Een mens, geen boek

Petra Weber, Carlo Schmid 1896-1979. Eine Biographie.(Uitgeverij C.H. Beck (importeur Nilsson & Lamm), 968 blz., 3124,45
Een van de overigens schaarse overeenkomsten tussen Nederland en Duitsland is dat in beide landen de toonaangevende politici vrijwel altijd doeners zijn. In tegenstelling tot Frankrijk en Engeland komt men er in de hoogste politieke regionen vrijwel nooit een intellectueel tegen. In Nederland kan met veel goede wil Den Uyl worden beschouwd als de uitzondering die de regel bevestigt, en in de Duitse naoorlogse politiek gold dat voor de thans nagenoeg vergeten Carlo Schmid (1896-1979).

Deze Schmid was eind jaren vijftig de populairste politicus in de Bondsrepubliek. Hij was presidentskandidaat en bijna de SPD-kandidaat voor het ambt van Bundeskanzler. Bovenal echter was Carlo Schmid het intellectuele en culturele boegbeeld van zijn partij. Hij werd gezien als een van de laatste vertegenwoordigers van het Bildungsbürgertum te midden van de dossierridders, en hij werd soms geafficheerd als ‘onze Malraux’. Velen binnen de SPD hadden hun hoop op hem gevestigd als de man die de partij zou bevrijden van oude dogma’s en het platte materialisme.
Toch was Schmid allerminst het type van de socialistische theoreticus die 'door Marx heen’ was gegaan en die aansluiting zocht bij de maatschappelijke ontwikkelingen. Schmid belandde pas tegen zijn vijftigste in de politiek, en eigenlijk bij toeval in de sociaal-democratie. Hij kwam in ideologisch opzicht van verre, aangezien hij jarenlang had verkeerd in even elitaire als conservatieve kringen. De Baudelaire, Verlaine en Dante vertalende jurist had een levenslange afkeer van de massamaatschappij en hing een gestileerd Geistesaristokratismus aan. Hoe werd zo'n man in godsnaam een prominente sociaal-democraat?
Als zoon van een Duitse vader en een Franse moeder, die ondanks een bescheiden inkomen hun enig kind een opvoeding gaven die paste bij de hoge burgerij, als jurist en literator, als tot misantropie geneigde existentialist en gezelligheidsdier, was Carlo Schmid een vat vol tegenstrijdigheden. Bovendien dwong de dramatische geschiedenis van Duitsland deze estheet tot het maken van keuzes die hij eigenlijk het liefst vermeden had.
In 1914 maakte de oorlog een einde aan Schmids beschermde jeugd en zijn plannen om medicijnen te gaan studeren. Als vrijwilliger diende hij de gehele oorlog. Hoewel hij later bevriend zou raken met Ernst Jünger, vinden we bij de onhandige en door de andere soldaten vaak gepeste Schmid niets van Jüngers heroïek en oorlogsenthousiasme. De kennismaking met uit de arbeidersklasse afkomstige lotgenoten bezorgde hem een enorme afkeer van een mogelijke proletarische revolutie. Na de nederlaag in november 1918 nam hij dan ook deel aan gevechten tegen de Spartakisten. Toch was hij niet het type van de Freikorpskämpfer, al voelde hij zich vernederd door het Verdrag van Versailles. In de jaren twintig en dertig stond Schmid, die rechten was gaan studeren aangezien dat de kortste studie was, politiek gezien weliswaar rechts van het midden, niettemin had hij grote belangstelling voor het 'sociale vraagstuk’ en promoveerde hij op een studie naar de juridische fundering van het arbeidsrecht. Hij werd rechter en privaatdocent aan de universiteit van Tübingen, waar hij zich toelegde op het volkenrecht en de internationale betrekkingen.
Van het nationaal-socialisme, volgens hem 'een filosofie van veefokkers, toegepast op het verkeerde object’, moest Schmid niets hebben, terwijl deze ideologie in Tübingen over het algemeen in vruchtbare aarde viel. Schmid stond daarom al snel na de Machtübernahme bekend als een van de weinige tegenstanders van het nieuwe regime. Hij genoot echter veel aanzien in het universiteitsstadje en was bij de studenten razend populair. Als gevolg hiervan, en van het feit dat de nazi’s doorhadden dat een boekenwurm als Schmid niet het type van de onverschrokken verzetsstrijder was, had hij een soort Narrenfreiheit, zodat hij ondanks betrekkelijk openlijke kritiek op de nieuwe machthebbers niet ontslagen werd. Bovendien stond hij onder protectie van Sandberger, de leider van de nationaal-socialistische studenten in Tübingen.
Toch werd Schmids positie steeds hachelijker. Met een ziekelijke vrouw en vier kinderen en zonder financiële reserves was emigratie echter geen optie. De laatste mogelijkheid om zich zo veel mogelijk aan de invloedssfeer van de nazi’s te onttrekken leek, paradoxaal genoeg, het leger. Aangezien Schmid echter ingedeeld werd bij het militair bestuur in Noord-Frankrijk belandde hij van de regen in de drup. Als Kriegsverwaltungsrat in Lille was hij medeverantwoordelijk voor de Duitse bezettingspolitiek. Hij probeerde deze taak zo humaan en correct mogelijk uit te voeren en bewandelde daarbij even onorthodoxe als riskante paden. Toen de voedselsituatie als gevolg van Duitse plunderingen zeer nijpend werd, liet hij Belgische smokkelaars bijvoorbeeld duizend koeien leveren. Door dit soort maatregelen probeerde hij de rust in zijn arrondissement te bewaren omdat stakingen en opstootjes onvermijdelijk leidden tot hardhandige repressie van de bezetter. Schmid stond via een predikant in contact met het verzet en probeerde, meestal met succes, het executeren van gijzelaars te voorkomen. Na een door de SS-divisie Hitlerjugend aangericht bloedbad stelde hij een strafrechtelijk onderzoek in, waar uiteraard niet veel van terecht kwam.
De jaren in Lille waren een afschuwelijke tijd, waarin Schmid zoveel mogelijk zijn toevlucht zocht in de literatuur. Hij vertaalde Les fleurs du mal, vond in wat P.N. van Eyck ooit omschreef als het 'heet-doorpijnd geween’ van Baudelaire dezelfde existentiële wanhoop als waaraan hij zelf leed.
Aangezien de SD zijn relaties met de samenzweerders van 20 juli niet ontdekte, overleefde Schmid de oorlog. Daarna koos hij, omdat hij het noodzakelijk achtte dat het 'gewone volk’ zich verbonden ging voelen met de democratische staat, voor de meest brede en sociale volkspartij, de SPD. Hij werd regeringschef in het door de Fransen bezette deel van Württemberg en zette zich vooral in voor de denazificering en de heropvoeding van de met nazi-denkbeelden besmette jeugd. Vooral ook het herstel van de betrekkingen met zijn moederland Frankrijk had zijn aandacht.
Daarom was het voor velen, en zeker voor zijn partijgenoten, onbegrijpelijk dat hij zich, met succes, inzette voor een aantal ter dood veroordeelde oorlogsmisdadigers. Onder hen bevond zich de man die hem in Tübingen de hand boven het hoofd had gehouden, Martin Sandberger. Deze had het bevel gevoerd over Einsatzkommando Ia, dat Estland judenfrei gemaakt had. Schmids zeer omstreden pogingen om deze mannen gratie te verlenen leek niet te rijmen met zijn oproepen om het nazi-verleden niet te verdringen of weg te poetsen, en met de tomeloze energie waarmee hij zich inzette voor de Wiedergutmachung. Het is geen wonder dat Schmid zich heel goed herkende in de woorden die Conrad Ferdinand Meyer in de mond legde van Ulrich von Hutten, de tragische held uit de tijd van de Duitse boerenoorlogen: 'Ich bin kein ausgeklügelt Buch, ich bin ein Mensch mit seinem Widerspruch.’