natuur ook niet de man naar.

Een ander vraagstuk is de conservering van de internationale status die het KCO dankzij een rijk verleden en een hoog gemiddeld spelpeil heeft veroverd. Uiteraard is er maar één manier om dat prestige te behouden: laat de musici ook in de toekomst op internationaal niveau spelen. De taak is Jansons toevertrouwd. Maar kwaliteiten moeten naar het standpunt van orkestbesturen worden uitgedragen, ook buiten de vier muren van het huis. Dat kan op twee manieren: met tournees, en met cd-opnamen. Internationale podia genoeg, dat bleek. Cd’s zullen er ook wel komen. Niet bij een grote platenmaatschappij, wel onder eigen vlag op het huislabel KCO-Live, dat deze week in het Concertgebouw zijn officiële vuurdoop krijgt. De kansen liggen er, al nemen ze bedenkingen over de inzet van de troefkaarten niet weg.

Eerst de tournees. Allereerst dit: de reislust van orkesten is begrijpelijk. Geen kunstenaar die niet graag van de daken schreeuwt hoe goed hij is. Dan wil je in de Royal Albert Hall en in de winkel op cd, zoals je van je huwelijk graag een mooie fotoreportage hebt: een mijlpaal wil de eeuwigheid. «Er is toch grote kans dat in Apeldoorn of Arnhem of Toulouse tussen de Mahlers en de Bruckners in de schappen iets van ons ligt», zeggen ze dan bij het KCO. En niet geschoten, altijd mis. Maar wat leveren cd’s werkelijk op, behalve aanzien? Wat leveren tournees werkelijk op, behalve aanzien?

Wie bij het KCO vraagt naar de functie van cd’s voor een beroemd orkest krijgt als antwoord dat geluidsopnamen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de internationale zichtbaarheid voor een ensemble dat nog altijd geacht wordt te behoren tot de wereldtop. Voor adjunct-directeur Sjoerd van den Berg van het KCO is de promotionele rol van geluidsdragers ondanks de deplorabele situatie op de cd-markt «even belangrijk als vroeger». Naast tournees is de cd, zegt hij, hét middel om «het niveau van het Concertgebouworkest in het buitenland te onderstrepen». De kassa zal er niet van jubelen, indachtig de memorabele uitspraak die een EMI-marketeer jaren geleden in de Volkskrant deed: «Jansons is een fantastische dirigent. Maar helaas, Jansons verkoopt voor geen meter. Dat is de ervaring. Niets aan te doen.»

«Veel geld verdienen doen we er inderdaad niet mee», bevestigt Van den Berg. Wat vroeger anders was, toen in de gouden tijd voor de cd-verkoop de musici, die per opnamesessie werden betaald, een paar duizend gulden per jaar aan extra inkomsten toucheerden. Maar dat die emolumenten nu zijn weggevallen is vanuit strategisch oogpunt bijzaak.

Ook op tournee zoekt het Koninklijk Concertgebouworkest de confrontatie met de internationale concurrentie. Ook hier is binnenlopen niet het hoogste goed, zegt Van den Berg. «We krijgen ook geen extra subsidie meer voor tournees, zoals vroeger. Onze tournees leveren niet altijd geld op, maar van een winstgevende tournee naar Japan kunnen we wel een optreden in New York betalen. En je moet niet vergeten dat het ook voor de musici zelf een uitdaging is. Het is voor een orkest leuk in Carnegie Hall te spelen. Het was niet voor niets Jaap van Zwedens grootste droom daar met het Orkest van het Oosten te staan, ik bedoel maar.»

Zo is het. Toch heeft het pr-verhaal frappante keerzijden. Jansons’ vorige orkest, het Pittsburgh Symphony, moest eerder een voor dit jaar geplande Europa-tournee annuleren. Oorzaak: geldgebrek. Maar wat gebeurt er als een Jansons met zijn eigen korps wel Amsterdam haalt, zoals april vorig jaar nog gebeurde? Dan speelt het Pittsburgh Symphony de Tiende symfonie van Sjostakovitsj in de Jansons-modus, niet op de manier die dat orkest uit duizenden herkenbaar maakt, want dat ís het niet.

Een van de interessantste aspecten aan de tourneemachinerie lijkt, met alle respect voor de geleverde inspanningen, hun mateloze omslachtigheid. Je hoort wel spreken over de specifieke klankcultuur van grote symfonie orkesten. Daar is zeker iets van aan, het was in dit betoog al eerder aan de orde. Speeltradities, scholen en cultuurpatronen maken een verschil. Maar die verschillen worden kleiner, en ze staan of vallen meer en meer met de man op de bok. Grote dirigenten hebben het unieke vermogen hun klankidealen op te leggen aan welk orkest waar ook ter wereld. Het Boston Symphony onder Bernard Haitink klinkt naar Haitink, de Wiener Philharmoniker met Harnoncourt naar Harnoncourt.

Als dat zo is, waarom zouden topdirigenten dan per se hun eigen pelotons op sleeptouw moeten nemen? Ze treden overal ter wereld op, maar in de eerste en de laatste plaats namens zichzelf. Het is moeilijk voor te stellen dat het Amsterdamse publiek het afgelopen jaar voor Pittsburgh kwam; het kwam voor Jansons. En het kreeg hem, met Sjostakovitsj in zijn geest. Misschien moest het Concertgebouworkest gewoon wat vaker thuisblijven, en moet het internationaal verkeer in toporkestenland worden besnoeid tot dirigentenjumelage. Af en toe ruilt Jansons met zijn collega in New York: heeft New York de Amsterdamse Beethoven en wij Maazels Tsjaikovski uit de States. Op de globalisering van de muziekcultuur is maar één nuchter antwoord: terug naar af met een provincialisme van statuur. Het is tijd voor een nieuw poldermodel. Zoals Jan Zekveld, destijds artistiek directeur van het KCO, het in 1996 verwoordde: «In mijn optiek heeft het Amsterdamse podium toch de allerhoogste prioriteit. Daar ligt de eerste verantwoordelijkheid, want het orkest wordt gedragen door de Nederlandse gemeenschap.»

Kan de pensionado Jansons eindelijk fatsoenlijk komen overwinteren, en kan er in de toekomst bij De Nederlandse Opera nog eens een Tristan van hem af of een Bohème, ditmaal met happy end voor de kapelmeester. Een chef is een chef, en wie weet wat theater aan muziekvermogens in hem wakker schudt.