Excessen in Indonesië & de publieke opinie (1969-2019)

Een mentale dekolonisatie

Of het nu gaat om een doofpot, een taboe of de sterke veteranenlobby: Nederland kan nog steeds niet voluit erkennen dat het zich in Indonesië meer dan incidenteel misdadig heeft gedragen. Het blijft wachten op excuses.

Een marinier maakt een dreigende beweging met zijn geweerkolf bij de ondervraging van een groepje gevangen genomen TNI-strijders. Omgeving Soerabaja, Oost-Java, 1946 © Hugo Wilmar (mariniersbrigade) / NIMH

Sinds lang geniet sportpsycholoog Joop Hueting de faam in 1969 als eerste openlijk gesproken te hebben over de door Nederland gepleegde misdaden tijdens de politionele acties in Indonesië. Die faam is onterecht. Vanaf het allereerste moment is over de misdaden ten tijde van de politionele acties zoveel naar buiten gekomen dat eenieder die wilde weten kon weten. Ook was al lang bekend dat het om meer dan een paar uitwassen ging. Een en ander viel met zoveel woorden te lezen in een rapport dat eind augustus 1954 aan het kabinet werd aangeboden en zoals gewoonlijk naar zijn makers werd genoemd: het rapport van Stam en Van Rij. Maar dit rapport belandde in een la omdat de ministerraad bij meerderheid meende dat het onverstandig was de gruwelen op te rakelen. Daar legde zo goed als iedereen zich bij neer. De wederopbouw was in volle gang. Men had andere zaken aan het hoofd. Bovendien waren de verhoudingen met voormalig Nederlands-Indië, met name met Nieuw-Guinea, niet uitgekristalliseerd. Oogjes dicht en snaveltjes toe leek de beste strategie.

Joop Hueting, oud-soldaat en op dat moment student, was een van de weinigen die hiermee, althans publiekelijk, geen genoegen namen. Om die reden bood hij in 1956 een stuk aan bij Propria Cures. Het blad nam het niet op, het had net een rel achter de rug over een andere Indonesische kwestie. Vervolgens nam Hueting contact op met Het Parool en de NRC, in dit laatste geval met de nestor van de toenmalige journalistiek Maarten Rooij. Rooij reageerde afhoudend. Uit eigen ervaring wist hij, aldus een brief aan Hueting, ‘dat van de zijde van de legerleiding dergelijke wreedheden steeds werden onderzocht en de betrokkenen ook zijn gestraft’. En verder: ‘Ik heb vroeger ook wel verhalen daaromtrent vernomen, doch wanneer men dan bij de briefschrijvers navraag deed, bleken de gegevens heel weinig geschikt voor publicatie. Meestal waren zij uit een tweede of derde hand.’

Hiermee leek ook voor Hueting de kous af. Zo komt het dat het meer dan tien jaar duurde tot de zaak eigenlijk als bij toeval opnieuw aan het licht kwam. Hueting promoveerde in 1968 op een onderwerp dat hem tot specialist maakte op een actueel thema: doping. Om die reden werd hij bezocht door Volkskrant-journalist Martin Ruyter aan wie hij terloops ook zijn andere verhaal deed – helemaal toevallig was dat niet, want een van de stellingen bij Huetings proefschrift ging over de politionele acties. Ruyter onthield dit verhaal, bezocht Hueting eind 1968 nogmaals en publiceerde ter herdenking van twintig jaar (tweede) politionele actie op 19 december een stuk onder de provocatieve titel ‘En jullie schieten op alles wat beweegt’. Het was dit stuk dat Herman Wigbold van het Vara-programma Achter het nieuws tot een uitzending deed besluiten. Deze uitzending op haar beurt deed half Nederland op de achterste benen staan en was aanleiding tot een onderzoek van regeringswege, de gewraakte Excessennota.

De Excessennota verscheen veel te snel . De eerste uitzending (er volgden er meer) van Achter het nieuws dateert van 17 januari 1969, de nota werd vier maanden later, op 23 mei, voor het eerst in de ministerraad en begin juli in de Kamer besproken. Terwijl dit tempo destijds door sommigen al dwaas werd gevonden, kan het bij nader inzien niet anders dan onverantwoord worden genoemd. Maar het kabinet had haast. Met de hete adem van de protesten tegen de Vietnamoorlog in de nek en de moeizame betrekkingen met Indonesië voor ogen werd het gedoe rond Hueting als lastig ervaren. Daarom ook werd besloten het onderzoek in eigen hand te houden – het zou verricht worden door ambtenaren, niet door onafhankelijke historici. De uitkomst was ernaar.

In een schrijven aan de Kamer had premier Piet de Jong, oud- duikbootkapitein en dus bekend met geweldsperikelen, op 29 januari al een voorschot genomen op de conclusie en gesteld dat de troepenmacht zich als geheel correct had gedragen, dat van systematische wreedheid geen sprake was geweest, maar dat er inderdaad nog wel wat vragen waren over de mate waarin de excessen zich hadden voorgedaan en de wijze waarop daartegen opgetreden was. Het zal gezien de snelheid van het onderzoek en het ambtelijke kader van de onderzoekscommissie niet verbazen dat deze mening door de nota werd bevestigd: op enkele uitzonderingen na zouden slechts excessen, geen oorlogsmisdaden hebben plaatsgevonden terwijl van structureel geweld zeker geen sprake was geweest. De Kamer legde zich hierbij neer.

Vervolgens duurde het opnieuw een kleine twintig jaar tot de kwestie ten derden male voor publieke beroering zorgde, namelijk naar aanleiding van de uitgelekte concepttekst van deel 12 van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van Loe de Jong. Maar voor het zo ver kwam, was in kleine kring al weer zoveel gebeurd dat een oplettend onderzoeker zonder al te veel moeite elk moment de deksel van de pot had kunnen lichten. Zo waren er om te beginnen de talloze reacties naar aanleiding van de uitzendingen van Achter het nieuws: artikelen, brieven aan de redactie, ingezonden brieven aan zo goed als alle kranten, interviews en meer.

Hetzelfde geldt voor de (weinige) boeken die in het verlengde van de beroering rond Hueting verschenen. Hieronder Soldaatje spelen onder de smaragden gordel van Jan Schilt en Soldaat in Indië: De geschiedenis van een peloton van de latere archivaris van het Niod, Jacob Zwaan. Beide boeken verschenen nog in 1969 en laten her en der weinig aan de verbeelding over. Hetzelfde geldt voor de enkele jaren later gepubliceerde roman van Jan Wolkers, De walgvogel, die zich gedeeltelijk in het Indonesië van de politionele acties afspeelt.

Belangrijker is Ontsporing van geweld dat socioloog Jacques van Doorn en Wim Hendrix in 1970 publiceerden maar twintig jaar eerder al grotendeels hadden geschreven. Conclusie van het boek is dat geweld inherent was aan de toenmalige situatie, zoals de ontkenning daarvan inherent was aan de Nederlandse cultuur. Behalve in kleine kring werden boek en boodschap destijds nauwelijks opgemerkt. Dat geldt ook voor de eerder genoemde boeken, De walgvogel om literaire redenen uitgezonderd.

Ondertussen verscheen ook een bronnenuitgave van de gebeurtenissen: Officiële bescheiden betreffende de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1950. Het eerste deel ervan dateert uit 1971 terwijl de gehele publicatie uiteindelijk twintig delen zou omvatten, vijftienduizend pagina’s besloeg en in 1994 werd afgesloten. Jaartallen en cijfers dwingen welhaast tot een vergelijking met de bijna gelijktijdig gepubliceerde (1969-1991) en net iets omvangrijkere (zestienduizend pagina’s) serie die de oorlog op vaderlandse bodem tot onderwerp had, Het Koninkrijk van Loe de Jong. Ondanks overeenkomsten zijn het toch vooral de verschillen tussen de twee publicaties die opvallen. Het Koninkrijk kreeg onvoorstelbaar veel aandacht, de Nederlands-Indonesische bescheiden werden slechts bij een handjevol specialisten bekend. Het Koninkrijk is een verhaal met een visie, de bescheiden zijn niet meer dan documenten.

***

De geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog zoals vastgelegd in Het Koninkrijk werd meteen na afloop van de gebeurtenissen ter hand genomen – door de oprichting van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod), diverse bronnenverzamelingen, opdracht tot geschiedschrijving, een parlementaire enquête en meer. De geschiedenis van de Nederlands-Indonesische betrekkingen of, beter gezegd, van de Indonesische oorlog met Nederland (of andersom) werd nadrukkelijk steeds weer onder het tapijt gemoffeld. Niettemin kreeg in 1960 één man de opdracht materiaal te verzamelen. Die ene man, oud-resident van Bali en Lombok M. Boon, werd wel aan geheimhouding gebonden. Nadat Boon in 1966 overleden was, werd in kleine kring druk uitgeoefend om het door hem verzamelde materiaal openbaar te maken. Het kabinet aarzelde, besloot in 1968 (Vietnam) dat er echt iets moest gebeuren maar… Aan het getouwtrek kwam een einde door de beroering na het optreden van Hueting. Nu vatte een commissie de koe bij de horens. Maar haar opdracht luidde nadrukkelijk: bronnenuitgave, geen geschiedschrijving.

‘Er behoort een stilzwijgende consensus over te bestaan dat men voor het eigen land geen lichtere maatstaven zal aanleggen dan voor een ander’

Hoe marginaal ook, het was deze bronnenuitgave die de pijnlijke gebeurtenissen af en toe aan het licht bracht. Helaas ging het daarbij bijna altijd over Raymond Westerling en de op dat moment al goed bekende Zuid-Celebes-affaire. Sinds lang was bekend en werd in grote kring ook erkend dat Nederlandse troepen onder leiding van kapitein Westerling tussen december 1946 en februari 1947 in het zuiden van Sulawesi onder de noemer contraguerrilla vreselijk hadden huisgehouden. Bij nader inzien is echter onmiskenbaar dat concentratie op deze en eventueel nog een enkele andere affaire (Bondowoso, de dood van 46 gevangenen door verstikking; Rawagede, 430 executies op West-Java) de gedachte versterkte dat het tijdens de politionele acties verder over het algemeen goed was gegaan.

En zelfs die enkele gevallen werden genuanceerd. Bijvoorbeeld toen in 1982 een Nederlandse editie verscheen van een oorspronkelijk Frans boek over Westerling. In de media (NRC Handelsblad, Tros Aktua) werd hierover gesproken in termen die rechtstreeks aan de hoofdpersoon zelf waren ontleend: eventuele executies betroffen criminele elementen en dienden geen ander doel dan bescherming van de bevolking. Om het te zeggen in de woorden van een man die in 1984 over diezelfde Zuid-Celebes-affaire een kritische studie publiceerde, Willem IJzereef: ‘De pers bleek in deze kwestie sterk afhankelijk van de overheid… De discussies die in de dagbladen en voor de televisie op gang werden gebracht, zijn vrijwel allemaal spoedig verstomd… Van “klaarheid” over de vermeende oorlogsmisdaden is nog altijd geen sprake.’

Dit leek dus wederom te veranderen toen Loe de Jong zijn Epiloog bij Het Koninkrijk wilde publiceren en daarin de term ‘oorlogsmisdrijven’ gebruikte. Nadat de tekst van het betreffende hoofdstuk 7 (‘De worsteling met de Republiek Indonesië’) eind 1987 uitgelekt was, bleken de rapen gaar en volgden maanden van opwinding in zowel de media als de meeleescommissie. Het resultaat was dat De Jong met een nieuwe versie kwam die heel wat minder scherp en soms zelfs licht vergoelijkend was. De omslag wordt gesymboliseerd door de vervanging van het begrip oorlogsmisdrijven door, daar heb je het weer, excessen. Aldus werd de zaak voor de derde keer in der minne geschikt.

Maar gaat het hier om een doofpot of om een taboe? Aldus de vraag die Stef Scagliola zich in haar proefschrift over de verwerking van de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië stelt. Hoewel het verschil tussen een en ander niet geheel duidelijk is en het antwoord niet eenduidig neigt Scagliola naar het laatste: taboe. Het was niet alleen dat men over de gebeurtenissen in Indonesië niet wílde spreken, men kón er ook niet over spreken omdat men zich de ernst ervan niet kon voorstellen. Spreken, de zaken bij hun naam noemen, betekende wellicht ontkenning van een van de belangrijkste pijlers van de naoorlogse Nederlandse cultuur. Om het te zeggen in de woorden van een briefschrijver in Het Vrije Volk van 26 november 1969, naar aanleiding van de affaire-Hueting: Nederland was een eiland van rechtschapenheid in een verdorven wereld. Alleen al de gedachte dat het niet zo zou zijn, was eind jaren tachtig een stap te ver. Nederlands gidsland, toch?

***
Een executie in voormalig Nederlands-Indië. Foto’s uit een privé-album van een soldaat uit Enschede die in 1947 naar Nederlands-Indië werd uitgezonden. Het album werd gevonden in een vuilcontainer in 2012 en toen voor het eerst gepubliceerd in de Volkskrant. Omgeving Soerabaja, Oost-Java, 1946 © Vincent Jannink / ANP

Naast doofpot en taboe speelde ook lobby een rol. Dit laatste werd met name begin jaren negentig duidelijk, eerst naar aanleiding van een aanklacht tegen Graa Boomsma, vervolgens naar aanleiding van een politieke rel rond Jan (bekend als Poncke) Princen. Schrijver en dichter Graa Boomsma was vanaf jonge leeftijd geïnteresseerd in de naoorlogse gebeurtenissen in Indonesië. Begrijpelijk, zijn vader was er geweest. Daarom schreef hij samen met Lodewijk de Boer begin jaren tachtig de tekst van het muziektheaterstuk Wolkbreuk, gebaseerd op politieke aspecten in het werk van Jan Wolkers en met de politionele acties als een van de onderwerpen. In 1986 kwam hij met de roman De idioot van de geschiedenis, in 1992 omgewerkt tot De laatste tyfoon. Het was deze laatste publicatie en dan in het bijzonder een uitspraak van Boomsma in het Nieuwsblad van het Noorden die de woede van een gewezen militair opwekte en tot een proces leidde.

Het is de moeite waard die uitspraak nog eens te citeren omdat hij, zoals Martin van Amerongen destijds terecht in De Groene opmerkte, eigenlijk heel genuanceerd is, zij het, vermoedelijk onbedoeld, ook slim-retorisch. Er wordt immers in gezegd dat Nederlandse soldaten geen SS’ers waren, waarmee de vergelijking tegelijkertijd wordt ontkend én gemaakt. Boomsma zei: ‘Kort na de oorlog schreven de communisten: “Maak van onze jongens geen SS’ers.” Ik denk dat dat weerspiegelt wat er aan de hand was. Ze waren geen SS’ers, nee, ook al konden ze door de dingen die ze deden er wel degelijk mee vergeleken worden. Maar ze werden ertoe gedreven. Schoten ze niet, dan liepen ze de kans door een meerdere te worden neergeschoten. Befehl ist Befehl, de ondergeschiktheid is de ziel van de militaire dienst.’

Een waarheid als een koe, zouden wij nu zeggen, maar daar werd een kwart eeuw geleden toch anders over gedacht. Opmerkelijk is nog niet zozeer dat Boomsma werd aangeklaagd, opmerkelijk is dat het Openbaar Ministerie op de aanklacht inging – en dat niet alleen: dat het Boomsma bij monde van de advocaat-generaal bij het Leeuwarder Hof behoorlijk de oren waste en daarbij onder meer van ‘onze jongens’ sprak. Hierbij moet overigens wel aangetekend worden dat degene die dat deed een oud-militair was, terwijl ook zijn baas connecties met het leger had.

Uiteindelijk liep het allemaal met een sisser af en werd Boomsma vrijgesproken, maar voor beroering zorgde het wel, ook bij degenen die het met Boomsma eens waren. Zoals de man die ‘met een door tranen verstikte stem’ het Nieuwsblad van het Noorden (28 mei 1994) belde en vertelde dat het allemaal nog veel erger was geweest. ‘Ze deden vaak een spelletje, dan schoten ze zoveel mogelijk mensen kapot, met als inzet een kratje bier.’ De man kende talloze van dergelijke verhalen, met naam en toenaam, maar durfde ze niet in de openbaarheid te brengen, ‘dan is ons leven daarna niet meer zeker’.

Lobby dus. Machtspolitiek. Groepsdruk. Terwijl deze in de kwestie-Boomsma vooral afkomstig was van het niet meer bestaande rechts-conservatieve Oud-Strijders Legioen, was het in het geval van Poncke Princen vooral De Telegraaf die de strijdbijl zwaaide. Inzet hierbij was niet het Nederlandse optreden in Indonesië, maar waren juist degenen die geweigerd hadden daaraan mee te doen. Onder die dienstweigeraars waren er duizenden die al vóór vertrek afhaakten. Ze werden destijds door het Hoog Militair Gerechtshof hard aangepakt en keerden pas in de loop van de jaren vijftig terug in de samenleving – om vervolgens te zwijgen tot eind jaren tachtig, begin jaren negentig de politieke wind draaide. Maar de mannen waren toen veelal te oud om nog écht van zich te doen spreken.

‘Ze deden vaak een spelletje, dan schoten ze zoveel mogelijk mensen kapot, met als inzet een kratje bier’

Anders verging het het veel kleinere aantal Nederlandse soldaten dat zich wel liet uitzenden maar, eenmaal ter plekke, deserteerde. Zij riepen niet alleen de woede van het militaire gezag maar ook die van hun kompanen over zich af. Matennaaiers werden zij genoemd. De bekendste van hen is Poncke Princen. Hij deserteerde niet alleen maar liep ook over, werd Indonesisch staatsburger, was actief in de politiek van zijn nieuwe vaderland, zat zelfs in het parlement en werkte voor mensenrechtenorganisaties.

De publicatie van zijn autobiografie in 1989 en vooral zijn visumaanvraag in 1993 brachten Princen midden in het nieuws. Daarbij werd hij door een groot deel van zijn voormalige makkers opnieuw van landverraad en oorlogsmisdaad beschuldigd – over zijn optreden aan de andere kant van de militaire lijn deden bizarre verhalen de ronde. Maar tegelijkertijd (en dat tekent het veranderend klimaat) verkondigde een groeiend aantal mensen begrip te hebben voor de man en zijn daden. De verandering weerspiegelde zich ook in het parlement waar met name GroenLinks zich voor Princen inzette. De partij werd hierin gesteund door het Riod, de Vereniging Dienstweigeraars en tal van individuele personen. Weliswaar bleef een meerderheid van de Kamer tegen visumverlening, maar de stemmen lagen verdeeld. Zelfs de verantwoordelijke cda-minister Pieter Kooijmans sprak zijn waardering uit voor Poncke Princen.

Ondertussen was er een maatschappelijke discussie over ’s mans optreden op gang gekomen. Deze werd verhevigd toen bekend werd dat een zware parlementaire delegatie Indonesië zou bezoeken en Princen zou ontmoeten. Toen vervolgens minister Kooijmans eveneens een ontmoeting met hem had, leek de wereld te klein – althans die van de veteranen en hun spreekbuis, De Telegraaf. De krant publiceerde tussen 1993 en 1995 talloze artikelen over Princen en koos hierbij telkens partij vóór de veteranen. Andere kranten, met name Trouw, deden hetzelfde maar dan vanuit een tegenovergestelde optiek.

Maar er viel ook steeds vaker te beluisteren dat Princen het bij het rechte eind zou hebben gehad. Hij zou al vroeg gezien hebben dat Nederland ten aanzien van Nederlands-Indië onjuist gehandeld had. Resultaat was dat de afvallige eind 1994 inderdaad een visum kreeg. Weliswaar was hiervoor in de Kamer nog steeds geen meerderheid, maar de opvolger van Kooijmans, Hans van Mierlo, legde het oordeel naast zich neer. Princen zou de media vervolgens wekenlang intensief en in de komende jaren nog vaak bezighouden. ‘Het koloniale verleden staat op een gespannen voet met ons nationale zelfbeeld’, merkte een kritisch observator (Vincent Houben in Ons Erfdeel, 1996) op. ‘Het wordt tijd om het beeld dat opdoemt uit de koloniale geschiedenis in te passen in ons nationaal identiteitsbesef. Er is noch plaats voor zelfgenoegzaamheid noch voor overdreven zondebesef. We waren en zijn niet beter maar ook niet slechter dan de ons omringende volken. Voor sommigen betekent dit een ontgoocheling, voor anderen misschien een troostrijke gedachte.’ Nodig was, aldus de slotconclusie, ‘een mentale dekolonisatie’.

***

Precies ditzelfde werd sinds geruime tijd beweerd door Rudy Kousbroek, in zijn aanhoudende strijd tegen wat hij ‘de grote Indische geschiedvervalsing’ noemde. Volgens Kousbroek ging die geschiedvervalsing alle kanten op. Zij betrof zowel de ontkenning van de vreselijkheden in de koloniale tijd als een overdrijving van wat zich in de jappenkampen (Jeroen Brouwers!) had afgespeeld. Ook zag Kousbroek een directe relatie tussen deze, wat hij noemde, ‘leugens’ en de leugens en lobby’s naar aanleiding van de politionele acties. ‘De sterfte en de mishandelingen aan de Birma- en Pakanbaroe-spoorweg hebben we tot de kleinste details uitgezocht’, schreef hij in 1986 naar aanleiding van het zogenoemde Rhemrev-rapport over misstanden op Java rond het jaar 1900, ‘maar over al deze door onszelf vermoorde en omgekomen Indonesiërs maakt niemand zich ooit druk.’ Precies hetzelfde zou volgens Kousbroek over de Nederlandse politionele acties gezegd moeten worden. ‘Ga naar De Slegte’, schreef hij in 1994, ‘en vind een boek waarin uit de doeken wordt gedaan welke compliciteiten op hoog niveau hebben verhinderd dat kapitein Westerling in Nederland terecht heeft moeten staan voor oorlogsmisdaden. Zo’n boek is er niet, niet bij De Slegte en ook niet in de onmetelijke wereld daarbuiten.’

Kousbroek ergerde zich mateloos aan de veteranenlobby en aan de aanhoudende zwartmakerij van Poncke Princen. Vandaar dat hij in plaats van taboe liever van doofpot sprak. Die doofpot bracht met zich mee dat in de geschiedschrijving van Nederlands-Indië steevast met twee maten werd gemeten. Hiermee werd het verleden onrecht aangedaan en de eigen cultuur overmatig geprezen. ‘Ik ben van mening dat in een beschaafd land de neiging zichzelf gunstig af te schilderen onderkend behoort te worden’, schreef hij al in 1988 in een essay waarin hij alle verdraaiingen met betrekking tot het Indonesische verleden op een rijtje zette. ‘Er behoort een stilzwijgende consensus over te bestaan dat men voor het eigen land geen lichtere maatstaven zal aanleggen dan voor een ander. Geschiedschrijving zal zich niet bezighouden met het verzamelen van alibi’s en complimenten. Het verdonkeremanen of onder zich houden van ongunstige informatie over onszelf is niet respectabel.’

Vanaf de tweede helft van de jaren negentig kregen dergelijke gedachten het tij mee. Dit kwam aanvankelijk echter niet zozeer door een veranderende opinie over de gebeurtenissen in Indonesië als wel door nieuwe inzichten met betrekking tot de oorlog op eigen bodem: door onthullingen over naoorlogs antisemitisme en gesjoemel met joodse goederen, door kritiek op de overdreven ophemeling van het verzetsverleden en door een te stellige ontkenning van de opportunistische opstelling van een groot deel van de bevolking tijdens de oorlog. Voeg hierbij de actualiteit van Srebrenica, het langzaam verdwijnen van de generatie die ‘het’ had meegemaakt, de toenemende multiculturaliteit van Nederland en de groeiende belangstelling voor alles wat met slachtoffers te maken had en het wordt begrijpelijk dat er een ander klimaat was ontstaan – een klimaat waarin meer oog was voor de schaduwzijden van de Nederlandse geschiedenis en dus ook voor misstanden ten tijde van de politionele acties.

Dat Indonesische kwesties nog altijd problematisch lagen, bleek voortdurend. Bijvoorbeeld uit twee gebeurtenissen in 1995, het door Srebrenica voor de Nederlandse geschiedenis zo cruciale jaar. Het bezoek van Beatrix in dit jaar aan Indonesië werd bewust uitgesteld tot enkele dagen na 17 augustus, de dag dat Soekarno in 1945 de Indonesische Republiek had uitgeroepen. Officieel was deze datum door Nederland nooit erkend, erkend werd de Indonesische onafhankelijkheid van 27 december 1949, de datum van de soevereiniteitsoverdracht. In overeenstemming hiermee gingen de woorden die tijdens dat bezoek gesproken werden als op kousenvoeten.

Een verleden dat niet meteen onder ogen wordt gezien gaat etteren, en een wond is erg, maar een etterende wond is erger

Tegelijkertijd vond een gebeurtenis plaats die de andere kant van de zaak markeerde – al werd ze door de Nederlandse media nauwelijks opgemerkt. Op diezelfde 17de augustus 1995 hield premier Kok voor de Indonesische televisie een toespraak waarin hij het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid een mijlpaal noemde. Deze uitspraak lag in de lijn van de kabinetspolitiek zoals in een brief aan de Kamer aan het begin van datzelfde jaar werd beschreven: dat men de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië erkende als ‘een historisch vaststaand feit’. Hoe gek het vanuit een huidig perspectief ook lijkt, zo ver was men nog nooit gegaan.

De gevolgen waren ernaar. Om het te zeggen in de woorden van een man die zich enigszins aan de zijlijn en zonder tromgeroffel al jaren in de toenmalige gebeurtenissen verdiept, historicus en gewezen ambtenaar op Buitenlandse Zaken J.J.P. de Jong (in De terugtocht, 2015): ‘In zijn [Koks] speech brak voor het eerst dwars door de traditionele preoccupaties en mythes een glimp door van wat er destijds werkelijk was gebeurd.’ Anders gezegd: de tijd om de feiten zonder wrok onder ogen te zien was aangebroken, zo ook het moment om op te houden met het nietes-welles-spelletje van geen oorlogsmisdaden-wel oorlogsmisdaden, geen structureel geweld-wel structureel geweld, goed-fout, geen spijt-wel spijt, geen excuses-wel excuses.

Een executie in voormalig Nederlands-Indië. Foto’s uit een privé-album van een soldaat uit Enschede die in 1947 naar Nederlands-Indië werd uitgezonden. Het album werd gevonden in een vuilcontainer in 2012 en toen voor het eerst gepubliceerd in de Volkskrant. Omgeving Soerabaja, Oost-Java, 1946 © Vincent Jannink / ANP
***

Dat het voorlopig om niet meer ging dan een glimp bleek toen de minister van Buitenlandse Zaken in kabinet-Balkenende II, Ben Bot, tien jaar later (2005) een bezoek bracht aan Indonesië, op 17 augustus aanwezig was en aan de vooravond daarvan in enigszins poëtische termen toegaf dat Nederland destijds aan de verkeerde kant van de geschiedenis had gestaan. Daarover betuigde hij ook spijt. ‘Pas wanneer men op de top van de berg staat, kan men zien wat de eenvoudigste en kortste weg naar boven zou zijn geweest. Zoiets geldt ook voor diegenen die betrokken waren bij de besluiten die in de jaren veertig werden genomen. Pas achteraf is te zien dat de scheiding van Indonesië en Nederland langer heeft geduurd en met meer militair geweld gepaard is gegaan dan nodig was geweest.’

Maar wat betekende dit? In ieder geval dat tussen 1995 en 2005 een verschuiving had plaatsgevonden en dat het aloude veteranenstandpunt zijn tijd definitief had gehad. Door zijn aanwezigheid en met zijn woorden aanvaardde Bot de Indonesische Republiek zoals uitgeroepen op 17 augustus 1945. Maar ‘aanvaarden is je schikken in de realiteit’, schreef NRC Handelsblad terecht. ‘Erkennen is inzien en toegeven dat je het eerder mis had. Politiek is Nederland er dus nog niet.’

Hetzelfde geldt voor de door Nederland betuigde spijt over het militair geweld. ‘Ook hier een nuanceverschil’, aldus NRC. ‘Wel spijt maar geen excuses.’ Vandaar dat de krant van ‘diplomatiek figuurzagen op hoog niveau’ sprak. ‘De vraag is wie of welke belangen met zoveel overdreven omzichtigheid zijn gediend. Een ruiterlijke erkenning met zoveel woorden zou beter zijn.’

En inderdaad, precies over deze twee punten (aanvaarden of erkennen en spijt of excuses) zou in de daaropvolgende jaren steeds weer geruzied worden. Opmerkelijk hierbij is dat het zwaartepunt van de publieke opinie steeds verder opschoof, weg van de Nederlandse soldaten (‘daders’) en richting Indonesische bevolking (‘slachtoffers’), om het zo maar eens te zeggen. Maar de overheid bewoog nog altijd niet echt mee. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een brief die Ben Bot eind juni 2006 aan de Kamer stuurde. Hiermee reageerde hij op een petitie die een jaar eerder, aan de vooravond van zijn bezoek dus, door het recent opgerichte Comité Nederlandse Ereschulden aan de Nederlandse ambassadeur in Jakarta was aangeboden. Zowel petitie als brief draaide om genoemde begrippen – erkennen en excuses in plaats van aanvaarden en spijt.

Op het eerste gezicht lijkt dat een taalkundig bagatel maar dat is het niet. Om dat te begrijpen hoef je slechts een blik te werpen op de website van het Comité Ereschulden of het logo van het comité te bekijken. Daar zie je in één oogopslag dat het om meer gaat dan taal, het gaat om compensatie oftewel geld. In de petitie werd dat ook met zoveel woorden gesteld, in de brief van Bot werd het verzoek met evenveel woorden afgewezen. ‘De Nederlandse en Indonesische regering waren het erover eens deze stap [aanvaarding, spijt] te zien als historisch’, schreef Bot, ‘waarmee een hoofdstuk in de geschiedenis werd afgesloten. Zowel de Indonesische als de Nederlandse regering heeft tevens duidelijk gemaakt dat een discussie over compensatie niet aan de orde was en aangegeven dat het van ondergeschikt belang was welke terminologie precies werd gebruikt om een streep te zetten onder dit deel van de gezamenlijke geschiedenis.’

Het was niet het laatste woord. Daarbij concentreerde de zaak zich aanvankelijk vooral op de gebeurtenissen die zich op 9 december 1947 in Rawagede, West-Java, hadden afgespeeld. Sinds lang en eigenlijk vanaf het allereerste moment was bekend dat hier iets vreselijks was gebeurd, maar zoals in bijna alle andere gevallen was dit feit binnen de Nederlandse context naar het niemandsland van de geschiedenis verbannen, tot media (OVT, Netwerk), politiek (SP) en advocatuur (Liesbeth Zegveld) zich ermee begonnen te bemoeien. In december 2009 spande Zegveld namens weduwen en nabestaanden een rechtszaak aan tegen de Nederlandse staat. Aanvankelijk stelde deze zich op het standpunt dat de kwestie verjaard was. Langdurig getouwtrek volgde en eindigde met een overwinning voor de eisende partij: de Nederlandse staat maakte niet alleen excuses maar betaalde ook schadevergoeding.

Vanaf dat moment, eind 2011, raakten de ontwikkelingen nog verder in een stroomversnelling. In juni 2012 publiceerde de Volkskrant foto’s van executies. Het was voor het eerst dat dit gebeurde. Bijna tegelijkertijd kwamen drie onderzoeksinstituten met het voorstel nogmaals en nu diepgaand onderzoek naar de gebeurtenissen te verrichten. De regering voelde hier, aldus een brief aan de Kamer van 14 augustus 2012, niets voor. In januari 2013 werd dit standpunt met een nieuwe brief bevestigd. Ondertussen was het ‘goede nieuws’ over Nederlandse excuses en de daarbij passende herstelbetalingen natuurlijk ook elders in Indonesië doorgedrongen, met als gevolg dat ook nabestaanden van de slachtoffers van Raymond Westerling de Nederlandse staat aanklaagden. Ook zij kregen compensatie – én excuses. Eenmaal zo ver leek het hek van de dam.

Toen in 2015 (Gert Oostindie: Soldaat in Indonesië) en in 2016 (Rémy Limpach: De brandende kampongs van Generaal Spoor) vervolgens ook nog eens boeken verschenen waarin een en ander opnieuw op niet mis te verstane wijze op een rij werd gezet, kon de overheid niet anders dan overstag gaan en doen wat zij zeventig jaar lang geweigerd had: een onafhankelijk, groots onderzoek laten verrichten naar de gebeurtenissen tijdens de dekolonisatie van Nederlands-Indië. Dat onderzoek is in 2017 gestart en moet in september 2020 klaar zijn.

Niettemin kan een kind bedenken dat dit onderzoek, hoe goed hopelijk ook, altijd een onbevredigend gevoel zal achterlaten. Er is simpelweg te veel tijd verstreken. Daarom is in zijn algemeenheid ook slechts één conclusie mogelijk – we zien het keer op keer, in het Spanje van na Franco, het Cambodja van na Pol Pot en in het Oost-Europa van na de val van de Muur: een verleden dat niet meteen onder ogen wordt gezien gaat etteren, en een wond is erg, maar een etterende wond is erger. Anders gezegd, Nederland had met betrekking tot Nederlands-Indië en Indonesië hetzelfde moeten doen als het met de oorlog op eigen bodem heeft gedaan, of in ieder geval geprobeerd: meteen de hand in eigen boezem steken. Daarvoor is het zeventig jaar na dato te laat. Na zoveel tijd kan zo’n onderzoek nog slechts geschiedschrijving zijn – én eventueel een doekje voor het bloeden.


Chris van der Heijden schreef in De Groene van 27 februari 2013 over Nederlandse excessen in Indonesië & de publieke opinie tussen 1946 en 1955.