Een meisje van niets

Esther Kreitman-Singer groeide op in de schaduw van haar twee beroemde broers. Toch is haar literaire talent opmerkelijk, net als haar leven. Binnenkort verschijnt de Nederlandse vertaling van de roman die Kreitman over haar leven schreef, ‘Een meisje van niets’.

ESTHER KREITMAN-SINGER schijnt een nogal buitenissig meisje te zijn geweest, althans volgens haar broer, de Jiddische schrijver Isaak Bashevis Singer, die in een van zijn autobiografische verhalen over haar schrijft: ‘Al wisten wij destijds niets af van Freud, toch speelde zich bij ons thuis een freudiaans drama af. Mijn enige zuster Esther, de oudste van vier kinderen, kon absoluut niet met mijn moeder overweg. Ze had het gevoel dat mama niet van haar hield. Dat was niet zo, maar het was wel een feit dat mama haar niet om zich heen kon verdragen. Esther was een excentriek meisje, ze leed aan hysterie en had lichte aanvallen van epilepsie. Soms leek zij bezeten te zijn door een dibboek.’
Deze karakterisering zou misschien de enige informatie zijn gebleven over de vrouw die Esther Kreitman-Singer moet zijn geweest, als zijzelf niet op 45-jarige leeftijd een roman over haar leven had geschreven, Der sjedim-tants (letterlijk: De demonendans). Niet alleen de hoofdpersoon in deze roman, Dvoirele (Esther zelf), contrasteert met de tekening van Bashevis, maar het hele boek verschaft de lezer meer nuancering van haar persoonlijkheid, en meer inzicht in de vrouwenlevens van haar tijd dan de stereotyperingen waar Bashevis zo goed weg mee weet.
Esther Singer (1891-1954) werd geboren in Bilgorai, Polen, als dochter van Batsjeva en Pinchas Singer, beiden afstammend van een oud rabbijnengeslacht. Na haar kwamen drie zonen die de opleiding tot rabbijn kregen. De twee oudsten zouden later beroemde schrijvers worden: Josjoea Singer (1893-1944) en Isaak Bashevis Singer (1904-1991). Alleen de jongste werd rabbijn. Esther en Josjoea groeiden op in het sjtetl Lenczin, het gezin woonde daarna in de stad Radzimin en vervolgens in Warschau. Esther, Josjoea en Isaak schreven alledrie een autobiografisch werk, zij portretteerden de gemeenschap waarin zij opgroeiden, de huizen waarin zij woonden, de beelden uit hun jeugd en het dagelijkse joodse leven.
Opmerkelijk is dat bij de drie schrijvers het decor waarbinnen hun levens zich afspeelden vrijwel geheel identiek is. Ook de taferelen zijn vertrouwd en herkenbaar. De ouders, die alleen bij Esther fictieve namen dragen, hebben dezelfde karaktertrekken: vader is de onvoorwaardelijk op God vertrouwende chassidische rabbijn, wereldvreemd, naïef en onhandig. Moeder is belezen en ziekelijk. Maar even opmerkelijk is de geheel andere toonzetting van Esthers roman, waarin de observaties en ervaringen van een vrouw tot uiting komen. Direct aan het begin van het boek, als de veertienjarige vertelster Dvoirele hoort hoe haar jongere broertje uitbundig door haar vader wordt geprezen vanwege zijn vorderingen in de bijbelstudie - 'Jij wordt nog eens een groot talmoedgeleerde’ - vraagt zij op haar beurt: 'En ik, vader, wat zal ik worden?’ Het antwoord luidt: 'Jij? Een meisje? Niets natuurlijk.’
Toch was Batsjeva, de moeder van de Singers, een intellectuele vrouw. Batsjeva’s vader had haar een degelijke opvoeding gegeven. Hij leerde haar zelfs Hebreeuws en betreurde het dat zijn meest geliefde dochter geen jongen was. Josjoea Singer wijdt in zijn levensbeschrijving Een wereld die verdween een heel hoofdstuk aan de fout die er in de hemel met zijn ouders moet zijn gemaakt. In de hemel immers worden huwelijken gesloten, en in dit geval waren kennelijk de geslachten verwisseld: moeder had de man moeten zijn en vader de vrouw. Ze hielden van elkaar, maar hadden het verkeerde lichaam en de verkeerde geest. Zonder die hemelse vergissing was het een ideaal paar geweest. Vader was klein en mollig, had warmblauwe ogen en delicate handen. Hij had een onwankelbaar geloof in de mensheid, in Gods schepping en in wonderen. Hij werd niet geplaagd door twijfels en stelde geen vragen. Als het in de tora stond, was het waar. Moeder was lang en liep wat gebogen. Ze had koele grijze ogen en een onderzoekende, kritische natuur. Ze was een diepgraver, een denker; rede en logica stonden bij haar voorop. Zij nam alle beslissingen voor haar man, waartoe hijzelf niet in staat was, zelfs waar het zijn eigen carrière betrof. Ook al maakte hij er dankbaar gebruik van, toch ergerde het hem. Het sterkte hem in zijn voornemen niet dezelfde fout te maken als zijn schoonvader, en van zijn eigen dochter geen geletterde vrouw te maken.
Dus torste het veertienjarige meisje Dvoirele, zo schrijft Esther Kreitman-Singer, de zware last van de huishouding op haar schouders, want moeder was nu eenmaal zwak en lag altijd op de sofa te lezen. Haar jongere broertje Michal (Josjoea) moest hele dagen 'lernen’, een vanzelfsprekendheid in het vrome gezin. Zij wist dat hij spijbelde en ze zou hem het liefst willen verklikken, maar ze beheerste zich, want haar eigen geweten was ook niet helemaal schoon. Soms stal ze een religieus boek uit haar vaders kast en ruilde het in bij de rondtrekkende boekverkoper tegen een sprookjesboek. Geen klein vergrijp! Helaas kwam de man maar eens in de vier weken, op marktdag, dus las ze de verhalen maar weer voor de tiende keer.
Zij zou graag willen leren, maar dat was voor haar niet weggelegd. Toch bleef ze naar iets verlangen, al wist ze zelf niet wat. Bashevis heeft daar een kant en klare uitleg voor: hij ziet haar als een soort tussenachtigheid, een product van de vrouwelijke vader en de mannelijke moeder. 'In een vroeger tijdperk zou ze een soort heilige zijn geworden, iets als de dochter van de Baal Sjem-Tov die danste met de chassidim. Onze overgrootmoeder van vaders kant, Hinde Esther, naar wie mijn zuster was genoemd, droeg een ritueel gebedskleed met schouwdraden als een man, en ging bij wonderrebbes op bezoek. Esthers leven was een mengeling van hoop en zielsverrukking. Ze was een chossid in een jurk.’
Maar Esther had meer kwaliteiten. Ze bezat een scherp waarnemingsvermogen en - misschien wel meer dan haar broers - een helder oog voor maatschappelijke verhoudingen. Zo beschrijft zij bijvoorbeeld de maandelijkse marktdag in het sjtetl: 'De dagen in Lenczin zijn saai, om gek van te worden. Maar op marktdag tuimelt het leven het sjtetl binnen. Verdwenen zijn de luizige honden en geiten waar slonzige kinderen op blote voeten achteraanrennen. Verdwenen de vrouwen die op de drempel van hun smoezelige huisjes met hun armoede kampen. Verdwenen de koopvrouwen die op andere dagen eenzaam voor hun winkeltjes naar klanten zitten uit te kijken, die net zo min komen opdagen als de boekverkoper. En op de avond vóór marktdag blijven de mannen niet, zoals ze gewend zijn, rondlummelen en kletsen bij de warme oven in sjoel, nee, ze raffelen hun middag- en avondgebed af en reppen zich naar huis om hun vrouw te helpen bij de toebereidselen voor de markt. Die ene dag in de maand houdt het hele sjtetl in leven, inclusief de bewoners, de rabbijn en alles wat ademhaalt.’
DE PERIODE DIE Esther met haar ouders in de stad Radzimin doorbracht, waar vader door de plaatselijke rabbijn een glanzende carrière plus dito loon, als hoofd van de talmoedische hogeschool, kreeg voorgespiegeld, betekende voor haar de zwartste tijd tot dan toe. Voor hulp in huis was absoluut geen geld, dus schrobde zij de vloeren en scharrelde voor een krats het middagmaal bij elkaar. Ze wilde studeren, aantonen dat niet alleen haar vader geleerd was, dat niet alleen mama’s hoofd vol kennis zat en haar broertje een talmoedgeleerde zou worden, maar dat ook een meisje niet niks was. Iedereen vond het vanzelfsprekend dat zij geen gevoel van eigenwaarde hoefde te hebben, alsof ze een halve debiel was. Toch las ze af en toe een geleend boek, ze genoot van gedichten. En als de poëzie geen soelaas meer bood, liep ze het huis uit, keek naar het gezwoeg van vrouwen en mannen met hun armzalige nerinkjes, liever gezegd, hun triviale, onbenullige leven, en dacht dan: 'Gezonde mensen werken gewoon, zonder zich af te vragen waarom… waartoe.’
Toen het gezin vervolgens naar Warschau verhuisde kreeg ze nieuwe hoop, maar de eerste drie weken zat ze opgesloten in huis omdat ze geen hoed had, en een keurig meisje ging niet zonder hoed over straat. De ingehouden ironie waarmee Kreitman deze en andere passages beschrijft, verdoezelt de verstikkende werkelijkheid van dit vrouwenleven niet.
Ze werd verliefd op een gewezen talmoedstudent die haar in aanraking bracht met het opkomende, toen nog verboden, socialisme. 'Eindelijk had ze het gevoel dat ze op de drempel stond van een nieuw, rijk leven. Ze woonde in het geheim partijvergaderingen bij en las met gretigheid de pamfletten die er werden uitgedeeld. Ze riepen op tot een machtige strijd tegen de vijand. Ze beschreven helden en heldinnen die hun idealen trouw bleven onder de ergste kwellingen. Ze las ze met ingehouden adem en stortte menige traan. De wereld moest bevrijd worden van wandaden en schandelijk onrecht. Als je dit had gelezen, kon je toch niet je oude leventje gewoon voortzetten, dan moest je toch helpen zo goed als je kon!’ Maar haar ouders hadden andere plannen met haar. Er was geen bruidsschat, dus werd ze uitgehuwelijkt aan een diamantbewerker in Antwerpen, die haar zonder bruidsschat aanvaardde en die ze op de dag van de bruiloft voor het eerst ontmoette.
DAT ESTHER TALENT voor schrijven had, ontdekte Bashevis toen hij haar brieven las die zij op jeugdige leeftijd in Warschau schreef. 'In mijn zusters brieven ontvlamde de eerste literaire vonk in ons gezin. Haar brieven waren intelligent en zelfs humoristisch. Mama was verbaasd dat haar dochter over zo'n woordenschat beschikte.’ Ook schreef Esther in die dagen korte verhalen, die zij op aandrang van haar ouders vóór haar huwelijk vernietigde.
De literaire vonk sprong over op de twee broers. Hoewel ze bestemd waren om rabbijn te worden, keerden ze allebei hun religieuze opvoeding de rug toe. Josjoea verliet zijn ouderlijk huis, nam allerlei baantjes aan en begon te schrijven. Hij werd rusteloos en depressief en dacht over zelfmoord. Toen in 1932 zijn roman Josje Kalb uitkwam was hij plotseling een gevierd schrijver. Zijn volgende boeken maakten hem nog beroemder. Hij emigreerde naar Amerika en hoopte dat de nieuwe wereld hem zou redden van zijn tragiek, 'het weglopen van God’, zoals hij het zelf noemde. Aan het einde van zijn leven friste hij op wat hij had willen vergeten: de herinnering aan het sjtetl. Die herinnering werd het portret van zijn vroegste jeugd, Een wereld die verdween.
Melech Ravitch, in de tijd van de jonge Singers al een befaamd dichter/prozaïst, noemt in zijn Leksikon (portretten van enkele honderden Jiddische dichters en schrijvers in Polen tussen de twee wereldoorlogen) het werk van Josjoea Singer een epos van eeuwen joods leven. Ook Isaak Bashevis wordt door Ravitch geportretteerd: 'Isaak voegde de naam van zijn moeder Batsjeva aan de zijne toe, en met recht. De drie schrijvers-kinderen Singer zijn het evenbeeld van hun moeder. Niet alleen fysiek: ze hebben alledrie haar onuitputtelijke nieuwsgierigheid en kritische aard. Vanaf de eerste dag dat Bashevis met zijn ouders naar Warschau kwam heb ik hem geobserveerd, een klein chassidisch gekleed jongetje met rood haar en een grote leeshonger. Hij keek tegen ons “klassiekers”, de min of meer gevestigde Jiddische schrijvers van die dagen, op als tegen goden en nam zich voor ook zo'n god te worden.’
Al spoedig had Bashevis zijn eigen helden-galerij op orde, intrigerende, mysterieuze typen, mensen met een tragisch lot, vaak gekweld door demonen, geesten, duivels en dibboeks, waaraan hij op half-realistische, half-fantastische wijze gestalte heeft gegeven. In 1978 kreeg hij de Nobelprijs voor literatuur. Van zijn omvangrijke werk droeg hij een verhalenbundel, De seance, aan zijn zuster op. Maar een van zijn duiveltjes bakte hem een poets: haar naam kwam verkeerd op papier, niet als Hinde Esther maar als Minda Esther werd zij door hem vereeuwigd.
KREITMANS OBSERVATIES zijn niet minder karakteristiek dan die van haar broers. In Antwerpen, waar zij na haar huwelijk met haar man gaat wonen, legt zij met haast fotografische scherpte haar eerste indrukken van de joodse wijk vast: 'De Leeuwerikstraat is bepaald geen dooie buurt. Joden met grote pluchen hoeden op, met baarden in allerlei maten en kleuren, lopen er druk gesticulerend af en aan en praten aan één stuk door over zaken. Joodse groentemannen en andere kooplieden rijden door de wijk met karren die door honden worden getrokken. Het is gelukkig een ander soort honden dan elders, vriendelijker, meer klantgericht, en eerlijk is eerlijk, ze geven kleur aan de straat, die Jiddische honden… Kinderen schreeuwen er even hard als in Warschau en jagen achter scharminkels van katten aan. Kraampjes zijn er ook, en heel wat. Je kunt er inkopen doen, maar ook opeten wat je koopt, ze hebben hier niks van doen met hygiënische trottoirs. De winkeltjes zijn klein en niet bijzonder proper. De bordjes “kosjer” missen vaak een paar letters, soms zijn ze nog net leesbaar, het ene glimt, het andere zit dik onder het vuil, maar allemaal roepen ze vanuit de etalages hun klanten aan. Kortom het is hier een vrolijke boel, al haalt het het niet bij Warschau.’
Het huwelijk waar zij zich in had geschikt mislukte. De demonen van de bizarre duivelsdans, die tijdens haar huwelijksfeest met haar werd gedanst - een gebruik op elke traditioneel-joodse bruiloft - verduisterden haar uitzicht op de toekomst. Met een man die ze niet liefhad en in een stad die haar vreemd was, voelde ze zich een balling, ver van het beloofde land waar ze naar had uitgezien. Het is dan ook geen wonder dat de roman eindigt in een droom waarin zij, zoekend naar haar identiteit, terugkeert naar haar ouderlijk huis en sprakeloos verdwaalt. Dat Kreitman de droeve broosheid van haar leven toch met vermakelijk cynisme en zelfspot weet te tekenen, wijst op haar schrijverstalent. De naïeve meisjesstijl die hier en daar opduikt wordt ruimschoots gecompenseerd door rijpe bespiegelingen en een apart soort humor.
Toen bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de Duitse legers België binnentrokken vluchtte het echtpaar Kreitman naar Londen. Tien jaar later verliet Esther met haar inmiddels geboren zoon haar echtgenoot. Ze verbleef korte tijd in Polen maar keerde terug naar Londen waar zij tot haar dood toe woonde. Zij schreef er een tweede roman, Briljanten, en verhalen onder de titel Jiches (Afstamming), beide gepubliceerd in Londen. Esther Kreitman-Singer, wier levenslot het was in de schaduw te blijven van twee beroemde broers, bezit een eigen stem. Ze heeft iets te vertellen dat waard is gehoord te worden.