Een mens moet verder reiken dan zijn greep

L. F. Rosen, Adel. Uitgeverij Van Oorschot, 56 blz., f24,90
DE DRIE GENOMINEERDEN voor de Buddingh-prijs 1994 komen van ver. Uit Zeeland, de Peel en de Alblasserwaard.
Voor ze in boekvorm dit jaar met poezie debuteerden, kon men hen op afstand zien aankomen: F. van Dixhoorn in Raster (1981), Lucas Husgen in Socialisme en Democratie (1989) en L. F. Rosen, stap voor stap, een decennium lang in De Tweede Ronde.

Ze hebben gemeen dat hun dichterlijke inzet hoog en afwijkend is: Dixhoorn ordent in ritmische reeksen de chaos in binnen- en buitenwereld en voorziet zijn drieluik (De Bezige Bij) van eenvoudige titels die tegelijkertijd complex zijn: Jaagpad. Rust in de tent. Zwaluwen vooruit.
Husgen componeert in een lang gedicht zonder hoofdletters en leestekens, Nevels orgel (Querido), een meerstemmige fuga waarin hij spraakverwarring en alom bekend jeugdsentiment op elkaar loslaat, zodat de lezer ronddraait in een mallemolen, maar tussen hemel en aarde wel degelijk op zijn schommel blijft zitten.
Rosen, behept met angst voor grote woorden, neemt de weg van de meeste weerstand op zoek naar niets minder dan de Schoonheid, het Absolute, kortom Adel, zoals de ongewone, lapidaire titel van zijn bundel zegt.
Alle drie maken zij tenslotte de slagzin van het 25-jarige Poetry International waar: de toekomst van het verleden, ofte wel: aan nostalgie heeft men niets, aan verlangen heeft men nooit genoeg.
Dixhoorn: jij weer dezelfde maar zo verschillend van dezelfde
Husgen: Hij heeft gewandeld hij wandelt in me mee
Rosen: ‘k Laat het nu tochten in de kelders van het pand en werk een laatste stofnest naar buiten.}
VAN DEZE EIGENZINNIGE, onvergelijkbare dichters is Rosen de meest honkvaste. Dixhoorn woont en werkt al lang in Amsterdam, Husgen maakt legio reizen in tijd en ruimte en heeft eigenlijk nooit in Weert gewoond, maar Rosen verblijft al een mensenleeftijd, als ik het goed heb, in Sliedrecht, dicht bij de Merwede.
Niet voor niets heet de eerste afdeling van zijn bundel: 'Banden’. Men kan zich losmaken van knellende familie-, liefdes- en geloofsbanden, maar aan verbreken is geen denken, daar zorgt de predestinatie in deze contreien wel voor.
'Kleding’ is een mooi voorbeeld: Wantrouwig maar met regelmaat zoek ik ’t rumoer van bloemen, prenten en haar mateloos servies. Voor troost zoals troost hoort. Het lijden, aangepast aan het behang, krijgt dan een uitgelezen hoek bij zijn portret. 'k Lig weer te kruipen op de vloer in haar geheugen. 'k Zoek een spoor van een verlies. Zij vist terloops een erfstuk uit zijn klerenkast. Ongelovig daal ik af in zijn diakenbroek.
Ik mag pas weg als ik mijn kop heb leeggedronken. Groot Medicijn voor Kleine Donderwolk heet thee voor mij nog steeds bij haar. Ik blijf maar kort.
Haar man is weg. Zij laat mij met zijn kleren pronken. Zijn kast raakt leeg. Geen pak van hem is meer compleet. Ik vraag niet meer. Voordat zijn das de mijne wordt.
Het enige sonnet van de bundel. Ongewoon qua regellengte, ’t en 'k, rijmschema in het octaaf, wat omslachtige verteltrant; behoorlijk maatvast, maar bij lange na geen dood in de (thee)pot.
Gewiekst en toch onnadrukkelijk is er met woorden gewerkt: rumoer dat pas bij servies op zijn omineuze plek valt, maar intussen natuurlijk ook bloemen en prenten inkleurt; mateloos dat op het 16- of 24- of 32-delig familiebezit slaat, maar ook op verdriet wijst en doorstuurt naar het lijden; troost in de betekenis van thee, het woord dat pas in de eerste terzine uit de doeken wordt gedaan; de verwijzing naar het innerlijk behang, gesteund door uitgelezen; de vloer die je door het enjambement ook als de bodem van haar geheugen kunt lezen, verlies dat daardoor geheugenverlies oproept; vist dat daar ook op lijkt te wijzen, maar dit keer wordt iets uit de kast gehaald; ongelovig dat op verbazing en afvalligheid inspeelt; daal af dat bij alle pieteit ook een vernedering betekent.
Dat allemaal in acht regels, zonder dat je die dubbele bodem steeds moet zien om de lijdensweg te volgen, een tweesporenbeleid dat je nergens krijgt opgedrongen.
In de terzinen van hetzelfde laken een pak: kop, niet kopje, not my cup of tea, maar de beker wordt leeggedronken en dan de herinnering aan een nu prijs gegeven gezinsgheim in Indianentaal. Kort verblijf dat samenvalt met levenslang; de noodlottige overdracht, larmoyant en liefdevol tegelijkertijd, het eind van het liedje van verlangen, dat geen verlangen meer is, het wachten, het uitstel, voor je de das wordt omgedaan.
Er is niets mis met dit sonnet, geschreven door een soort zondagsdichter, die na jaren ploeteren de Grote Woorden mee laat klinken in de taal van alledag. Die een burgerlijk bakje troost zonder forceren in de adelstand verheft.
De tweede afdeling, 'Vorsten’, brengt, bij wijze van spreken, de dragers van de hooggeboren woorden nabij. De onvergetelijken en onvergelijkbaren, de voorbeelden en de projecties. Rosen heeft het lef zich als Franciscus op het slachthuis te vermommen en als in een groteske op te komen:
Ik ben hier aangesteld als huisprofeet. Geen Moses. Ik mag graag schertsen dat ik het uitbeenmes ben van het vleesgeworden woord.
Door deze kolossale uitvergroting slaagt hij er zowaar in zijn dagelijks gruwen over laten we zeggen de bio-industrie onder woorden te brengen en zonder een belijdend vegetarier te worden, via de heilige notabene, het altijd weer paradoxale verhaal te vertellen:
Dat de dieren achter hun zachte maskers zingen en dat niemand dat hoort, is waar het mij om gaat.
Andere ontmoetingen met mensen van adel vinden in deze tweede afdeling plaats met de Dijkgraaf (God in barre tijden); de Ovenwachters, zoals ze voorkomen en voortleven op oude socialistische prenten; Gorter wiens Mei door een examinerende leraar onbegaanbaar is geworden; een waterfotograaf; een fantasie Andreas! Andreas! voor wie je in het gedicht Mea Maxima Culpa alle dubieuze helden uit een wereldgeschiedenis vol decline en fall kunt substitueren, enzovoorts, enzovoorts.
HET KAN GEEN TOEVAL zijn dat de derde en laatste afdeling van Adel 'Ideeen’ heet: de hele bundel is een soort Vorstenschool en Multatuli is er zeker niet vreemd aan. De reeks zit losser in zijn vel, consequentie van het ingezette motto van de profetische dichter Browning (uit Andrea del Sarto, The Faultless Painter): 'A man’s reach should exceed his grasp.’
De afdeling is een gevecht om 'hoog’ en 'laag’ nog meer op elkaar af te stemmen, om ziel een lichaam te geven en andersom, om een jongensdroom van onvergankelijkheid te her-kennen in een Krabnevel, om alle registers open te trekken.
Een sleutelgedicht lijkt het laatste woord van de bundel. Het heet 'Op Stand’ en door die ene spatie is dat op drie niveaus te lezen: een herenhuis; een herleving; een revolutie. Het is een keerpunt, een bevrijding, het slaken van banden. Het speelt in een mateloze tuin boordevol afval en het is noodweer. Eventuele paradijsbewoners zijn oud geworden en vervallen. Totale ontworteling, wat kan je uit noodweer nog maken:
………….het hek geeft nog de oudste geluiden door. - Geboorte kwam na zo'n geluid.
Het je aantrekken doe je nu niet meer. Moeite komt, als toen, zo mateloos niet meer.
Er is ten slotte minder weerstand dan vroeger op de lijdensweg. Dat is een schrale troost en zeker geen kwestie van thee. Wel een vrij ontspannen terugbllik op wat is afgelegd. Multatuli geeft de last door aan Dora van Nescio, die nog heel wat voor de boeg heeft, heel wat 'water in licht, licht in water’ moet omzetten, een onmogelijk dus onvermijdelijk karwei.
De dichter zal zijn angst voor woorden intussen van zich hebben afgeschud, hij blijkt immers de poezie steeds beter onder de knie te krijgen. Misschien ziet hij daar zelfs een been om op te staan.