Een meesterwerk herontdekt

Oostenrijkse infanteristen van de kaiserlich-königliche Landwehr worden aan het oostfront aangevallen door Russische soldaten. 1915 © Hulton Archives /Getty Images

Iedere lezer, ook iedere veellezer, heeft wel een lijst met gecanoniseerde boeken die hij ‘kent’ maar nooit gelezen heeft. Over omvang en samenstelling van die lijst bewaart hij doorgaans discreet het stilzwijgen. Dat hij nog ooit op een onbekend boek van bijna een eeuw oud zou stuiten dat met terugwerkende kracht als de bliksem aan die canon zou moeten worden toegevoegd, nee, dat lijkt hem uitgesloten. Maar nu is dat, wat mij betreft, toch het geval.

Ik heb het over de Pool Józef Wittlin (1896-1976). Het boek in kwestie: Het zout der aarde, het eerste deel van een nooit voltooide romantrilogie. Volstrekt onbekend was het boek overigens niet: in 1937, twee jaar na het Poolse origineel, bracht exil-uitgever Allert de Lange in Amsterdam al een Nederlandse vertaling uit, maar die was, ook antiquarisch, al heel lang nergens meer te krijgen en leek in geen enkel literair geheugen sporen te hebben nagelaten. De gelukkige herontdekking dankt de Nederlandse lezer aan Madeleine Rietra, vicevoorzitter van het Internationale Joseph Roth Gesellschaft in Wenen. Roth en Wittlin waren boezemvrienden. Bij haar onderzoek naar die vriendschap stuitte Rietra op Het zout der aarde, waarvan Wereldbibliotheek nu een nieuwe, kraakheldere en ondanks de afstand in de tijd zeer eigentijds klinkende vertaling uitbrengt.

De aan de bijbel refererende titel doet misschien wat belegen aan, maar dat is het boek in geen enkel opzicht. Het kan zich meten met het sprankelendste proza van Roth, van wie Wittlin trouwens het nodige vertaalde. Anderzijds schreef Roth een voorwoord bij de Duitse editie van deze roman. Vanwege zijn superieure ironie moest ik ook vaak aan Robert Musil denken, met dit verschil dat Het zout der aarde anders dan De man zonder eigenschappen niet in hopeloze oever- en vormloosheid verzandt, maar juist met zachte regisseurshand fijnzinnig bijeengehouden wordt. Nog een overeenkomst: beide boeken spelen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog en documenteren de ondergang van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, de een in het hart daarvan, Wenen, de ander in een afgelegen, fictief dorp op het verre Hoetsoelse platteland (die naam is niet fictief), zoals al het platteland een ‘eeuwig reservoir van soldatenvolk, een onuitputtelijke bron van lichaamskracht’.

Voeg dit boek meteen toe aan de lijst grote Midden-Europese romans

Wittlins hoofdpersoon is de tegenpool van de stedelijke, altijd talmende intellectueel van Musil. Zijn naam, Piotr Niewiadomski, zegt het al: Niewiadomski betekent ‘onbekend’, hij belichaamt de onbekende soldaat uit de Eerste Wereldoorlog. Piotr is een eenvoudige, analfabete kruier, later baanwachter op een stationnetje waarlangs hij de treinen vol optimistische manschappen op weg naar het oostfront ziet razen. De verteller weet wat hen te wachten staat: de wagons zijn ‘als enorme ijzeren conservenblikken gevuld met mensenvlees waar het bloed nog niet is uitgelekt’. Maar Piotr heeft geen benul van wat hem overkomt. Zijn geloof in keizer Franz Joseph, met wiens seniele portret Wittlin in het openingshoofdstuk al meteen een onovertroffen staaltje satirisch vernuft ten beste geeft, is ongeschokt; sterker, Piotr gloeit van trots als hij een dienstoproep krijgt.

‘Want die zwarte, petieterige, dode lettertjes zijn de uiteinden van onzichtbare draadjes die als telegraafdraden vanuit Wenen lopen, van de keizer zelf. (…) Dus de keizer weet van mij af? Hij weet dat in de gemeente Topory-Czrnielica (…) kruier Piotr Niewiadomski (…) woont en Hem al vele jaren trouw dient. Dus de keizer kent mij? Hij heeft me nodig en daarom schrijft hij: de heer? De heer Piotr Niewiadomski (…) En Piotr zag de keizer in Wenen in zijn kanselarij aan een grote tafel zitten en brieven schrijven aan alle Hoetsoelen. Aan de heren Hoetsoelen.’

Het zout der aarde werd van meet af aan als een anti-oorlogsboek beschouwd. Niet ten onrechte, maar van veldslagen, van loopgraven, mosterdgas of bombardementen is geen sprake, en evenmin van geopolitieke of militair-strategische overwegingen. Hier gaat het om een vaak ondergewaardeerd hoofdstuk, de oorlogsvoorbereiding, niet die in de commandocentra van de generaals of de wapenfabrieken van Krupp, maar in de kazernes van het immense, verbrokkelde rijk waar slome, simpele, ongedisciplineerde boerenzonen, herders, mijnwerkers en kooplieden van allerlei nationaliteiten en christelijke en joodse denominaties moeten worden omgesmeed tot een blind gehoorzamend, hecht collectief. Al het persoonlijke en individuele moeten ze leren verafschuwen, het geloof in de Keizer moet hen verenigen in één gemeenschappelijke universele Kerk. Wittlin laat met literaire middelen zien wat in de kritische filosofie niet veel later de vorming van het autoritaire karakter werd genoemd.

Daartoe volgt hij Piotr gedurende een maand, vanaf de dag waarop Franz Joseph Servië de oorlog verklaart, totdat hij ergens in Hongarije is klaargestoomd voor het front, de vuurdoop, en dus voor ‘een gezonde dood’, zoals de titel van het tweede deel van de trilogie moest gaan luiden. Wittlin besteedt veel aandacht aan de uitzonderlijke rol van de joden in deze tragische geschiedenis, vooral aan de joodse stafarts die belast is met de keuring van rekruten. De arts is zich bewust van zijn dubbelzinnige positie, hij koestert een diepere weerzin jegens zichzelf dan de antisemieten in zijn omgeving. Scherpzinnig, pijnlijk maar ook hilarisch in hun ambivalentie, zijn de fragmenten waarin hij, ‘niet vies van smeergeld’, in zijn fantasie én daadwerkelijk wraak neemt op al diegenen die hem als jood hebben vernederd.

Józef Wittlin – zelf van joodse origine – wist waarover hij het had. In juli 1939 moet hij Warschau ontvluchten, maar ook in Parijs is hij niet veilig. Op het nippertje bereikt hij met vrouw en dochter een Zuid-Frans havenstadje waar hij zijn koffers met manuscripten van het tweede en derde deel van de trilogie kwijtraakt. Uiteindelijk slagen ze er na vele omzwervingen in de VS te bereiken. Voor de voltooiing van de trilogie ontbreekt hem nu de moed en de energie. Het is, lijkt me, niet meer dan een daad van eenvoudige literaire rechtvaardigheid Het zout der aarde onverwijld toe te voegen aan het lijstje grote Midden-Europese romans uit de eerste helft van de twintigste eeuw.