Een melig wereldeinde

De ondergang van de wereld is zo'n prachtig thema dat het me verbaast hoe weinig schrijvers zich eraan wagen, zelfs in dit fin de siècle. Komt dat doordat er gauw een moralistische kant aan zit? Moraal is immers uit de mode in de conventionele literatuur. Dat zou verklaren waarom sciencefictionschrijvers er niet huiverig voor zijn, want die slaan de moraal gewoon over. Ook kinderboekschrijvers, nooit beducht voor het fantastische, grijpen er rustig naar. Het laatste voorbeeld van een serieuze Nederlandse ondergangsfantast was Belcampo, met zijn apocalyptische beeld van het Overijsselse Rijssen. Hij wordt terloops opgevoerd door zijn opvolger in het genre, Klaus Siegel.

Dat Siegel Belcampo noemt, betekent niets, want hij voert alles op wat onder het kopje eschatologie te rangschikken is. Zijn boek, het derde in anderhalf jaar, is niet zozeer een verbeelding van de ondergang alswel een traktaat, en ook dat weer niet echt, want hoe geleerd de bladzijden ook ogen, er is geen duidelijke gedachtengang te ontdekken. Misschien moeten we het houden op een lichtelijk morbide spel zonder inzet.
De novelle Een wereldondergang in Oud-Zuid (let op het badinerende lidwoord) begint haast gezellig. De hoofdpersoon ontdekt ’s nachts dat zijn vingers aan het afbrokkelen zijn en dat buiten, in zijn straat, het Beest van de Apocalyps loopt vuur te spuwen. Een overbuurman komt langs en er ontstaat een discussie waarin de hoofdpersoon het meest aan het woord is. Hij is een praatgrage erudiet die bepaalde lemmata in de encyclopedie goed heeft bestudeerd. Aan de orde is onder meer de vraag of er voortekens waren die de kennelijk gaande zijnde apocalyps hebben aangekondigd maar nee, veel van dergelijke tekens in andere tijden bleken ook loos, dus waarom zou je die van nu serieus nemen. Enzovoort.
Dankzij de gastvrouwelijke deugden van de eega is er al gauw thee en zo schrijdt de nacht voort, met veel geleuter. Tot de schrijver de fantastische handeling weer op de voorgrond wenst te plaatsen en er ineens een glijtocht begint langs relevante plekken in de wereld. In de slotscène bevindt de hoofdpersoon, die niet langer praat maar nog wel denkt, zich op oeroude christengrond, oog in oog met een groot stenen beeld dat zowel staat voor een farao - Ramses II, gok ik - als voor de Stenen Gast uit Don Giovanni als voor de heiland (Christus? Che Guevara?). Bizar, èn vrijblijvend.
Satire laat zich dus moeilijk ontdekken in de vloed aan weetjes, grapjes en al dan niet incorrecte opmerkingen. Wel duidelijk is dat de hoofpersoon in de best denkbare situatie leefde met zo'n straat, zo'n vrouw, zo'n monter hoofd. Jammer van die ramp, maar laten we het houden op een nachtmerrie. Morgen is alles voorbij, en dan is hij weer domweg gelukkig in de Amsterdamse Concertgebouwbuurt.
Een wereldondergang in Oud-Zuid is Wim Schippers-achtige slapstick met de nadruk op meligheid. Siegel lijkt vooral uit op verwarring bij critici en lezers. Die sticht hij, maar interessant is het resultaat daardoor niet. Daarvoor is de novelle al te zeer een flauwiteit, of op z'n best een staaltje verstandelijke rederijkerij. Na De zoon van madame Butterfly en Winterkoren, de voorgangers, een tegenvaller. Ik verwacht revanche van deze zeldzaam lenige laatbloeier.