Hans Münstermann

Een meisje vangen

Hans Münstermann, Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf

Uitg. Veen, 236 blz., ƒ34,90

In de wereldberoemde serie tekenfilmpjes Road Runner ligt het hilarische effect in de tegenovergestelde overtuiging van kijker en personage. De coyote uit het filmpje weigert te erkennen dat het onmogelijk is de supersnelle Road Runner te verschalken, terwijl de kijker inmiddels weet dat elke nieuwe poging van de coyote tevergeefs zal zijn. De spanning ligt volledig bij het personage, niet bij de kijker.

Hetzelfde effect creëert Hans Münstermann in zijn roman Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf. Na een introductie waarin zijn zusje op zestienjarige leeftijd zwanger wordt gemaakt door haar vriendje Kees, probeert hoofdpersoon Andreas Klein hoofdstukkenlang een meisje «te neuken». Tevergeefs, zo begrijpt de lezer bij voorbaat. Kees is een karakterloos mannetje dat zich afwachtend opstelt, zich onhandig opportunistisch gedraagt en blijk geeft van een afhankelijkheid van sterkere mannen.

Een van die sterkere mannen, door de verteller «de inquisiteur» genoemd, «neukt» (het woord valt veelvuldig) met gemak en zelfs in het openbaar. Zoals die ene keer tijdens de bezetting van het Maagdenhuis, gedurende de speech van een sikdragende studentenopstandleider. Andreas volgde de inquisiteur naar het Maagdenhuis, want «er scheen daar veel geneukt te worden. Dus daar moest hij heen.» Aldaar krijgt de inquisiteur medelijden met zijn onervaren vriend. Hij organiseert een workshop «maatschappij en sex-appeal» om Andreas’ ontmaagding te entameren. «Het grootste probleem in de hedendaagse maatschappij waren de scheve verhoudingen bij de distributie van sex-appeal. Iedereen moet sex-appeal hebben om ervan te kunnen profiteren. Om mee te delen in het geluk.»

Het zijn de van vrije seks en rechtzinnigheid doortrokken jaren zestig, maar Andreas helpt het niet. De meisjes vinden hem een sukkel, een «gemiddeld» mens voor wie er, zo blijkt, «gemiddeld» maar weinig te neuken valt.

Maar wat pijnlijker is: de lezer kent een sukkel als deze al; duizenden figureren er in de Nederlandse letteren. Hij is ook als romanpersonage «gemiddeld». Via een studententijd in Amsterdam, met uitstapjes naar een kibboets (waar «het» ook niet lukt) en een Grieks eiland, toont Münstermann ons een gemankeerde kluns die — tot overmaat van onoriginaliteit — niet aan het schrijven komt. Het is bijna een apart genre: het op gepaste afstand met ironie doorspekte registreren van gewone levens, met doorsnee angsten, verlangens en ervaringen van enigszins mensenschuwe, keurige academici die van schrijven houden maar zich daar niet toe kunnen zetten. Daarbij bespaart Münstermann de lezer geen cliché: Andreas houdt wel van schrijven, maar eigenlijk kan hij er niets van. En hij is zich bewust van zijn eigen falen. «Toen hij weer terug was op Schiphol, eind september, zat er een dik manuscript in zijn plunjezak, waarvan hij wist dat het niets voorstelde.»

Münstermann kan daarentegen wel degelijk schrijven. Dat bleek al uit eerdere romans die hij samen met Jacques Hendriks onder het pseudoniem Jan Tetteroo schreef. In kordate stijl toont Münstermann in Je moet niet denken dat ik altijd bij je blijf de Bildung van een jongeman met zoveel afstand en naïviteit dat het op de lachspieren werkt. Consequent vangt hij de zoektocht van Andreas in kleine, ogenschijnlijk in stukken gehakte zinnen. Droogkomisch is het bij vlagen zeker, maar wat meer pretentie zou geen kwaad kunnen.

In een passage waarin wordt verhaald van de ogenblikkelijke genegenheid van Andreas voor de inquisiteur, maakt de aanwezigheid van enkele klassieke literaire werken op tafel intellectuele bagage zichtbaar. «Dostojevski, Flaubert, Voskuil»; de juiste attributen voor hechte vriendschap.

Uiteindelijk belandt Andreas in een clubje «onverbeterlijke vrijgezellen», kantoorgenoten die samen drankjes nuttigen in een Maastrichts etablissement. Daar vieren zij hun eigen falen en gaan het echte leven niet aan. Net als Münstermann, die zich gevrijwaard ziet van een poging om «Dostojevski, Flaubert, Voskuil» naar de kroon te steken.