De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Twee antwoorden op Max Frisch

Een mensloos visioen

In de klimaatmars droeg een tienermeisje een bord met: ‘Red de planeet, gebruik een condoom.’ Nadenken over het voortbestaan van de mensheid leidt tot pijn in de baarmoeder.

Op zoek naar een kerstcadeau voor mijn neefje in een kinderboekhandel blader ik door een kleurrijk prentenboek. Over het stevige papier marcheert een lange stoet dieren: nijlpaard, neushoorn, olifant, allemaal op zoek naar een plekje voor de nacht. Het verhaal is niet opzienbarend, maar op de allerlaatste pagina, bij het colofon, staat in kleine letters: ‘Met sommige van de dieren uit dit boek gaat het niet zo goed. Ze worden met uitsterven bedreigd.’

Blijkbaar voelde de auteur de behoefte om zich in te dekken, voor het geval zijn jonge publiek zich straks, bij het betreden van de echte wereld, al te zeer bedrogen voelt. Ik zou er inderdaad geen geld om verwedden dat er op mijn neefjes achttiende nog neushoorns zijn.

In mijn eigen jeugd ging het met de dieren ook al niet zo best, maar toen werd De mooiste vis van de zee niet vergezeld van waarschuwingen rond overbevissing. Misschien zijn we eindelijk op weg naar zelfinzicht; misschien begint de mens in te zien dat elke andere soort beter af zou zijn zonder ons, honden en goudvissen daargelaten.

Staand in die boekhandel verdween ik even in een dagdroom van de wereld zonder de mens. Enkele honderdduizenden jaren na ons uitsterven heeft de planeet een nieuw klimaatevenwicht gevonden. De aarde is opnieuw een intens groene wereld – of misschien zijn de planten wit, om beter met het hete zonlicht om te gaan – bevolkt door allerhande dieren die even wonderlijk en veelvormig zijn als die van nu, al zijn ze ditmaal beter toegerust voor de warmte, en voor de brokstukken van het Antropoceen. Weekdieren gebruiken onverwoestbaar menselijk afval als schild, en ’s nachts glinstert het van fluorescerende insecten, die een manier hebben gevonden om energie te putten uit nucleair materiaal.

Het is een troostrijk plaatje, en je zou er een prachtig prentenboek over kunnen maken. Maar wat zeg je tegen het kind aan wie je dit boek geeft? Lees je die ook voor uit het colofon, waar een disclaimer staat met de strekking: ‘De wereld in dit boek duurt helaas nog even. Eerst gaan we allemaal pijnlijk en langzaam ten onder?’

Frisch’ vraag, of het voortbestaan van de mensheid me interesseert, berust op een perspectief dat onmenselijk is. Als ik een telescoop neem en mijn blik honderden millennia verder scherpstel, kan ik goed leven met het idee dat er geen mensen meer bestaan. Ik vind het in die fantasie best jammer dat het menselijke web van betekenis definitief is ontrafeld, maar echt verdrietig maakt het me niet.

Dat telescopische perspectief is echter niet vol te houden. Ik moet verder met mijn dagelijks leven, cadeaus uitzoeken in een kinderboekhandel. Zodra ik de telescoop laat zakken, krijgt Frisch’ vraag een heel andere lading. Ineens raakt het uitsterven van de mensheid me midscheeps, omdat ik me niet langer het resultaat voorstel, maar de weg erheen. Ruim de helft van de wereldbevolking is jonger dan dertig jaar. Als ik me bij die enorme hoeveelheid jonge mensen ook maar één gezicht voorstel – bijvoorbeeld dat van mijn neefje – en de ellende oplepel waar wij en volgende generaties volgens de huidige wetenschap doorheen zullen moeten – ja, dan interesseert me dat, Herr Frisch.

In september van dit jaar neem ik deel aan de klimaatmars in Den Haag. Met 35.000 anderen marcheer ik langs de Hofvijver, die er rimpelloos bij ligt. Er zijn kinderen met zelfgeknutselde aardbollen, beplakt met likkende vlammen van oranje karton. ‘Ik wil ook natuur’, zegt het protestbord van een van hen.

Een tienermeisje, dat een spandoek vasthoudt waarop staat: ‘Red mijn toekomst, word veganist’, wordt toegeblaft door een man van middelbare leeftijd, die langs de kant van de weg staat te kijken en al dat veganisme niet kan aanzien. ‘Mijn kinderen hebben recht op vlees!’ schreeuwt hij. ‘Ik werk keihard om elke dag vlees op tafel te zetten!’ Kinderen hebben recht op het behoud van de planeet. Of kinderen hebben recht op elke dag vlees. Beide standpunten komen voort uit de wens om te zorgen, maar vanuit een totaal ander perspectief. Het meisje wil zorgen voor de planeet, in de toekomst; de man voor zijn kinderen, nu. De eerste stelling hanteert de lange lens van de jeugd en van het idealisme; de tweede vloeit voort uit een nauwer, meer gefocust medeleven.

Ik vraag me af of deze kleine scène kan helpen verklaren waarom de gemiddelde leeftijd van de demonstranten zo ver onder de dertig ligt. Natuurlijk, jongeren nemen makkelijker een vrijdagmiddag vrij. Ze weten dat ze nog een leven lang te maken krijgen met de crisis. Maar daarnaast lijken zij schijnbaar moeiteloos een soort empathie op te brengen voor de hele planeet – voor dieren, planten, mensen, hier en elders. Alsof hun medeleven zich nog ongehinderd beweegt door de ijle lucht van ongeteste idealen, en niet wordt gebonden door een soort zwaartekracht die mettertijd toeneemt. Hun medeleven neigt zich nog niet te vernauwen tot één of enkele anderen. Onder geld of tijdsdruk lijkt empathie zich te verengen, of eerder te botsen op een onbuigzame realiteit. En geen realiteit lijkt daarin zo effectief als die van een pasgeborene.

Geconfronteerd met een zuigeling focust de zorgzaamheid zich tot een brandpunt van zo’n vijftig centimeter lang. Belegerd door de honger, huilaanvallen en poepkanonnades van een baby heb ik zelfs de meest overtuigde ecostrijder haar handen zien aftrekken van de planeet om in godsnaam eerst maar dat kind stil te krijgen. Een idealistische OV-gebruiker heeft, nu ze een tweeling verwacht, toch maar een gezinswagen voor de deur gezet. Een ander, die altijd weigerde om in plastic verpakte groenten te kopen en – vanuit hetzelfde doel om geen afval te genereren – ooit het voornemen had om uitwasbare luiers te gebruiken, is al snel voor de pampers gezwicht. Meer rommel voor de wereld, misschien, maar minder shit voor háár.

Na ons de zondvloed?

De Zwitserse schrijver Max Frisch (1911-1991) stelde in zijn dagboek essentiële vragen over liefde en hoop, leven en dood, de ‘schwierige Frage’. Aan schrijvers Oek de Jong en Bregje Hofstede legden we een van deze vragen voor: ‘Weet u zeker dat het voortbestaan van het menselijk ras, wanneer u en iedereen die u kent er niet meer is, u echt interesseert?’ Lees hier het antwoord van Oek de Jong.

Onlangs werd mij tijdens een interview pardoes gevraagd of ik kinderen wilde. Toen ik die vraag afwimpelde, voegde de interviewster toe dat kinderloze vrouwen in haar ervaring toch altijd een beetje onvolwassen bleven: ‘Minder verantwoordelijk, weet je wel.’ Het idee dat kinderlijkheid een estafettestokje is, waar je (als vrouw) alleen vanaf komt als je het, en het daaruit voortvloeiende cliché van de onverantwoordelijke kinderloze, zijn onderwerp van de essaybundel Selfish, Shallow, and Self-Absorbed. Dertien schrijvers lichten hun beslissing toe om geen kinderen te krijgen. Veel van hen keren zich tegen het oordeel uit de titel. Ze benadrukken dat zij wel degelijk zorgzaam zijn, maar dat ze hun zorgzaamheid breder definiëren. Voorbij de bloedbanden. Het meest verantwoordelijke ouderschap van nu, schrijft een van hen, is misschien wel de kinderloosheid. We zijn al met zoveel, en in het huidige systeem is iedere nieuwe mens, met name in het Westen, onherroepelijk een vervuiler die de ondergang van alle anderen bespoedigt.

In de klimaatmars droeg een tienermeisje met blauwgeverfd haar een bord met de tekst: ‘Red de planeet, gebruik een condoom.’ Is voortplanting vandaag een moedwillige middelvinger naar moeder aarde? Of kan ouderschap je juist ook méér verbinden met het lot van de planeet? Tegenover de impuls van ‘eigen bloed eerst’ die ik zo-even schetste, staat immers het feit dat je als ouder ineens een stuk meer skin in the game hebt. Als je ooit dacht: na mij de zondvloed, ik boek nog een retourtje Bali, dan dwingt een kind je wellicht tot andere gedachten. Als je een kind verwacht, gaat de toekomst niet langer alleen over jou en wie je kent, maar ook over mensen die je nog niet kent. Het wezentje in je buik bijvoorbeeld, dat, als het een meisje is, ter wereld zal komen met een volledige set eicellen, die weer nieuwe mensen kunnen worden. Dat jij die mensen nog niet kent, maakt niet uit. Je belichaamt generaties. Jouw navel zat ooit met een touwtje vast; achter jouw navel groeit die streng nu, onzichtbaar, die weer door, en wie weet hoe ver dat koord de toekomst in reikt.

Behalve de jeugd is er nog een groep die bovengemiddeld maalt om het milieu: de vrouw. Gevraagd of klimaatverandering een ‘serieus probleem’ is, zegt 83 procent van de Amerikaanse vrouwen ‘ja’, tegenover 66 procent van de mannen. In Duitsland gelooft 67 procent van de vrouwen dat klimaatverandering hen persoonlijk zal raken, tegenover 52 procent van de mannen. In een onderzoek van het Pew Research Centre uit 2015 blijft dat genderverschil in alle onderzochte Westerse landen overeind.

Misschien is de vrouw zo vaak met ‘De Natuur’ gelijkgesteld dat ze zich van lieverlee om haar is gaan bekommeren. Maar ik vraag me ook af of het bezit van een orgaan dat puur en alleen gericht is op het voortzetten van de soort een bepaald toekomstbewustzijn afsmeekt. Mijn eigen onderbuik wijst me regelmatig met enig spektakel op het feit dat ik me zou kunnen voortplanten. Weigering wordt rood onderstreept. Mijn baarmoeder confronteert me telkens met de vraag: knoop ik de strengen aan elkaar? Verbind ik mijn lot met dat van de soort, of stopt het hier? Het maakt Frisch’ veel te abstracte vraag concreet. Wat voel ik als ik nadenk over het voortbestaan van de mensheid? Felle buikpijn.

Wanneer de klimaatcrisis me hopeloos lijkt, bevolk ik mijn toekomstbeeld niet met een kind. In plaats daarvan roep ik het groene, bloeiende visioen op van de wereld ná de mens, waarmee dit stuk begon. Dat is bedoeld als troost. Zoals anderen zich hun geliefden voorstellen in het hiernamaals, zo stel ik me de aarde voor in een andere, vredige dimensie. Het grote verschil zijn natuurlijk die geliefden. Waar zijn die? Wat hebben die te maken met het troostrijke plaatje? Helemaal niets.

Pas sinds Frisch’ schwierige Frage begrijp ik dat mijn strategie berust op depersonalisatie, een term uit de psychologie. Het wil zeggen dat je je mentaal losmaakt van je omgeving, vooral van de mensen in je omgeving, en in gedachten verdwijnt naar een andere tijd of plaats. Het lijkt alsof je niets meer te maken hebt met wat er om je heen gebeurt. Je ontkoppelt jezelf. Waarom? Omdat je bang bent. Depersonalisatie is een klassiek symptoom van een paniekaanval. Mijn mensloos groene visioen wordt er een stuk minder geruststellend door. Ook de hooghartige onmenselijkheid van Frisch’ schwierige Frage wordt ineens begrijpelijk. Misschien diende zijn gedachte-experiment ook wel als afleiding van een wereld waarin elk kinderboek vergezeld zou kunnen gaan van een waarschuwing voor de werkelijkheid. Misschien was hij ook in paniek.


Van Bregje Hofstede verschenen onder andere de essaybundel De herontdekking van het lichaam: Over de burn-out (2016) en de roman Drift (2018)