Een meisje. Pas achttien jaar

Margriet de Moor, De schilder en het meisje . € 18,90
Margriet de Moor, De schilder en het meisje. Gebonden, € 23,90

Medium moor   de schilder en het meisje

‘Het was nog altijd de derde mei. Elsje is dood. De schilder, onontkoombaar naar haar op weg, dacht absoluut niet aan haar.’ We schrijven 3 mei 1664, als de nergens bij naam genoemde schilder - die gebaseerd op het werk, leven en uiterlijk alleen Rembrandt van Rijn kan zijn - door Amsterdam struint, belandt op het galgenveld Volewijck en daar het lichaam ziet van Elsje Christiaens. In een 'vlaag van heftigheid’ had ze met een bijl het hoofd van haar om geld zeurende hospita in tweeën gekliefd en het stadsbestuur had haar door wurging ter dood veroordeeld, met als toevoeging dat haar lichaam zou worden tentoongesteld om door 'de locht ende ’t gevolgelte te worden verteert’.
'Onontkoombaar naar haar op weg’, schrijft Margriet de Moor in haar nieuwe, intelligente historische roman, De schilder en het meisje, want hoewel hij het niet van plan is, weet de lezer dat de schilder haar moet zien: Rembrandt maakte immers de tekening A Woman Hanging on a Gibbet, zoals die nu genoemd wordt door haar eigenaar, het Metropolitan Museum of Art, in New York.
Op het eerste gezicht lijkt De Moor een historische roman geschreven te hebben zoals we ’m kennen, waarin Rembrandt en Elsje als afwisselend melancholieke en verwonderde flaneurs worden opgevoerd, als zeventiende-eeuwse evenknieën van Flauberts Frédéric Moreau, Woolfs mevrouw Dalloway en McEwans Henry Perowne. Via hun blik kleurt De Moor Amsterdam in, met gedegen historische kennis, in haar ijle, soms wat afstandelijke stijl. In die afstandelijkheid wringt iets, alsof De Moor ons ervan wil weerhouden te veel voor haar personages te voelen, wat nog eens wordt versterkt door haar anachronistische alwetende vertelstem. Regelmatig verwijst ze naar de moderne tijd, of citeert ze uit de brieven van Van Gogh. Eigenlijk verlegt ze daarmee gaandeweg haar onderwerp: wat we lezen is niet het levensverhaal van twee buitenbeentjes in de stad, nee, De Moor presenteert ons in feite de making of, of liever de feitelijke en emotionele totstandkoming van Rembrandts beroemde tekening.
De rol van Elsje wordt duidelijk in het motto van het boek, afkomstig van Jan Pieterszoon Sweelinck: 'Mein junges Leben hat ein End’. Elsje is het bewijs van de vluchtigheid van het bestaan. Haar levensverhaal zal exemplarisch zijn voor de vele jonge mensen die door de eeuwen heen naar de grote stad trokken, vol naïeve hoop op een beter leven (zie ook hier de parallel met de huidige tijd). Zelden vonden deze gelukzoekers wat ze zochten, zo ook Elske, die haar eveneens vanuit Jutland geëmigreerde stiefzus tevergeefs probeert te achterhalen en uiteindelijk richting prostitutie wordt gedreven. Net twee weken in Amsterdam is ze al haar dromen kwijt, en uiteindelijk ook haar leven. De Moor doet net alsof Elsje pech had, alsof ze gered had kunnen worden - een potentiële verloofde lijkt zich aan te bieden, maar Elsje merkt hem niet op - maar tegelijk is haar lot bezegeld. Al in het begin van de roman lezen we hoe Elsje bekvecht met haar stiefzus, en haar ogen door de kamer schieten en op een hakbijl vallen, net boven het gekloven hout. De aanleg voor moord zat in haar DNA. Zonder de tekening van Rembrandt zou niemand zich Elsje hebben herinnerd, drie eeuwen later, en dat is dan ook de rol van de schilder: hij bewijst dat kunst de vergankelijkheid van het bestaan aanvecht. Vakkundig verpakt in het leven van één dag bepleit De Moor zo het unieke van kunst: dat kunst leven en dood kan overstijgen en de eeuwigheid kan halen. Een schets op een vergeeld stuk papier. Zeventien bij negen centimeter, volgens het Metropolitan. Toch is het niet echt een ferm pleidooi - De Moor speelt met de hedendaagse vertelstem, maar durft zich ook weer niet echt te laten gaan. Zo breekt ze een hoofdstuk waarin Rembrandt met zijn apotheker kletst op onder de gewichtige subkopjes 'Over de waarde van de zon’, 'Over het licht op de vrouwenhuid’ en 'Over het licht van de schaduw’: in plaats van hier hardop essayerend te schrijven, of wat mij betreft meer bloemlezingen te geven uit de brieven van Van Gogh of wie dan ook, blijft ze binnen het veilige stramien van de historische roman. Misschien had ze de roman net iets meer urgentie kunnen geven.
Toch staat het boek als een huis - een enkel hol aforisme daargelaten - met name door de menselijke manier waarop De Moor de niet bij naam genoemde schilder (waarom eigenlijk niet?) zijn verdriet laat rondtorsen. Rembrandt loopt rond met de dood van zijn geliefde nog in zijn hoofd, hij neemt op straat de rituelen waar die bij de pest horen, ziet een passant in rouwmantel en bedenkt dat zulke mantels tot voor kort nog verboden waren, omdat besmette vlooien zich graag nestelen in de plooien van de zware stof. Vanuit die geesteshouding komt De Moor met een theorie over het schilderij waar hij aan werkt, en dat de lezer herkent als Het joodse bruidje, met het intieme handgebaar dat door kunsthistorici nooit eenduidig is verklaard: 'Een man legt zijn hand op de borst van een vrouw. Onder de stof van haar jurk voelt hij het kalme gestage gedreun van haar hart.’ Leven en dood in kunst gevangen.

Margriet de Moor
De schilder en het meisje
De Bezige Bij, 254 blz., € 23,90