Aleksandr Jakovlev, 2 december 1923

«Een mens went aan alles»

Het leven van de tot sociaal-democraat bekeerde communist Aleksandr Jakovlev, architect én onderaannemer van de val van de Sovjet-Unie, is uiteindelijk toch een cirkelgang gebleken.

Hij kwam ter wereld in een vijf jaar jonge heilstaat die jaloezie tot politiek wapen had verheven. Hij stierf afgelopen zomer in een vijf jaar jonge «geleide democratie» waarin afgunst opnieuw triomfeerde. Eén decennium was Aleksandr Jakovlev de hoop van de nieuwe sovjetgeneraties. Maar omdat hoop in Rusland geen tastbare categorie is, heeft hij op zijn sterfbed genoegen moeten nemen met de morele eer van zijn «plankje»: lintjes en medailles ter ere van Oktoberrevolutie, Rode Vaandel, Rode Arbeid, Rode Ster, Vaderlandse Oorlog, Vriendschap der Volkeren alsmede de kerkelijke orde Sergej Radozjenskij.

Aleksandr Nikolajevitsj Jakovlev wordt op 2 december 1923 geboren in een boerengezin in het dorp Korolevo nabij Jaroslavl, een tsaristisch stadje vierhonderd kilometer ten oosten van Moskou. De revolutionaire springstof ligt er hoog opgetast, intellectuele bagage is er nauwelijks voorhanden. Zijn vader kan bogen op slechts vier jaar kerkschool, zijn moeder is met haar schoolcarrière van twee maanden zelfs analfabeet.

In Korolevo wordt Aleksandr hardhandig geconfronteerd met de politieke gevolgen. Na de collectivisatie van de landbouw, door Josif Stalin eind jaren twintig ingezet nadat hij tijdens de Nieuwe Economische Politiek zijn greep op het land heeft verloren, verandert het dorpsleven in een hel van uitersten. Enerzijds heerst er hongersnood omdat de voedselmarkt in elkaar is gestort, anderzijds maakt zijn vader carrière en brengt het tot voorzitter van een kolchoz. Zijn zoon schrijft daarover in zijn memoires Draaikolk der herinnering: «Wij zijn gewend geraakt aan die onvoorstelbare tragedie die ons leven afgelopen honderd jaar heeft bepaald: die eindeloze, wrede, woeste en zinloze burgeroorlog. Een mens went aan alles.»

Maar aan het begin van zijn eigen twintigste eeuw heeft Jakovlev daarvan nog geen weet. Hij heeft talent en mag geschiedenis studeren aan de lerarenopleiding in Jaroslavl. Lang duurt zijn studie niet. In de zomer van 1941 rukt de Wehrmacht op tot voor de poorten van Moskou. Zoals voor velen in de Sovjet-Unie van na de grote zuiveringen is de oorlog voor Jakovlev niet alleen een ramp, maar ook een buitenkans. De politieke druk valt enigszins weg. In 1941 voegt hij zich bij het Rode Leger. In 1943 raakt hij als pelotonscommandant aan het Volchovskij-front zwaar gewond. Terug in Jaroslavl mag hij als oorlogsinvalide verder studeren en sluit hij zich aan bij de Communistische Partij der Sovjet-Unie (CPSU), de voorhoede die ook in zijn ogen de oorlog heeft gewonnen.

Ruim een halve eeuw later analyseert hij, intussen bejaard, de toestand anders. Zelfs onder Stalin is geen sprake geweest van één macht. Zijn bewind is gebaseerd op dubbele macht, schrijft hij in Draaikolk der herinnering. De repressieve organen kunnen hun gang gaan op voorwaarde dat ze de ideologische controle van de partij aanvaarden. Met consequenties voor de burgers die zich een «dubbel denken» eigen moeten maken, omdat ze anders creperen. Jakovlev zelf is daarvan een voorbeeld. Hoewel invalide wordt hij te werk gesteld bij de vakgroep «militair fysieke opleiding» van zijn instituut. Je moet wel gek zijn om dat gek te vinden. Zo’n ongerijmde functie biedt namelijk boter bij de vis. «Boven op het officiële loon van vijftienhonderd roebel was er een pakket in natura van drieduizend roebel. Geen grammen, maar kilogrammen suiker, boter, grutten en vlees: niet alleen gratis maar ook belastingvrij en geen grondslag voor de hoogte van de partijcontributie», aldus Jakovlev.

Generalissimo Stalin is dan begonnen aan zijn laatste en krankzinnigste project: de zuivering van partij en staat van die communisten die in de oorlogsjaren zelf zijn gaan nadenken. Stalin zal sterven in 1953, geen dag te laat, waarna zijn opvolger Nikita Chroesjtsjov het tij begint te keren. Meteen in 1953 krijgt Jakovlev een baantje bij het apparaat van de CPSU aan het Oudeplein in Moskou. Terwijl Chroesjtsjov in 1956 zijn greep op de partij verstevigt met de befaamde «geheime rede» tegen zijn voorganger, krijgt Jakovlev de kans een vervolgopleiding te doen aan de Academie van Sociale Wetenschappen van het Centraal Comité. In 1959 stuurt de partij hem naar het kapitalistische buitenland: Columbia University in New York.

Het bewind van Chroesjtsjov is bepalend voor denken en doen van Jakovlev, en niet alleen het zijne. Voor een hele generatie betekent de politieke «dooi» een grote ommekeer. Velen vestigen als dertigers hun hoop op een superieur én menselijk socialisme. Ze zullen als veertigers allemaal teleurgesteld worden en pas als vijftigers daar consequenties aan verbinden. Een kwestie van «gewenning». «Wij waren typische sovjetmensen, slachtoffers van een geleiachtige maar genadeloze collectivisatie van het bewustzijn. Brezjnev had gelijk toen hij zei dat er een nieuwe gemeenschap van mensen was ontstaan: het sovjetvolk, een volk met een gecollectiviseerd bewustzijn. Stap voor stap ging deze samenvallen met de mening van partij en staat. Als de slavernij voor een mens zich in zijn eigen huis blijkt te bevinden, houdt de mens op zich slaaf te voelen», betoogt Jakovlev later in Draaikolk der herinnering.

Mede daarom zijn het ontslag van Chroesjtsjov in 1964 en de opkomst van Leonid Brezjnev geen reden tot openlijke dissidentie. Van 1965 tot 1973 is Jakovlev adjunct-chef en vervolgens chef van de propaganda-afdeling van het Centraal Comité en promoveert in zijn vrije uren op de geschiedschrijving van de Amerikaanse buitenlanddoctrines. Hij weet dat dissidenten buiten de partij worden opgejaagd naar de gevangenis en de psychiatrische inrichting – een proces dat na 1968 door KGB-chef Joeri Andropov wordt gesystematiseerd. Maar hij blijft loyaal. Want het is «óf meedoen met het systeem óf afzien van een gewoon leven», aldus Jakovlev. «Een compromis met het eigen bewustzijn is de voorwaarde. Onderhandelen is alleen mogelijk op het niveau van dit compromis».

Totdat de nationalistische vleugel van de CPSU zich begint te roeren. In 1972 tart Jakovlev zijn superieur in het Politbureau, Michail Soeslov, in de chique intellectuelenkrant Literatoernaja Gazeta met een artikel «tegen antihistorisme». Trefwoorden: chauvinisme, nationalisme en antisemitisme. Geadresseerden: de weer opgedoken patriotten die zich hebben gegroepeerd in literaire bladen als Oktober en Jonge Garde. Het stuk betekent zijn politieke einde in Moskou. Hij wordt als ambassadeur naar Canada gestuurd.

Die parkeerplaats op afstand illustreert de veranderingen die zich sinds de tijd van Stalin hebben voltrokken. Potentiële uitdagers in de gelederen worden niet langer geliquideerd, maar uitgerangeerd. Iedereen die zich loyaal betoont, krijgt een plekje aan de staatsruif waarvan corruptie meer en meer de dynamiek bepaalt. Voor het overige verandert er weinig. «Stagnatie» en «dementie» worden de trefwoorden: stagnatie van het socialisme, dementie van de voorhoedepartij.

Het resultaat is een maatschappij met een overdaad aan bureaucraten en een tekort aan burgers. Hoe de rekening wordt voldaan, is van geen belang. Tussen 1970 en 1980 is de olieproductie bijna verdubbeld en de gasproductie zelfs verdrievoudigd. De schoorsteen rookt wel. «De sovjetraketten hebben Venus bereikt, maar de aardappels worden in het dorp waar ik woon met de hand gerooid», grapt dissident Andrej Amalrik in zijn essay Haalt de Sovjet-Unie 1984?

Behalve een grap is dat ook een gevaarlijke paradox. Want het land is een stedelijke en hoogopgeleide samenleving geworden. Woonde in 1960 nog 48 procent van de bevolking op het platteland, in 1980 is dat percentage gedaald tot dertig. De gevolgen van de alfabetisering zijn nog ingrijpender. In 1959 had nog maar 36 procent van de beroepsbevolking een voortgezette schoolopleiding genoten, midden jaren tachtig zeventig procent. Een steeds groter deel van de geschoolde bevolking vindt door toedoen van de nomenklatoera echter geen emplooi. Generaties hoogopgeleide burgers zitten gedwongen in de maatschappelijke wachtkamer, de opwaartse druk neemt toe.

De consequenties hiervan onderkent Jakovlev pas tijdens zijn verblijf in de Canadese luwte. In Ottawa, voor Moskou geen bijster belangrijke buitenpost, legt hij een theoretisch fundamentje: hij verdiept zich heimelijk in de breuk tussen communisten en sociaal-democraten aan het begin van de twintigste eeuw. Conclusie: lossere politieke zeden zijn niet per definitie bedreigend voor de macht. Een met harde hand afgedwongen internationale solidariteit speelt juist het nationalisme in de kaart.

In de Sovjet-Unie vragen jonge partijfunctionarissen in de provincie zich ook af hoe de stagnatie kan worden doorbroken, al denken zij vooral in sociaal-economische termen. De gewezen KGB-chef Andropov is hun hardhandige peetvader. En dan lacht het toeval Jakovlev toe. Moskou heeft de jonge partijsecretaris van Stavropol belast met de hoofdpijnportefeuille Landbouw. De man wil Canada bezoeken in de veronderstelling dat de extensieve landbouw daar lijkt op die van de Sovjet-Unie. Andropov, die de pas overleden Brezjnev is opgevolgd, stemt toe op voorwaarde dat de dienstreis niet te lang duurt. In mei 1983 stapt de 52-jarige Michail Gorbatsjov in het toestel naar Canada.

Het is het begin van een ruim twintig jaar durende samenwerking en bij tijd en wijle zelfs vriendschap tussen beiden. Nog hetzelfde jaar keert Jakovlev op voorspraak van Gorbatsjov huiswaarts om directeur te worden van het prestigieuze Instituut voor Wereldeconomie en Internationale Betrekkingen. Binnen twee jaar is hij terug in de politiek. In maart 1985 wordt Gorbatsjov gekozen tot nieuwe secretaris-generaal van de CPSU. Vier maanden later benoemt hij Jakovlev in zijn oude functie als chef propaganda. In februari 1986 wordt Jakovlev lid van het Centraal Comité, een maand later secretaris en in juni 1987 lid van het Politbureau, de communistische Olympus.

Op de keper beschouwd is hij de opvolger van Soeslov. Al gauw zal Gorby de wereld verblinden met Jakovlevs mantra’s «perestrojka» (verbouwing) en «glasnost» (openheid). Ook in eigen land barst een burgerlijk carnaval los. De kampen gaan open, daarna de politieke gevangenissen. Op 19 december 1986 ontketent Gorbatsjov op instigatie van Jakovlev (die uit angst voor de KGB in het geheim opereert en het Politbureau overvalt met zijn plannen) de voorlopige climax. Hij belt kernfysicus Andrej Sacharov, die in ballingschap in Gorki (thans Nizjni Novgorod) leeft, met de mededeling dat hij naar Moskou mag terugkeren.

Ook anderszins is Jakovlev, naar het woord van de Duitse schrijver Hans-Magnus Enzensberger, een «held van de terugtocht». Op een speciale conferentie besluit de CPSU in juni 1988 – indachtig het leninistische motto «alle macht aan de raden», de schijn van continuïteit wordt opgehouden – de verkiezingen voortaan open te stellen voor onafhankelijke kandidaten. In februari 1990 stemt het Centraal Comité in met het schrappen van artikel 6 van de grondwet waarin de «leidende en koersbepalende» rol van de partij is verankerd.

De hand van Jakovlev is onmiskenbaar, maar hij heeft die tevens overspeeld. De CPSU is niet alleen feitelijk, maar ook formeel zijn ideologische monopolie kwijt. Het centrum waar alle verticale draadjes uitkomen, de halve vierkante kilometer tussen Kremlin en Oudeplein, implodeert. De CPSU moet zich nu teweerstellen tegen nieuwe horizontale machten. Er op uit gestuurd door Gorbatsjov reist Jakovlev langs de Warschaupact-hoofdsteden om de «kameraden» te waarschuwen dat de sovjettroepen voortaan in de kazernes zullen blijven wanneer hun burgers op straat komen. De gevolgen blijven niet beperkt tot de buitengrenzen van het «socialistische kamp».

Omdat Jakovlev, anders dan buitenstaanders, toegang heeft tot de geheime archieven, wordt nu ook de historicus in hem wakker. In december 1989 onthult hij in het parlement de geheime appendix van het Molotov-Ribbentroppact uit 1939, het «duivelspact» tussen Stalin en Hitler dat Polen deelde en de Baltische landen onder sovjetbewind bracht. Het blijkt de opmaat tot een grootscheepse revisie van de historiografie. Binnen drie maanden verklaart het Litouwse parlement de sovjetgrondwet ongeldig. In juni verklaart Rusland zich soeverein; Belorus, Armenië, Tadzjikistan, Turkmenistan en Kazachstan volgen. Het oude Rusland is «weer opgestaan». Zijn imperium, de Sovjet-Unie, sterft.

In juli 1990, nadat alle muren en prikkeldraadgrenzen in 1989 zijn neergehaald, houdt de CPSU zijn 28ste congres. Het is niet het congres van één partij, maar van vele. Terwijl voormalig tweede man Ligatsjov in het Kremlinpaleis vurig pleit voor «trouw aan het marxisme-leninisme» en voor klassenstrijd tegen «de krachten die de CPSU energiek bestrijden», roept Jakovlev juist op om de «ruggengraat van het autoritaire organisme te breken» omdat dit anders zijn laatste congres wordt. Hij krijgt gelijk: het 28ste congres is zelfs de facto het laatste van de CPSU.

Jakovlev is meer ideoloog dan machtspoliticus, meer idealist dan econoom. De CPSU is in zijn ogen een meerkoppig wezen met een sociaal-democratisch, een liberaal en een economisch hoofd: «Uit deze slasaus stijgen verschillende geuren op», schrijft hij.

Beneveld begint Gorbatsjov te rommelen door ministers te benoemen die bekend staan om hun orthodoxie terwijl hij zijn medestanders van het eerste uur laat schieten. Op 23 april probeert hij op zijn schreden terug te keren door in een buitenverblijf een akkoord met negen sovjetrepublieken te sluiten dat de Sovjet-Unie als federale staat moet redden. Het mag niet meer baten: wanneer Gorbatsjov op de Krim vakantie houdt, grijpt een Staatscomité voor de Noodtoestand op maandag 19 augustus de macht.

Jakovlev heeft het zien aankomen. In juni heeft de chef van de KGB hem achter gesloten deuren beschuldigd van het ergste misdrijf dat in de Sovjet-Unie denkbaar is: hij zou voor de CIA werken. Gorbatsjov heeft er geen acht op geslagen en evenmin begrepen dat de inlichtingenchef bezig was de geesten rijp te maken. Jakovlev kent de mores wel en voorspelt op zaterdag openlijk wat op maandag zal gebeuren. Het blijkt echter een dronkemansputsch, bedacht door bolsjewieken met trillende handen die nog denken dat je het volk zoet houdt door op tv Het zwanenmeer uit te zenden.

Vier maanden later klinkt het slotakkoord van de Sovjet-Unie. In het tweede weekeinde van december 1991 houden de presidenten Jeltsin (Rusland), Kravtsjoek (Oekraïne) en Sjoesjkevitsj (Wit-Rusland) een geheim beraad in een jachtverblijf bij de Poolse grens. Iemand oppert terloops dat de Sovjet-Unie niet meer bestaat. Eureka. In één etmaal heffen de drie mannen de Sovjet-Unie op. Gorbatsjov neemt op 25 december op tv afscheid van een sovjetvolk dat met ingang van het nieuwe jaar niet meer bestaat. Voordat hij is uitgesproken is de rode vlag op het Kremlin al gestreken.

Het hele jaar heeft Jakovlev harde woorden gesproken over de weifelende Gorbatsjov. Nu dat geen zin meer heeft, blijkt de vriendschap sterker dan de politiek. Jakovlev wordt vice-president van het Gorbatsjov Fonds. Een jaar later benoemt Jeltsin hem tot voorzitter van de Commissie voor Rehabilitatie Slachtoffers Politieke Repressie, een functie waarbij de Nederlandse Ombudsman verbleekt.

Maar als politicus is Jakovlev uitgespeeld. De jaren negentig brengen geen ballingschap, maar een soort innerlijke emigratie omdat de «wilde kapitalisten» rond Jeltsin hem niet kunnen gebruiken. De Sociaal-Democratische Partij die hij in 1995 opricht, is een lachertje in een land waar de zwaargewichten van het bedrijfsleven hun bed niet uitkomen voor een rendement onder de honderd procent.

Jakovlev blijkt ook naïef te zijn geweest. Hij heeft gegokt op twee paarden: op het rechtvaardigheidsbeginsel dat in Rusland sterk is verankerd én op het even diep gewortelde individualisme. Hij hoopte op een nieuw begin, nieuwe idealen, nieuwe mensen. Maar als de stofwolken van Jeltsins privatiseringscampagne zijn opgetrokken, blijkt dat de communisten van vroeger zijn blijven zitten waar ze zaten. Bijna veertig procent van de nieuwe bezittende klasse is afkomstig uit een staatsonderneming of de jeugdbond Komsomol, zestien procent heeft carrière gemaakt in de partij. Het aloude coöptatiesysteem is intact gebleven.

Op straat voedt die continuïteit vooral het ressentiment tegen de nieuwe «oligarchen», tegen de mannen die al in 1996, toen Jeltsin tegen de klippen op vocht voor zijn herverkiezing als president, het «kapitalistische» Politbureau bestierden. Het is in 1993 al voorspeld door historicus Joeri Afanasjev, ooit rector van de hogere partijschool der CPSU en leerling van Jakovlev: «Toen Europa aan het begin van de zestiende eeuw de weg insloeg van secularisatie en zich afwendde van mystiek en tovenarij, is Rusland doorgegaan zich te voeden met een absolute en totale staatswaarheid. We staan nu weer voor die keuze. Maar uitgaande van het feit dat in onze geschiedenis de vrijheid als categorie afwezig is, ben ik niet erg optimistisch, althans niet voor de komende twintig tot dertig jaar. Hyperinflatie, massawerkloosheid, verscherping van de nationale conflicten: dat alles stimuleert dus machtsmisbruik, schending van de wet, zwakke instituties en corruptie.»

Twaalf jaar later komt dat uit. Verontwaardigd over de afstand tussen arm en rijk en over de smadelijke nederlagen in Tsjetsjenië heeft het Russische volk in 2000 een voormalige KGB’er tot president gekozen: Vladimir Poetin, die met ouderwets vocabulaire een «dictatuur van de wet» en de «liquidatie van de oligarchen als klasse» belooft. Dankzij de stijgende olieprijs en 11 september 2001 heeft hij weinig te duchten. De economie groeit en maakt het mogelijk het Westen de rug toe te keren. Rusland wordt weer een centralistische staat.

De meerderheid stemt ermee in. «Gewenning». Na de verkiezingszege in 2003 van Poetins politieke voertuig, de partij Verenigd Rusland, voorziet Jakovlev een «bureaucratische dictatuur». «Vroeger stonden de mensen in de rij voor brood en spulletjes, nu voor uiteenlopende papieren.» Treurig besluit hij: «De regerende partij viert de overwinning. Links is ook blij. Kortom, opnieuw is een verlichte toekomst in aantocht, ook al hebben we die al achter de rug. De geschiedenis wordt een klucht.»

In een van de vele boeken die hij in de jaren negentig schreef, de bundel De bittere beker: Het bolsjewisme en de hervorming van Rusland, verhaalt Jakovlev hoe het zo is gekomen: «Toen in 1991 een nieuwe revolutie werd uitgeroepen, heb ik de jongelui gezegd: wat voor revolutie? Alleen een evolutionair, niet overhaast democratisch proces kan Rusland redden. Nu wordt aangenomen dat economische hervormingen in Rusland alleen mogelijk zijn via een autoritair bewind. Dat is een leugenachtig concept. In die doodlopende straat zaten we al een keer en daarheen worden we nu opnieuw geleid.»

Een late nazaat van de tsaristische graaf Sjeremetjev, al generaties woonachtig in New York, verwoordde het eind jaren negentig van de twintigste eeuw preciezer: «De ontwikkeling van Rusland voltrekt zich altijd van barbarij naar verloedering.»=Aleksandr Jakovlev, 18 oktober 2005.